Zingen we de psalmen allemaal en helemaal?

2011-02-04
  • Jaargang 55
  • nummer 3
Over een kleine twee jaar ligt er een nieuw Liedboek op de plank voor kerk, gezin en school. Daarin zijn nieuwe en oude gezangen opgenomen, maar ook gebeden. En natuurlijk de psalmen, met niet alleen het vrijwel ongewijzigde berijmde psalter uit het Liedboek van 1973, maar ook psalmen en psalmfragmenten in alternatieve vormen. In deze laatste aflevering gaat het hoofdzakelijk over de keuzes die rond de psalmen gemaakt zijn.

Psalmen zingen in de naam van Jezus. Dat gebeurde eeuwenlang heel intensief in de kloosters, waar wekelijks alle 150 psalmen onberijmd werden gezongen op gregoriaanse toon. Allemaal en helemaal, volgens een rooster dat de zesde-eeuwse monnik Benedictus samenstelde en in zijn kloosterregel verwerkte.

Calvijn
Misschien kwam Calvijn door die monastieke omgang met de psalmen wel op het idee om alle psalmen integraal te berijmen en ze zo geschikt te maken voor de gemeentezang. Berijmd en op melodie gezet zou op die manier de Schrift zelf door de gemeente gezongen kunnen worden tijdens de diensten en thuis in de gezinnen. Zo’n twintig jaar bouwden Calvijn en de zijnen aan het berijmde psalter.
De stevige gemeentezang maakte indruk en dat niet alleen in Genève! Al werd er ook vanaf het begin geklaagd over de moeilijkheidsgraad van de melodieën en leefde de vraag of elke psalm na Christus nog wel zo strikt gezongen kon worden. Dat alles neemt niet weg dat het Geneefs psalter eeuwenlang de bron is geweest, waaruit werd geput voor de gemeentezang. Ook in Gereformeerd Nederland.

(Niet meer) op rij af
Aanvankelijk zong men slechts één psalm aan het begin van de dienst - gewoon op rij af. En was een psalm te lang, dan zong men een deel van de coupletten en ging in een volgende dienst gewoon verder. Met twee diensten op de zondag en eentje op de woensdag zong men jaarlijks dus alle psalmen door. Na de psalm ontvouwde zich de rest van de dienst: votum, gebed, preek, dankzegging, credo en zegen, maar zonder dat er nog veel gezongen werd. De afwisseling tussen gesproken woord en lied was lange tijd geen gebruik en de gedachte dat een psalm bij de preek of bij het thema van de dienst moest passen kwam pas op in de 18e en 19e eeuw (met dank aan dr. Jan Smelik voor dit gegeven).

Vanaf de 19e eeuw werden de psalmen dus bewuster gekozen en op verschillende momenten in de dienst gezongen. Dat had niet alleen tot gevolg dat er meer psalmen aan bod kwamen, maar ook dat doorgaans slechts een enkel couplet klonk en niet de hele psalm. Het werd dus meer knippen en soms plakken (iets als Psalm 36:3a-2b), waarmee ook niet iedereen gelukkig was. Want doe je daarmee wel recht aan zo’n lied, dat ons ergens toch als een eenheid wordt aangereikt?

Te lang
De nuchtere kant is natuurlijk dat het in de praktijk van de zondagse samenkomst onmogelijk is om meerdere psalmen in hun geheel te zingen. Als het om vier of vijf coupletten gaat, wil het nog, maar zo’n negentig psalmen kennen zes of meer coupletten. Daaronder zijn er ruim dertig, die tot tien of hoger gaan. Dat is allemaal te lang voor de gemeentezang. Er moet dus gekozen worden, waarbij de coupletten die minder direct aanspreken zelden of nooit aan bod zullen komen. Vooral bij de langere psalmen merk je dat. Bij psalm 18 valt de keus negen van de tien keer op de coupletten 1, 8, 9 of 15. En wat is er zingbaar van psalm 78 of 94? Of neem psalm 102, waarvan waarschijnlijk alleen couplet 12 en 13 de zondagse dienst zullen halen. Al kiezend gaan we zo onze weg en dat verbaast me niks. De enige manier, waarop je het geplak en geknip voorkomt is ze op rij af te zingen, zoals Calvijn deed. Maar dan staat de psalm wel weer erg los van de rest van de dienst.

Samenzang?
Wijst de zondagse praktijk – selectief in allerlei opzicht - niet uit dat Calvijn met zijn strikte, integrale berijming van de 150 psalmen misschien wel te veel heeft gewild? Zijn alle psalmen wel zo geschikt om door héle gemeente te worden gezongen? Aardig genoeg werd ik bij dat punt bepaald door een hedendaagse berijming uit de ´Psalmen voor Nu´. Ik bedoel de negende psalm met de regel: ‘Sta toch op, Heer, met venijn, richt de slechten, maak ze klein, laat ze zien dat ze maar mensen zijn’. Kun je dat wel met de hele gemeente zingen? (Zie ook Opbouw 49-14, www-artikel 001894). Ik ervaar zulke regels, juist door de massale zang, als vervreemdend. Dat geldt ook voor de wraakpsalmen (o.a. 58, 137) en voor een diepdroeve als de 88e. Die worden dan ook zelden of nooit in de gemeentelijke setting gezongen. Inhoudelijk vind ik ze daarvoor ook niet geschikt.

Of solo?
Best mogelijk dat je deze liederen bij gelegenheid wel door een solist zou kunnen laten zingen, waarbij de gemeente toehoort. Een psalm als de 137e kan ik solo beter verdragen dan wanneer dit lied door de hele gemeente wordt gezongen (neem de solo-uitvoering door de Sons of Korah - http://wn.com/sons_of_korah!). Als u redelijk vertrouwd bent met de (berijmde) psalmen, overweeg dit punt van solo- of samenzang dan zelf maar eens bij de psalmen, die u onbekend voorkomen.
Verder kun je in een kerkdienst de psalm natuurlijk ook (gedeeltelijk) lezen, misschien wel in een afwisseling tussen voorganger en gemeente. Dat zie je in veel buitenlandse bundels en het lijkt me een hele goede mogelijkheid voor in de eredienst.

Excentriek
Eigenlijk vind ik dat de gereformeerde gemeentezang door Calvijn´s keuze een excentriek trekje heeft gekregen. Excentriek door wat ontbreekt. Want door de eenzijdige keuze voor de psalmen moest de christelijke gemeente het heil van onze Heer wel heel summier en vanuit de verte van het Oude Testament bezingen.
Maar ook excentriek door wat wel was opgenomen. Psalmen, waarvan je bij voorbaat kon zeggen dat ze zelden tot nooit in de diensten zouden worden gezongen. En dat van de psalmen die wel gezongen werden het merendeel vanwege de lengte ongeschikt was om in zijn geheel te zingen.
En gaandeweg ook wel wat excentriek vanwege de melodieën. Want is het wel gezond geweest om de gemeentezang eeuwenlang gebonden te houden aan melodieën van rond 1550?

Luthers
Dat alles schrijf ik wel een beetje met pijn in het hart, want ik vind de psalmmelodieën prachtig, zing zelf graag de zettingen uit de zestiende eeuw en geniet zo mogelijk nog meer van al die Sweelinck-cd’s waar het pas over ging in Opbouw. Al schrijvend voel ik me dus als één van de koeien uit 1 Samuël 6!
Maar als ik denk aan het gebruik van de psalmen in de gemeentezang ben ik de laatste jaren een beetje Luthers geworden. In de Lutherse traditie vind je niet zo’n strikte berijming van de psalmen zoals wij die kennen - en dan allemaal en helemaal. Pogingen - onder calvinistische invloed – om tot een integraal berijmd psalter te komen, haalden ook nooit de Duitse kerkdiensten. Wel dus de vrijere weergaven van een aantal van de psalmen. Daarvan zijn er zelfs een aantal vertaald in ons Liedboek terecht gekomen (zoals Gezang 15, 16, 19, 21, en 401). Deze vrijere aanpak geeft meer mogelijkheden. Je kunt rustig uitgaan van een deel van de psalm. Er mag in doorklinken dat Jezus Heer is. En een eigentijdse wending brengt een psalmtekst ook nog eens dichterbij.
Geef mij dus maar de psalmen in een vrijere weergave. Met de mogelijkheid om via andere zangvormen of lezend de onberijmde tekst te laten horen van een psalm – als het even kan helemaal.

Kerkpolitiek
Voor het Liedboek van 2012 werd dus anders beslist. De psalmen van Liedboek 1973 gaan integraal en vrijwel ongewijzigd door naar Liedboek 2012. Die teksten zijn natuurlijk ook prachtig, dichterlijk, ik zou niet weten hoe het mooier moest. Maar ook voor mij als midden vijftiger is het al aan de ouderwetse kant. En het lijkt wel alsof dat gevoel met het jaar erger wordt. Al begrijp ik ook wel weer dat de psalmbundel integraal in deze vorm wordt overgenomen. Een 21e-eeuwse berijming van alle psalmen onbegonnen werk. Verder zitten achter de keuze voor overname ook kerkpolitieke motieven. Voor een deel van de PKN (Gereformeerde Bond) zou de deur voor het nieuwe Liedboek bij voorbaat in het slot gaan als gekozen zou worden voor een selectie van het Geneefse psalter. En waarschijnlijk zou het voor de meeste Vrijgemaakten (en Nederlands Gereformeerden?) ook wel even slikken zijn.

Anders
Als ik dit zo schrijf realiseer ik me hoeveel er in korte tijd veranderd is in de gemeentezang. Mee ook door verschuivingen in de verschillende kerkelijke tradities, waarbij de evangelische vleugel veel sterker is dan vijftien jaar geleden. Maar ook door de secularisatie, die nog meer dringt om vooruit te zien bij het samenstellen van een Liedbundel voor de komende generaties.

Te voortvarend?
Het is natuurlijk nakaarten - en dan ook nog van een NGK’er die pas in 2008 aanschoof - maar van mij hadden we na het besluit om te komen tot een nieuw Liedboek als kerken wel een paar jaar van bezinning en gebed mogen inbouwen.
Om op die manier iets te proeven van de ontwikkelingen in kerk en samenleving. Nu volgde direct na 2007 een goed georganiseerd proces van selectie met werkgroepen, redactie en klankbordgroepen. Kundig, zowel in het talige als muzikaal. Petje af. Maar toch.

Van onderaf
Ten tweede is de samenstelling van het nieuwe Liedboek in sterke mate een proces van bovenaf geworden. Wat was er gebeurd als je de liederen meer van onderaf – van tussen de mensen vandaan – had laten opkomen? Gewoon vanuit de vraag: wat zing je graag - in de kerk, in het gezin, op school? En waardoor wordt je geloof opgebouwd, wat brengt je dichter bij de Heer en bij zijn Koninkrijk? Niet dat daarmee alles gezegd (en gekozen) zou zijn, maar door zo’n proces van beneden af zou het nieuwe Liedboek een natuurlijke aansluiting bij alledaagse kerkmensen hebben gekregen.

Supplement
Ten slotte zou ik me, denkend aan het kerkelijk meerstromenland, kunnen voorstellen dat er gekozen zou worden voor een uitgave met een gemeenschappelijk deel, waarin je de liederen vindt die in bijna alle kerken gezongen worden, aangevuld met een stromingsgetint supplement. Dat naar analogie van het nieuwe Duitse Liedboek. Daar hebben de Landeskirchen een eigen supplement naast het gemeenschappelijk deel. De uitgave voor Hessen en Nassau ziet er dus anders uit dan die van Bayern en Thüringen.

Na vier kloeke artikelen denkt u misschien: je blijft het maar hebben over een liedBOEK. Wordt het niet tijd om al dat gebeamer en gekopieer eens goed en uniform te regelen. Zeer to the point die vraag! Dat moet ook nog! En daaraan merk je nog weer eens hoeveel er aan het schuiven is tussen oud en nieuw in de gemeentezang.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de Nederlands Gereformeerde kerk van Amersfoort-Noord, lid van de redactie van Opbouw en namens de NGK bestuurslid bij de ISK.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief