Vreemdelingen binnen onze poorten

1987-01-16
  • Jaargang 31
  • nummer 2
Islam betekent: totale onderwerping aan Allah op alle terreinen van het leven. Overal wordt de naam van Allah bij geroepen. Het eten, het uit en naar bed gaan, het tanken van benzine en dergelijke geschiedt in de naam van Allah, de barmhartige weldoener.
Volgens de Koran is Allah in de mens aanwezig: Ik ben u nader dan uw eigen slagader.
De alwetendheid van Allah wordt beleden: Allah ziet een zwarte mier op een zwarte rots in een ik donkere nacht. Allah wordt inderdaad overal bij betrokken. Zo levend gebod op gebod, regel op regel naar de wil van Allah. Wat zal dat allemaal eeuwig tegenvallen, als de moslims voor de levende God, de Schepper van hemel en aarde moeten verschijnen om rekenschap af te leggen van hun gedachten, woorden en werken. In eigen kracht geleefd? Dan zal het klinken: Ga weg van Mij; Ik heb je nooit gekend.

A. Kole.,Dreiging van de Islam, p. 95
De Islam is dus een dreiging, zagen we twee artikelen terug. Het Westen is afvallig geworden, de geestelijke en morele kracht van het Westerse Christendom is verzwakt en de Islam presenteert zich als een eindtijdverschijnsel. Het heeft te' maken met de Antichrist, die in het boek Openbaring wordt aangekondigd. Dat is - met bepaalde nuances - toch wel het "bijbelgetrouwe" standpunt,' zoals dat daar, zonder commentaar, werd weergegeven.' Deze keer wil ik die visie van een aantal kanttekeningen voorzien. Ik acht er dingen in aanwezig die onze aandacht verdienen, maar zeg er ar op voorhand bij dat ik er ook ernstige bedenkingen tegen heb. Méér nog dat de implicaties van deze visie mij in hevige mate verontrusten. Laat ik proberen deze positieve èn negatieve punten eerlijk en helder op een rij te zetten.
Tot nadenken stemmend
Positief acht ik het uitgangspunt van elk van de drie geciteerde scribenten. Het gaat hun om de Waarheid van de schriften. Men beschouwt de Bijbel als normatief voor ons denken en handelen, men wil ook de wereldpolitiek en het verschijnsel “andere religies” in een Bijbels licht zien. Ook spreekt er grote levensernst uit hun woorden. Ze zijn werkelijk bewógen met situatie waarin de kerk van Christus zich bevindt.

In welk kader?
Dan is echter wel aan de orde dat men de totaalbeschouwing moet kennen waarbinnen de visie op de Islam een plaats krijgt. De heer Kerkhof, die mij in zijn lezing (zo'n acht bladzijden) de minste documentatie in dezen verstrekt, .gaat - daarben ik van overtuigd - uit van de onverkorte waarheid van de totale Schrift. Ik zou hem als "gewoon orthodox" willen bestempelen.

De heer Kole spreekt vanuit een denkkader zoals men dat in zijn Gereformeerde Gemeenten en in b.v. de SGP aantreft. Als hij het heeft over de vraag of de Overheid moskeebouw moet subsidiëren, is zijn antwoord duidelijk negatief. "De Overheid, die ons van God gegeven is", paard gaat met niet altijd even trefzekere zegt hij op blz. 29 'van zijn boek, "moet toch ook in dezen als Gods dienaresse optreden."

Alles weren wat de voortgang van de verkondiging van' Gods Woord in de weg staat. Zij moet oppassen dat ze niet . onttrokken wordt in het kielzog van het uit de zee, de volkerenmassa èn het beest uit de aarde, de valse profeet. Mohammed, de stichter van de Islam. Het maakt het zo valse profeet."

Bij de heer Baar constateer ik een chiliastisch kader. Hij spreekt vanuit een eindtijd-beschouwing die zich op de komst elk het Duizendjarig Rijk oriënteert. "De Islam is de gemeenschappelijke basis die de tien koningen, en met hen de hele wereld, voor de eindtijd verenigt. (Daniël 7: 24; Openbaring 13 en 17 : 12).
"De openbaring van Johannes lijkt steeds meer op een krantenartikel van morgen... Momenteel volgen de gebeurtenissen zo snel op elkaar dat enkele voorspellingen uit de Bijbel al zijn achterhaald." (23, 24). Over de komst van president Sadat naar Jeruzalem, bijna tien Jaar geleden; lees ik: "De hele wereld zag op de televisie het grote ogenblik waarop de vredevorst Jeruzalern binnentrok. Een reporter zei: 'het is alsof de messias komt'. Daarna kon de hele' wèreld meeleven hoe Sadat in de Al-Aqsamoskee, die op het voormalige joodse tempelplein staat, voor Ällah, de God die zich boven andere goden verheft, uitriep:' A llah hoe akbar', en' Allah hoe akbar' " (sic., p. 187). Over de Tempel sprekend zegt hij: "De Tempel van Israël, Jezus Christus, is vervangen door een gebouw, dat beheerst wordt door de geest van de antichrist, door een macht die korte tijd de wereld en zo mogelijk de uitverkorenen verleidt." Ook voor hem staat de Islam dus in een profetisch kader, van gebeurtenissen die al lang geleden zijn voorzegd. Dat. is niet bij voorbaat hetzelfde profetische kader waar Kerkhof overspreekt.

Ik maak dus onderscheid tussen de kaders waarbinnen deze drie scribenten hun visie op de Islam weergeven. Het moge duidelijk zijn dat ik verreweg de meeste moeite heb met de chiliastische opvattingen van Baar.

Hagar of lsmaël
Dat brengt me bij een specifiek onderwerp, dat zowel bij Baar als in de lezing van Kerkhof wordt aangetroffen: het verhaal van Hagar en Sara, en van Ismaël en Izaäk. Beiden geven het in Genesis weer, Baar maakt ook melding van, Paulus' woorden over Hagar in Galaten snel 4: 21-31.
We lezen bij beiden hoe er vanaf een zeer vroeg moment vijandschap bestond tussen Izaäk en Ismaël; ook hoe Abrahams zoon "profetisch bekeken'? tot de huidige problematie van het' Midden-Oosten voert. De uitspraak over Ismaël, dat hij “is een wilde ezel van een mens, zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem" (Genesis 16: 12) wordt door Baar instemmend geciteerd:
Beiden maken echter weinig of geen melding van het feit dat de Here ook aan Ismaël leven en water schenkt, dat Hij zijn engel voor de jongen gebiedt.

Wordt hier bij niet teveel accent gelegd op vers 10: - "Jaag de slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Izaäk" - en te weinig op vers 20 - "en God was met de jongen en hij groeide op"? Wat Galaten 4 : 21-31 betreft, studie van deze Schriftplaats en van een aantal degelijke commentaren hebben IIlÎj niet nader gebracht tot de mening áls zou hier ook ,iets over de Arabieren en hun vijandschap tegen Israël worden gezegd. Het gaat hier veeleer om de grote tegenstelling tussen diegenen die (als' Jood) Christus als Messias hadden aanvaard en .diegenen binnen het joodse volk die dat niet hadden gedaan. In dat verband worden laatstgenoemden in verband gebracht met "Hagar", "een berg in Arabië" (wat aanleiding 'gaf tot veel speculaties bij Bijbeluitleggers eh vruchteloos zoeken naar de , juiste locatie). Zij worden op "één lijn gesteld met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij".
De anderen die Christus hebben leren kennen worden geduid als, verbonden aan "het hemelse Jeruzalem, want dat" is vrij; en dat is onze moeder." (vss. 25, 26).
Wie in dat erkend moeilijke gedeelte; waar Paulus een redeneertrant volgt, die op die der rabbijnen lijkt, teveel lading geeft aan' die zinsnede "Er staat immers geschreven dat Abraham twee zonen had, een bij de slavin en een bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt..." (vers 22,23), legt de Bijbel woorden in de mond over Ismaël, Hagars zoon, die hier niet zó aan de orde zijn. In dat verband kan ik het niet laten wat te citeren uiteen zeer lezenswaardig boekje van de Oxfordse (kerk)historicus R. W. Southern, Western Views of Islam in the Middle Ages. De negende-eeuwse kerkelijke schrijver Beda aanvaardt de Schrift, dat de' Arabieren' de afstammelingen, van Hagar zijn, via Ismaël. De beschrijving van "een wilde ezel als een mens" paste ook volkomen bij het gedrag van de Moorse legers der Saracenen. "Er was alleen wel een probleem: "Waarom heetten deze volkeren nu toch Saracenen, als ze niet van Sara afstamden maar van Hagar? “Dit was", zegt Southern, “het soort vraagstuk waarin geleerde schrijvers graag hun tanden zetten; het is onnodig om hen in al hun abstruse speculaties te volgen." (a.w., p. 17).
Over de koppeling van gedeelten uit Daniël met de opkomende Islam heeft Southern ook het nodige wetenswaardige te melden. Hij traceert die gedachte naar het negende eeuwse Spanje. Daar waren twee mannen, de later als titulair bisschop van Toledo gestorven martelaar Eulogius, en de leek Paulus Alvarus, schrijver van een polemisch boekje lndiculus Luminosus.
Voor beiden was het Islamitische Rijk het vierde, na het Assyrische, Perzische ' en' Griekse Rijk. De Islam was derhalve ook het vierde beest van Daniël 7 : 21-23.
De drie koningen die onderworpen werden waren die der Grieken, Franken en Gothen. De uitspraak in Daniël 7 : 25"hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen" - kon slechts slaan op Mohamed, die immers een nieuwe moslimse tijdsrekening en een nieuwe wet invoerde.
Ook bij deze mannen werd de Islam geplaatst binnen een ruimer kader Van eindtijdverwachting. De 3,5 tijd die in Daniël 7 het beest gegeven wordt werd geïnterpreteerd als 3,5x 70 jaar, 245 jaar.

Als men dan Mohammeds optreden in 618 A.D. laat beginnen (wat onjuist is) dan was het einde aller dingenzeer nabijgekomen. Southern merkt op: "Ik zal niet alle teksten citeren die men, uit boeken als Job en Openbaring haalde om de ingewikkelde berekeningen van deze achtervolgde mensen te staven .Hungeestelijke worsteling en de dringende plicht die ze ervoeren om hun medemensen te doordringen van hun besef van gevaar en zending verleent waardigheid aan' een systeem" dat intellectueel gezien nergens op kan bogen.
En dat is méér dan men zeggen, kan van velen van hen die in hun voetspoor' getreden zijn." (Southern, p. 24).

Onbewogen
Na alle vragen die ik heb over (mijns inziens) verdachte methoden van theologiebedrijven die ik bij, Baar opmerk moet , nog één ding worden genoemd. Wat me het meest verontrust: Zoals al gezegd, maak ik zeker onderscheid tussen de diverse geciteerde ziens- ' wijzen. Ook geef ik toe dat ik niet met zekerheid kan zeggen hoe deze drie mensen in de praktijk met het verschijnsel Islam of met moslims, bijvoorbeeld in ons land, omgaan. Dat neemt niet weg dat ik me wèl een beeld kan' vormen, meen ik, over het effect dat hun werk op een groot aantal, zo niet alle, lezers hebben kan. En dat is, vrees is, een afnemende bewogenheid met de moslimse medemens. ' Als ik de Islam als een '"godsdienst uit de afgrond" beschouw, gesticht door een valse profeet, een stelsel dat alleen 'uit is op de val van het Westen en de ondergang van de Kerk, kan ik nog onbevangen, laat staan bewogen omgaan met mensen die die religie aanhangen? Zal de Christelijke Kerk hier te lande, die in het algemeen helemaal niet "hoog heeft gescoord" in het 'oppakken van, een taak 'voor '"vreemdelingen binnen onze poorten" zich zo niet helemáál gedrongen voelen moslims van grote afstand en met grote argwaan, te bekijken'[ ' Ik weet niets van Baar, dus ook niet hoe hij 25 jaar lang zendeling in een moslimland is geweest. Wie weet heeft hij er met grote zegen en met grote liefde gewerkt. Wat ik wèl weet is dat in het hier besproken boek geen begrip voor, ,laat staan liefde en 'bewogenheid voor, de moslims wordt gekweekt, Zijn "intuïtief begrip ... "oor de ontwikkeling van de ontwakende reus in het Midden-Oosten" (a.w., p. 13) geeft mij als lezer slechts reden elk contact met moslims te willen vermijden! Al komt zijn boek uit de zgn. "evangelische hoek", mijn bezwaar is dat ik het -al met al - zo weinig een; evangelisch getuigenis hoor ,uitdragen! Waar vind ik de motivatie te lijken op de Grote herder der schapen, die alle mensen, vooral ook hen die Hem niet als Redder kennen, liefheeft? Dat dàt accent ontbreekt vind ik een veel ernstiger zaak nog' dan Baars' theologische onderbouwing die ik persoonlijk een abominabele theologie acht. ' En ook bij het boek van Kole heb ik zo mijn vragen. (De lezing van Kerkhof geeft me op dit punt geen aanknopingspunten, zodat' ik dat laat voor wat het is.) In het citaat bovenaan dit artikel gaat het over Christus huiveringwekkende opmerking: "ga weg van Mij; Ik heb je nooit gekend!"

Maar staat dat in Mattheüs 25, ook niet - en alleréérst - als opmerking aan mensen , die met anderen niet bewogen, waren? Hebben we hongerigen gevoed, dorstigen te .drinken gegeven, gevangenen bezocht, vreemdelingen gehuisvestè, .Het lijkt me niet ondènkbaar, om niet te zeggen zeer waarschijnlijk, dat die woorden van de Rechter gericht zijn aan mensen die zeiden en meenden!) Hem te kennen en nu van Hem te horen krijgen dat dat niet het geval was ...
Mocht die kant van de zaak et ook bij .zitten, dan moeten we, dunkt me, twee dingen duidelijk onderscheiden. We zullen een klaar en helder getuigenis moeten geven van wat ons als Christenen bezighoudt, wat we geloven, etc. En we zullen -ik denk zonder reserve zelfs - ons moeten wijden aan het daadwerkelijk ondersteunen van de zwakken in onze samenleving. Beide opdrachten liggen er. Geen van beide 'mag tegen de ander worden weggestreept Wat er ook theologisch van de Islam te zeggen moge zijn, het mag niet betekenen dat we van medemensen een vijandbeeld maken. Dat is - voorlopig - mijn conclusie bij' lezing van deze pogingen om de Islam in een "eindtijdschema" te plaatsen. Volgende keer: opmerkingen bij de "oecumenische visie".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief