Gnostiek
1987-01-16
INLEIDING- Jaargang 31
- nummer 2
Schrikt u niet van de term 'gnostiek', die u misschien wat vreemd voorkomt. Ikheb, hem nodig om het kruispunt te bereiken van de actuele denk- en voorstellingswereld van nu. Een sleutelwoord.
Als de Heiland de judaïstische wetgeleerden van Zijn dagen voor de voeten werpt: “Gij hebt 'de sleutel der 'kennis weggenomen", bedoelt Hij de sleutel die toegang geeft tot de "kennis" van God, de Schepper van hemel en aarde, integrale, radicale kennis. 'Die sleutel der kennis is: het leven dat I-Jij aan ieder van Zijn schepselendagelijks foevoert in de levende samenhang van heel Zijn Schepping, haar volmaakte wetten en verbanden: het leven in dat geheel eigen verband met je naaste, je ouders, je vrouw, je kinderen, je volk. Die kennis doe je op met heel je bestaan, met lijf en leden. Wie de sleutel vindt, krijgt contact: het is een contactsleutel. Die God Zelf beheert. De smederij van de satan brengt hiervan een bedrieglijke imitatie in omloop. Vaak óók gnoosis genoemd. Maar het is dan pseudo-, leugengnoosis: gnostiek.'De grondwaarheid voor prof. Berkhof: "continuïteit in discontinuïteit", onlangs in Opbouw d.d. 16 mei j.l. argeloos overgenomen, vertoont m.i. onmiskenbaar de trekken van deze gnostiek, en dient daarom in haar motieven en tendens nauwlettend onderzocht. We kunnen daartoe het best aansluiten bij zijn eigen uitspraken.
Ik noemde ze op de jaarvergadering, maar, ze vonden geen weerklank. Ze zijn te vinden in zijn boek "Christelijk geloof" (2e dr. Nijkerk 1973). Voor de duidelijkheid spatieer ik nu en dan en laat vet of cursief zetten. Wellicht overbodige herhaling heeft hetzelfde doel. En verder probeer ik bij de bespreking telkens een greep vooruit te doen naar de volgende citaten: ze vormen m.i. een geheel uitlopend in de tendens: de omverwerping van de Wet van God de Schepper.
1,1. Hier spreekt 'een schepsel over zijn Schepper, de hoogste Majesteit, in vakterminologie." Past dit een schepsel? De Naam vergruizeld tot een schroefje in het theologisch vakbedrijf onder de titel "Christelijk geloof".
Zeer zeker onder ons erg gebruikelijk. Dus ook geoorloofd? Denkbeeldendienst. Zou de bijbel. daardoor velen de indruk van leegte, geven, van uitgestorvenheid, pas wat te verlevendigen door theologische handboeken? Wie leest de bijbel nog voor z'n plezier?
1,2. Maar wie beseft dat God, onze Schepper, juist deze bééldendienst haat als rechtstreekse import van satan in Zijn kosmos (Gen. 3: 2-6) slaat alarm! Dit vergift vervreemdt ons van het leven, dat Hij Zijn schepselen dagelijks schenkt in Zijn peilloze gunst. Daarin openbaart Hij Zich, in die wonderbaarlijke wereld, waarin wij zo feilloos
verweven zijn in al die kunstige verbanden en wetten, "opdat wij Hem zouden tasten en vinden". (Hand 17).
1,3 Deze beeldendienst werkt eveneens onderlinge vervreemding. God, de Schepper, openbaart Zich niet in een gemeenzame vaktaal, maar .in het eigen leven van ieder van Zijn schepselen. Hoe licht komt hierdoor (Ex. 20) sombere vervreemding in onze' gezinnen, levende leden van elkaar! ' En worden onze kinderen in hun zoeken van de Waarheid van hun leven door onze' duidelijkheid van spreken en handelen op' Haar spoor gezet} Nakaarten komt te laat. Het sluit niet meer aan. (Pred. 12, 1).
1,4. Heeft een medeschepsel op grond van, zijn theologische vaktitel groter introductie bij ons, dat hij ons zijn Z.g. "bijbels-theologische maatstaf" op .zou kunnen dringen, die ons verbiedt te luisteren naar wat de Schepper Zelf aan ieder persoonlijk van ons. Zijn schepselen, in iedere levenssituatie openbaart?
1,5. Onze Heiland wijst ons de weg als 'Hij Nicodemus terugwijst. Ook deze kwam aandragen met zijn, pretenties en hoogkerkelijk aplomb - met het, geweld achter zich - onder het baldakijn van zijn ambt, maar dat tot vak was verworden: "wetgeleerde". En in die qualiteit bezigde hij beschermend collegiaal met zijn vakgenoot de Naam van de hoge God. Maar hij en zijn - judaïstische - collega's hadden Hem omgebouwd en in die gestalte hun onderwijs doorgegeven: hun "bijbels-theologische maatstaf" had de traditie van de kennis van de God van Israël bij Zijn volk grondig vervalst. Misbruik van de Naam laat Jezus hem voelen.
Wat beschouwt B. als "heil'?
