Pastorale notitie
1989-08-04
Sommetjes maken?- Jaargang 33
- nummer 16
Die dag trof ik opa voor de zoveelste maal in tranen. Voor hem op tafel lagen de Bijbel, een encyclopedie, de wereldatlas, een geschiedenisboek, plus bloknoot en ballpoint. Hij was juist klaar met zijn zoveelste herberekening van het percentage uitverkorenen van alle tijden. Of liever: van het percentage verworpen.
Dat lag ontzaglijk hoog. En dat ontroerde hem zo hevig, dat hij zat te snikken als een kind. Grote tranen biggelden over zijn wangen en hij herhaalde de vraag waarmee hij de oude Lutheraan - me telkens weer belaagde: "Dominee, hebben we dan een machteloze God? Moeten we dan geloven dat de satan veel en veel machtiger is dan de Here?" Ik herinner me nog goed als hoe benauwend ik het verdriet van ' de oude man ervoer. Nee, hij was bepaald niet het type van de geborneerde farizeeër, voor wie net vanzelfsprekend was dat hij behouden werd en die met droge ogen vroeg of het ook weinigen waren die behouden werden (Luk. 13:12vv). Niet alleen smolt zijn gevoelige hart bij de gedachte aan al die miljoenen, die nooit van de Here Jezus gehoord hadden. Maar vooral beefde hij bij de gedachte dat Hij Zijn machtige God zou moeten verliezen op grond van cijfertjes, die immers nooit liegen?
Zou de Here genoegen moeten nemen met de restjes die de duivel Hem liet?
Wat heb ik veel van deze oude man gehouden! Hier zat een mens die het Bijbelwoord dodelijk serieus nam. "Wie de Zoon heeft, die heeft het leven. Wie de Zoon niet heeft, die heeft het leven niet", 1 Joh. 5:2. Hoe is het mogelijk dat duizenden christenen dit woord geloven, maar er geen nacht wakker van liggen?
Waarom word ik (zo vroeg ik me af) niet van alle kant aangeklampt met opa 's probleem?
Later ben ik nog eens op zo'n rekenmeester gestoten. Ik bedoel prof. dr. K. J. Popma in Levensbeschouwing, dl. I, bi. 156 e.v. Hij komt tot dezelfde schokkende uitkomsten als opa: "het aantal der verlorenen zal vermoedelijk vele malen groter zijn dan dat der behoudenen". Hij telt miljarden en nog eens miljarden verlorenen". "Niemand zal zeggen hoevele miljoenen er in satans dienst zijn gekomen, zowel vóór de geboorte van Christus als daarna. Het aantal moet ontzettend zijn."
Dan begint prof. Popma écht te rekenen: Misschien mogen slappe christenen toch binnenkomen: de Here Jezus was immers met ontferming bewogen over de schare, die de wet niet kende? En verder: "We mogen wellicht vermoeden, dat de ontelbare miljoenen jong gestorven kinderen van heidenen en ongelovigen behouden zijn". Denk ook aan de miljoenen geaborteerden, die het levenslicht niet mochten zien.
"Als we dan- aldus Popma - opnieuw gaan rekenen, komen we wellicht tot de uitkomst, dat het aantal verkorenen misschien groter is dan het aantal verlorenen". Maar als hij zover gekomen is kapt hij ineens: "Intussen deugt van heel deze rekenarij niets". Hij heeft alleen de bedoeling gehad de lezers te laten zien dat de weg van het tellen op niets uitloopt en voor het geloof onbegaanbaar is.
Zo is het: we kunnen nooit op grond van een sommetje concluderen tot Gods deugden: Zijn almacht en goedheid. Dat kan alleen op basis van het "Alzo lief heeft God de wereld gehad ... " van Joh. 3:16. Prachtig is Popma's conclusie: "En ook tegen alles in - b.v. in een tijd van tyrannie door een fel antichristelijke macht - mogen en moeten we vertrouwen op de goedheid Gods, en bedenken dat we van die goedheid, die zeer groot is, altijd zeer veel te klein denken", Popma, Levensbeschouwing dil, bi. 159".
Cijfertjes liegen soms wel, ook al vinden wij onze sommetjes foutloos.