Een prikkelend lied

2011-02-04
  • Jaargang 55
  • nummer 3
Ds. Gerkema besprak in het vorige nummer van Opbouw (55-02) onder andere het lied: ‘Het liefst zou ook ik…’. Na een korte bespiegeling over de ontwikkeling van het kerklied binnen de NGK gedurende de afgelopen tien tot vijftien jaar merkt Gerkema op dat Opwekking toch ook wel wat smalletjes is. Het is verfrissend te vernemen dat er ook notie is van andere ontwikkelingen. Gelukkig! Dat je vervolgens over de interpretatie van een lied kunt verschillen is alleen maar hoopgevend; er wordt weer nagedacht over de inhoud van een lied. Niet het ‘gevoel’ is de primaire graadmeter voor kwaliteit.

Nu ben ik aangekomen bij wat Gerkema bij mij heeft losgemaakt. Ik had al eerder kennis genomen van dit lied. Het ontroerde mij diep en ik vind het een prachtig dichterlijk lied dat enerzijds onze menselijke vertwijfeling zo treffend weergeeft, maar anderzijds ook een belijdenis is van Jezus Christus en die gekruisigd.
Wat concreter: de tekst van dit lied laat zich moeilijk woord voor woord beoordelen. Het is een gedicht met samenhang van begin tot einde, zoals dat een goed gedicht betaamt.
In de eerste regel al roept de dichter: ‘Het liefst zou ook ik’. Dat impliceert dat hij eigenlijk anders wil. Hij schampert (die drammers) over de oppervlakkige en gemakkelijke wijze waarop wij God voor ons karretje willen spannen, maar ook over ‘die almacht van Hem’. ‘Waar was God in Auschwitz?’ lijkt hij te suggereren. Door die aanvangszin is duidelijk dat de dichter in tweestrijd staat. Ook het tweede couplet volhardt hij in die vertwijfeling. ‘En ik houd stiekem de hoop op een redder van een wereld in nood’. Ja, maar wel stiekem!
Pas bij het derde couplet komt het: ’Maar, dan klinkt: Zie de mens’ (zie hem daar nu staan). Daarmee neemt de dichter afstand van het eerste en tweede couplet. Hij beseft dat hij nietig, onmachtig en een lijdend mens is met een armzalig gezicht. Is dat geen zelfkennis?

In couplet 4 schreeuwt hij woedend en met gebalde vuist: …dat ‘mensje’ is helemaal niks is zonder redding van boven. Is dat geen erkenning van ’s mensen onmacht en Gods almacht? ‘Brengt een mens ons soms heil?’ roept hij, terwijl hij het antwoord al weet! Moet ik het van de mens verwachten? Dat is toch een geloofsbelijdenis?
In het vijfde couplet slaat de vertwijfeling toch weer toe. Weer: ‘Het liefst bid ook ik tot die God om erbarmen, met de ogen naar boven, met de blik afgewend’. Het kiezen voor de gemakkelijke weg gaat door in het laatste couplet wat zo herkenbaar menselijk is: meehuilen met het volk (de massa), blind zijn voor het teken in een mensengezicht (voor het verdriet of het stralende geluk op een mensengezicht als uiting van Gods wil om de naaste te troosten of het geluk mee te delen?).

Al met al is het lied een realistische uitbeelding van de innerlijke strijd tussen de wil in God te (ge)loven en die eeuwige vraag: Waarom? Als je een dierbare verliest is die vraag en de machteloze woede zo begrijpelijk. Kortom vertwijfeling tot en met. Maar met een overwinnend geloof (couplet 3 en 4). Geheel eens met Gerkema dat dit nou niet direct iets is voor jonge kinderen. Maar dan ken ik er nog veel meer! Al met al beoordeel ik dit lied toch positiever dan Gerkema.

Nog een opmerking over de melodie. Zelden heb ik een melodie gezien die zo de tekst ondersteunt. De eerste twee regels geven een stoere melodische ondersteuning van de beweringen in de zinnen van alle coupletten. Let ook eens op de stijgende melodie in de derde regel (prachtig) en het suggestieve vragende eind (een cis) voor de laatste regel. Vragendheid (!) ten top. Die melodie is niet moeilijk, misschien even wat onwennig, maar zal zeker beklijven. Veel opwekkingsmelodieën zijn onzingbaarder, althans voor een deel van de gemeente.

Tot slot: mooi meegenomen is dat het zowel gedicht als melodie van groot vakmanschap getuigen. Mijn vader (organist) zei altijd: voor onze Lieve Heer is het beste niet goed genoeg. Een goed verstaander heeft een half oor nodig!

Gert Koetsier is lid van de NGK Dronten.

Reactie
Net als ik is Gert Koetsier geboeid door het gedicht van Rose/Govaart. Hij is er positiever over dan ik en hoort er ook meer belijdenis (van Christus en die gekruisigd) in meeklinken. Daarin komt hij verder dan ik, want voor mij blijft het zoeken naar evangelie in dit gedicht. De hamvraag in mijn artikel was of zo’n gedicht bruikbaar is als lied in de gemeentezang. Ik blijf het - ook na herhaalde lezing - te cryptisch vinden. En dat niet alleen voor jonge kinderen, maar voor de hele gemeente op een enkeling na misschien. De gedachte van vader Koetsier vind ik wel mooi - Voor onze Lieve Heer is het beste niet goed genoeg. Dat is iets om voor ogen te houden in onze onderlinge gesprekken. Want dat ben ik helemaal met Gert Koetsier eens, het is goed om het gesprek over de inhoud van liederen te blijven voeren. Het is niet onverschillig wat we zingen! Zo’n mooie afstemming op de Heer kan ons ook helpen bij de weging van de liederen, van Jan Visser en Rikkert Zuiderveld tot Jaap Zijlstra en Andries Govaart.

Freddy Gerkema

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief