Kinderbijbel
2011-02-04
‘Ga jij nog naar de kerk?’ vraagt ze nog tijdens het eerste verkennende snuffelen. De vraag komt tamelijk plompverloren en ik lach. Een beetje overvallen. We hebben elkaar weliswaar lang niet gezien, maar maak ik dan de indruk dat…? - Jaargang 55
- nummer 3
De laatste keer dat we elkaar zagen was een jaar of vijftien jaar geleden. Ze was 16 en stond op het punt een verrassende opleiding te volgen ver buiten onze toenmalige woonplaats in het Groene Hart. Wij verhuisden in die tijd. In de loop der jaren hoor je wel eens wat van elkaar en zo hoorde ik via-via dat deze jonge vrouw nu een leidinggevende functie heeft in een typische mannenwereld. Reden genoeg om haar op te sporen voor een interview over mensen met een bijzonder beroep.
We kenden elkaar goed. Ze was één van de vele buurkinderen die dagelijks ons tuintje en vaak ook ons huis in- en uitliepen. Dat lopen deed ze al toen wij bij haar in de staat kwamen wonen. Praten kwam pas veel later. Net als al die andere kinderen was zij ook bijzonder, maar ze was niet direct één van de gangmakers. Ze zat eerder aan de rand en had het niet altijd makkelijk. Ik was daarom razend benieuwd hoe zij in haar huidige functie terecht was gekomen.
Door de telefoon klonk ze pittig en zelfbewust. Ja, ze had tijd voor me want ze had zwangerschapsverlof. Onderweg naar het gesprek mijmerde ik in de auto over al die buurkinderen. Over hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Over onze jaarlijkse pannenkoekfeesten. We begonnen in de kleuterleeftijd met een stuk of zes verlegen kindertjes en een paar pannenkoekjes. Tegen de tijd dat onze oudste dochter de deur uitging zaten er ruim twintig babbelende buurkinderen in de leeftijd van 2-18 jaar aan stapels pannenkoeken en liters cola. Vaste prik bij de maaltijden was dat ik uit de kinderbijbel voorlas en een kort gebed uitsprak. Ook bij die maaltijden. Het maakte me niet uit of er twee of twintig kinderen zaten, op enig moment was er stilte en las en bad ik. Achteraf heb ik wel eens om mezelf gelachen en me afgevraagd waarom ik zo vasthoudend was. Niet dat het ooit commentaar opleverde. Het was een vanzelfsprekendheid bij de Viezeetjes. Ieder kind wist dat. Iedere ouder ook. De meeste kinderen vonden dat hele ritueel ook wel leuk. Ouders vonden het best. Van enig effect heb ik nooit iets gemerkt. Al die kinderen waren heidens en bleven heidens. In hun denken en in hun doen. Als ze al eens iets van een kerk zagen was het in de vakantie voor een bezichtiging of, zoals één vertelde, om wat koelte op te zoeken. Ongetwijfeld herinneren ze zich óns allemaal nog wel steeds als ‘streng christelijk’ of zo. En daarom overrompelt haar vraag ´ga jij nog naar de kerk´ me wat. ´Jawel hoor. Ik zal het je sterker vertellen: mijn man is predikant geworden’. ‘Ja, dat weet ik wel’, knikt ze en ratelt dan als vanouds meteen door: ‘als straks ons kindje geboren is, laat ik hem dopen. Zelfs als mijn man het niets vindt. En ik ga hem ook uit de kinderbijbel voorlezen. Net als jullie vroeger deden.’