Gebedsruimte voor onvermogen!
1988-03-04
Twéé lijnen van Goddelijke zorg- Jaargang 32
- nummer 9
Heel bekend is de uitdrukking, dat de Here kracht geeft naar kruis. Onder het kruis hebben we te verstaan het leed en de moeite en de "verdrukking, welke de kinderen Go.dsom Christus' wil te verduren krijgen. Die moeite kan zo groot zijn, dat zij onze kleine krachten ver te boven gaat. Maar we vertrouwen erop, dat de Here ons zulk een grote kracht zal geven, dat we het tot zijn eer volhouden. Hij geeft gróte kracht in onze moeilijkste omstandigheden.
Maar de Bijbel wijst ons ook op een àndere lijn van Goddelijke zorg. De Here kan ook als het ware het omgekeerde doen: Hij kan ook de moeilijke omstandigheden aanpassen aan onze geringe kracht! Dat is, dacht ik, minder bekend dan het eerste.
Het is misschien ook wel minder sprekend.
Maar juist om dat laatste willen we ons toch eens verdiepen in de evangelische spráke, die ook van die
twééde lijn van Goddelijke zorg uitgaat.
Schriftgegevens aangaande de twééde lijn
In Psalm 125 vernemen we de geruststellende verzekering, dat de scepter der goddeloosheid niet zal blijven rusten op het erfdeel der rechtvaardigen, "opdat de rechtvaardigen hun handen' niet uitstrekken naar onrecht" (vers 3).
De gedachtengang is goed te volgen!
Wanneer het àl maar zou doorgaan met die goddeloze heerschappij, ook over het leven van Gods rechtvaardigen, dan zou het voor die rechtvaardigen zó donker worden, dat zij tenslotte in de algemene maalstroom zouden worden meegetrokken: Willen we in leven blijven in deze tijd, dan kunnen we onmogelijk meer vragen, wat de Here van ons wil! Dan moeten we net als iedereen klauwen en graaien om nog aan een stuk brood te komen, ook al geven we daarbij alle gerechtigheid en ook alle barmhartigheid prijs! Laat dan de mens maar een wolf zijn voor zijn medemens! Wij moeten tenslotte léven! Zo zouden ook de rechtvaardigen gaan spreken tenslotte.
En dan spreekt de dichter het vaste vertrouwen uit, dat de Here het zo vér niet zal laten komen! Hij zal de boze kracht van de moeilijke omstandigheden inperken wat zwaarte en duur betreft.
Hij zal de moeite aanpassen aan de geringe kracht van zijn rechtvaardigen!
En dan de belofte van de Here Jezus zèlf "En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch terwille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort"Matth. 24 : 22. Ook de "grote verdrukking", die er zijn zal, zal door de hand van de Here worden ingeperkt in duur en gewicht. Die moeite zal worden aangepast bij de geringe kracht van Gods uitverkorenen!
Eigenlijk is het wel te begijpen, dat we onze aandacht nooit zo sterk hebben gericht op deze twééde lijn als op de éérste lijn die we hiervóór hebben genoemd. In die tweede lijn komt ons onvermogen, onze maar al te geringe kracht, zo overduidelijk blóót en in het licht. Bij de eerste lijn werd die geringe kracht eigenlijk meteen "opgelost" in de grote kracht die de Here geeft! Ons onvermogen kwam daar niet zo akelig blóót te staan.
Ik kan u niet vertellen hoe nu de samenhang van die beide lijnen is. Dat kan ik niet doorgronden. En dat schijnt ook niet nodig te zijn!
Gebeden in het spoor van de twééde lijn
We denken aan het toch wel bekende gebed van Agur, de zoon van Jake, in Spreuken 30 : 8 en 9. Hij vraagt daar niet, of de Here hem de kracht wil geven om - hetzij in armoede, hetzij in rijkdom - tot Gods eer te leven. Zijn vraag is een àndere: Hij bidt zowel armoede als ook rijkdom van zich àf Hij vraagt als het ware om een veilige levenswandeling op het midden van de weg - niet te zeer naar rechts, niet te zeer naar links: " voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: Wie is de Here? noch ook verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe ".
Twee dingen vallen hierbij op. Allereerst de grote wijsheid, waarin Agur ook rijkdom van zich afbidt! We hebben hier te doen met een wijsheidsles voor volgende geslachten, die meer bewondering dan navolging heeft gevonden! In de tweede plaats valt ons op, dat Agur de moed heeft zichzelf als het tegendeel van een geloofs-hèld te presenteren! Hij durft, hoorbaar voor de Here en voor de mensen, te zeggen, dat hij het niet áánkan: de armoede niet, de rijkdom niet Hij vreest, dat zowel het het éne als ook het ándere te zwaar zal zijn voor zijn geringe krachten. Moge de Here de door Hem beheerste omstandigheden van Agur's leven aanpassen bij de geringe kracht van de bidder!
En dan komen we tot een zéér bekende bede: de zesde bede van het Onze Vader: " ..... en leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze".
Bevinden we ons ook hier niet op het spoor van die twééde lijn?
Vraag/Antwoord 127: Prachtig, maar toch ...
Prachtig is de uitleg van Zondag 52!
Als daar wordt gesproken van de boze vijand, de satan, die het gehele wereldapparaat - met het mooie en met het verschrikkelijke daarvan - gebruiken kan om ons te brengen in zijn smeltkroes.
En als daar gesproken wordt van die verradelijke "vijfde colonne", die we in ons hebben, ons eigen vlees! Als daar onze zwakheid erkend wordt en de noodzaak beleden van de bekrachtiging door de Heilige Geest.
Ik zou die woorden van de catechismus niet graag willen missen!
Maar toch. . . .. als je nu eens vanuit de catechismus zou willen terugredeneren naar de bede toe en als je uit de formuleringen van de catechismus zou wiIIen afleiden, welke bede hier behandeld wordt, dan zouje komen op een gebed aan de Vader om in de verzoekingen ons kracht te verlenen en om ons te sterken, als we ons al in die smeltkroes van de satan bevinden! Kortom, dan gaat het om een bede, die zich bevindt in het spoor van wat we de éérste lijn hebben genoemd. Dat zou nog goed vol te houden zijn in verband met het vervolg: "maar verlos ons van de boze".
Maar bij het begin van de bede is de verzoeking er nog niet en bidden we van harte, dat die niet kómen zal ook! Duidelijk een bede in het spoor van de twééde lijn! Nogmaals, wat is de catechismus mooi! Toch jammer, dat die tweede lijn in de uitleg wordt gemist!
In de schaduw van de vrome martelaren
Misschien vindt u wel, dat we met een heel ijl verhaal bezig zijn. Misschien vraagt u zich wel af, wat voor verschil het nu eigenlijk maakt, die eerste lijn of die tweede lijn. Nu, dan zal ik eens iets ophalen uit mijn eigen verleden.
Wij hadden thuis een boek van H. A. van der Mast, getiteld "Beelden en Schetsen uit de Kerkgeschiedenis".
Dat boek heb ik trouwens mogen "erven", zodat het nog in mijn kast staat.
Vader placht ons van tijd tot tijd uit dat boek voor te lezen. En daarbij werd ook aandacht besteed aan de martelaren van de Kerkgeschiedenis: Polycarpus, Perpetua, Felicitas, Johannes Hus, Savonarola, Hendrik Voes, Johannes van Esch, Guido de Brès .....
Vader las die martelaarsgeschiedenissen op bewogen toon voor. En ik stelde mijzelf steeds weer de vraag: Zou jij dat ook kunnen voor Christus? Dolgraag had ik de kracht tot het martelaarschap in mij gevoeld! Maar het lukte niet. Ik probeerde mezelf op te pompen als een soort heilige meikever. Maar de conclusie was: Ik zou vreselijk bang zijn! Ik zou bibberen bij de gedàchte aan die pijn! En als ik daaraan dacht, dan bibberde ik metterdaad!
Ik durfde daar niet over praten. .. met geen mens en al helemaal niet met God.
Want ik voelde me een verrader van de goede zaak van Christus!
Niet praten daarover - al helemaal niet met God! En dat was nu zo'n grote ellendige vergissing. Was ik me die twééde lijn van de Goddelijke zorg en van het gebed maar bewust geweest.
Dat je tegen de Here kunt zeggen:O Here, bespaar mij dat, want ik ben zo bang, dat ik het niet zal kunnen. Datje voor de Here mag gaan staan in al de blóótheid van je onvermogen. Dat je een vader hebt,
tot Wie je mag spreken over je tekort aan kracht: ,,O Vader, leid mij dáár niet in ... !"
De éérste lijn
De beide lijnen behoren toch bij elkaar.
Want als die smeltkroes dan toch komt?
Als ik datgene, wat ik van me àf gebeden heb, toch zie naderen?
Nu, dan is het ook duidelijk, dat ik, die daar in al mijn blootheid voor God sta, ook door Hèm zal moeten worden bekleed.
Dan is het duidelijk, dat het voor 100% Zijn zaak geworden is, dat ik er dóór kom! Wonderlijk is dan de weg van de Here: Ik begin met oprecht te zeggen, dat ik zo graag behoed zou willen worden voor de smeltkroes van satan, die ik vrees. Maar als Hij mijn blootheid bekleedt, dan kan ik eindigen met vreugde, ook over de verzoekingen - Jac. I : 2. De wèg van de Here, ja!
Maar daarom moet ik niet aan het einde willen beginnen, maar bij het begin. We willen zo graag starten als geloofsheld.
Maar moeten we niet beginnen met het benutten van de ruimte, die God ons in ons gebed heeft gegeven om ons onvermogen te belijden! Oprecht voor zijn aangezicht. De kracht is inderdaad geheel van Hem!