2. Pg. 156. "Het heil betekent dat deze wereld wordt gereinigd en opgeheven tot hoger bestaan".
1.60."De geschapen wereld is een onvolmaakte, zich in de tijd voltrekkende werkelijkheid·
2,1. 'De geschapen wereld dient dus gereinigd, maar niet dáárom omdat wij mensen, die haar bewonen, dit geschenk van onze Schepper telkens door ons- misbruik ontheiligen, maar omdat zij als geschenk 'niet deugt: zij voltrekt zich in de tijd, en dat is een constructiefout. Die pas kan ,worden hersteld als deze wereld boven de tijd wordt uitgeheven. "Ongeheven tot hoger bestaan. En daarvoor zorgt dan het “heil”.
2,2. De term “heil" spreekt ons natuurlijk wel aan. Maar wees op uw hoede: hier wordt een wissel omgelegd: de Schepper, de Vader van onze Heiland, wordt hier gesmaad: als kon Hij Zijn Scheppers taak niet aan. Dit "heil" wil een correctie, een noodzakelijke correctie aanbrengen op het werk van de Schepper. Volgens hetzelfde recept dat de satan de mens voorspiegelde (Gen. 3 : 2-6) toen hij hem verlokte zich met zijn fantasie op een bal sen, vanwaar hij zijn Schepper van voldoende hoogte kon bespieden, of zijp bedoelingen met de mens wel zo zuiver en onbaatzuchtig waren als hij het liet voorkomen. Of hij de mens niet juist verhinderd zich naar hartelust, in volle vrijheid kon ontplooien.
2,3. Maar dit balcon bevindt zich in het luchtledig! Als von Münchhausen. Die verleidelijke plaats boven-de-tijd-uit, die "boventijdelijkheid" dit "hoger bestaan bestaat niet. Luchtspiegeling. Hier kan een schepsel van lijf en leden niet ademen. Wel denken? ' Zijn organisch leven, zijn ontplooiing als schepsel is stilgezet. Het schepsel' heeft zijn navelstreng doorgesneden: Gods Zoon weigert Zijn Vader te corrigeren op voorstel van de satan, en de dood treedt in. Het "In Hem, leven wij, bewegen wij ons en zijn wij" is tot zwijgen gebracht. Maar van het theologisch balcon gaat de redenering door:
3. Pg. 199 "De zonde is niet maar een betreurenswaardige misstap van onze verste voorouders geweest, maar diep in de schepselmatige structuur van -het riskante wezen mens verankerd". 219. '"Zelfs de op zichzelf ,blasfemische gedachte, dat God de oorzaak van de zonde is, blijkt -nu een waarheid te bevatten".
3.1. Ontstellend!
Hier komt tot uiting dat' er een satanisch Grondmotief werkt achter het thema "continuïteit-in-discontinuïteit". Blasfemie van de eerste orde. De lijmpoging met "op zichzelf", en "een waarheid" kan dit niet Verdoezelen. Beide termen zijn trouwens afkomstig uit het niemandsland van de boventijdelijkheid. En daar is geen koning: ieder doet er wat récht is in zijn ' ogen.
3,2 Dit satanisch grond motief is het begonnen om de ontplooiing van de kosmos tot stilstand te brengen: het oogmerk, de oogappel van onze Schepper. Het "bijbels-theologisch" pincet houdt niet stil bij de correctie op Gods Openbaring; het dringt door tot het leven in de moederschoot, tot dat in alle verbanden van de Creatuurlijke werkelijkheid.
3.3 Om deze ontplooiing evenwel veilig te stellen nam Gods Zoon onmiddellijk bij de .val van Adam diens plaats in door Zich te schikken tot de staat van Schepsel. Weliswaar met de (kruis-)dood voor ogen, maar in de zekerheid van de overwinning en de opstanding. Ontplooiing houdt in de onstuitbare voortgang van Zijn Schepping, dynamisch voortgestuwd door Zijn kracht en in handen gelegd van de integrale mens van vlees en bloed, de man en zijn vrouw, kinderen, het perspectief van eeuwige toekomst.
3,4. Deze zekerheid luidt het evangelie van Johannes in met zijn magistraleouverture - die Berkhof verwerpt, zie par. 1- het telkens volgehouden refrein van "Ik en Mijn Vader zijn Eén". Vader en Zoon werken, - Ieder voor Zich, Ieder voor Zijn deel, zelfstandig – gezamenlijk aan Hun .gemeenschappelijk beleid. Waar bij Christus, Gods Zoon; nu ook Schepsel in diep vertrouwen in Zijn Vader in Diens Majesteitelijke Heerlijkheid, bij Hem in .alles te rade gaat, de wonderen en tekenen, die Hij op aarde verricht, telkens op Zijn gebed verrast uit de handen van Zijn Vader krijgt aangereikt. "Zo ·lief heeft God Zijn werkstuk, de Schepping Zijn kosmos gehad, dat Hij Zijn enige, geliefde Zoonheeft over gehad om het te redden. (Joh. 3 : 16).
3,5. Christus daalt dan ook, wat dàt aangaat, onbezwaard af in het ‘’vlees’ dat Hij Zelf schiep. Alleen In dat "vlees" is voor het schepsel leven mogelijk, leven van het waarachtige heil. Net als bij de mens in de volle, diepe zin ervan, met onze zin tuigen, onze emoties, onze onderlinge verstandhouding door ogen en handen, onze huwelijksgemeenschap. Vaak bespeuren wij onze onpeilbare weelde van meer nabij als we een ziekenhuis binnenkomen en de - tanende - rijkdom van het leven-in-het-vlees ontdekken: de individualiteit van patiënten. en verzorgers, van het ogenblik; Hoezeer alles verweven is in de tijd.
3,6. Ons geluk te mogen leven in de Creatuurlijke werkelijkheid is ermee gemoeid, deze blasferische bewering van "zonde, verankerd in de schepselmatige structuur", in haar leugenachtig satansbedrijf te doorzien. Zij betekent voer voor doemdenken! Wie haar aanvaardt neemt elke aansprakelijkheid voor èchte zonde weg en blokkeerd de weg tot bekering. Zij is een brouwsel van de "boven tijdelijkheid", een hersenschim, beeldendienst, laster van de Naam.
3.7. Hoe komt het toch, dat wij zo gemakkelijk verzeild raken in deze beeldendienst? Omdat wij, mensen, zo licht gaan spijbelen, en onze plaats in Zijn Creatuurlijke werkelijkheid saboteren: het geschenk van het leven zoals wij het ontvangen in Zijn wereld. Het veronderstelt immers dat wij ons, in onze ontplooiing tot ontsluiting van Zijn Schepping, richten naar Zijn Wet. En die werkt in ons gesataniseerde bestaan onze wrevel op (Rom. 4 : 15) en we zoeken naar een plaats die het ons veroorlooft ons aan Gods Wet te onttrekken. (Rom. 7: 23)
3,8. Het grondmotief nu van de gnostiek drijft haar voort op deze boze weg, zodat ze zich inricht de Wet Gods te boven te komen. Haar denk- en voorstellingsvermogen móet daartoe zijn Creatuurlijke grens overschrijden, roofbouw plegen op eigen levensfundament: het denken onttrekt zich daartoe aan de leiding van het geloof in Christus en Zijn hoog en wijs beleid, en laat zich verstarren tot beeldendienst, denk-beeldendienst in het niemandsland van de boventijdelijkheid, Maar die, zolang Christus' beleid met de aarde hem blijft dulden in opperst geduld, onafzienbare verwoestingen aanricht in Zijn wereld, ,en Hemzelf ertoe noopt vanuit Zijn hemel de schrikkelijke plagen te voltrekken, waarvan wij lezen in Openbaringen, in Zijn Majesteit van het Lam,dat Zich het recht heeft verworven de boekrol met zijn zegelen open te breken.
4. Het is daarom van belang het citaat van pg. 232 serieus te nemen.
Pg. 232, "Scheppingsordeningen": gezin, staat, arbeid, maatschappij hebben we niet behandeld. Bij een dynamische conceptie van deze en andere vormen van samenleven. Deze patronen zijn aan zoveel verandering onderhevig dat daarover binnen het kader van een geloofsleer weinig zinnigs valt te zeggen. Wemogen er geen gevestigd karakter aan geven, dat ze in Gods onderhoudngswerk niet hebben en dat alleen maar een op het verleden gerichte levenshouding van 'de gelovige zou bevorderen"
4,1. Opzettelijk wordt de term "een dynamische conceptie" herhaald. Eerst geklit aan het veelduidige theologische begrip van "onderhouding". Maar dan simpelweg op grond vandit.begrip gepredikt als máátstaf van handelen voor de in Gods Scheppingsstructuur als schepsel verweven mens! Het theologisch begrip als sleutel tot de kennis van God, zoals HIJ Zijn schepselen, ieder in zijn situatie, de weg wijst in die onoverzienbare Creatuurlijke werkelijkheid!
4,2. Deze, aldus geïmpregneerde, paaps of schaapsgelovige moet nu niet' een op het verleden. gerichte geloofshouding aannemen. Zo staat het er. Maar wat kan de man anders! Dit ligt helemaal in de lijn van, het preparaat! Maar goed. Dat mag dus niet. Waàrom eigenlijk niet?
4,3.· Omdat hij dan "verankerd blijft in zijn schepsel matige structuur". "In de tijd": Hij moet naar dat "heil" van de boventijdelijkheid, 'dat deze theoloog voor hem toebereidt.
4,4 .En dat geldt evenzeer voor de andere gebieden" die B. aan de mens wil trekken, als voor het huwelijk. Wel faalt hier die “heils”supermens het jammerlijkst in het bepalen van zijn wet, hoezeer ook op de toekomst gericht. De Wijsheid openbaart in de Spreuken (b.v. 5, 15 vv) de onfeilbare weg voor hem, die Gods Wet in het oog houdt.
4,5. "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Dien Gij 'gezonden hebt". Joh. 17,3.