Elkander onderdanig (1)

1989-08-04
  • Jaargang 33
  • nummer 16
De bestudering van 1 Petr. 2, 17 bracht- mij als vanzelf bij Ef. 5. Ik Iees daar in v. 21 ....en weest elkander onderdanig in de vreze van Christus". In zijn uitleg van deze tekst schrijft Ds. M.R. van den Berg (1): ..In de gemeente van Christus behoren we elkaar onderdanig te zijn. Op die grondregel bestaan geen uitzonderingen. Het is niet zo dat die regel alleen voor vrouwen bestemd is en niet voor mannen. Ze is ook niet alleen maar voor kinderen bestemd: en niet voor volwassenen. Vrouwen behoren onderdanig te zijn aan de andere vrouwen in de gemeente, maar ook aan de mannen en de kinderen. Mannen behoren onderdanig te zijn aan mannen, maar ook aan de vrouwen in de gemeente. Kinderen behoren onderdanig te zijn aan volwassenen, maar de volwassenen niet minder aan de kinderen. Zo allesomvattend zegt Paulus het."

Wederkerigheid?
Deze gevolgtrekking schijnt zo voor de hand te liggen. 'Elkander' is toch een wederkerig voornaamwoord?
Als Paulus dus schrijft: ..elkander onderdanig", dan móet dat toch wel betekenen: A onderdanig aan B, maar evengoed B onderdanig aan A? Daar is toch geen speld tussen te krijgen? Toch zou ik me eerst graag eens even oriënteren t.a.v. het gebruik van het woord 'elkander' - in onze spreektaal meestal 'elkaar' .:..alvorens de hierboven aangehaalde, conclusie, te onderschrijven.
Laat ik mogen beginnen met het gebruik in onze nederlandse taal.
Als ik zeg: in mijn boekenkast staan Trommius en Schmoller naast elkaar", dan houdt dat inderdaad in, dat Trommius naast Schmoller staat, en dat evenzeer het omgekeerde waar is: Schmoller staat naast Trommius.
Maar ... nu haal ik die beide boeken, " uit mijn kast, en leg ze op mijn bureau.
Dan heb ik de keus: ik leg ze weer náást elkaar ot ik leg zenu óp elkaar. En denkt u zich nu even die laatste situatie in. Als ik die twee boeken op elkaar leg, dan betekent dit, dat of S. op T. komt te liggen - en dan ligt T. dus nièt óp S., maar juist erónder! .; ót T. op S. komt te liggen - en dan ligt S. dus niet óp T., maar juist erónder! Desalniettemin zeg ik: ..de beide boeken liggen op elkáár"!
Ik gebruik dus 'elkaar' niet alleen wanneer er sprake is van 'over èn weer', maar ook wanneer de relatie éénzijdig is; wanneer ik wil uitdrukken de relatie van slechts één van de twee t.o.v. de ander van de twee, terwijl die relatie omgekeerd niet geldt. Men kan deze regel ook uitbreiden tot een grotere groep: ik bezig 'elkaar' ook dan, wanneer ik een relatie van slechts sommigen uit die groep t.o.v. anderen uit diezelfde groep op het oog heb, zonder dat
die relatie ook in omgekeerde richting geldt.

Het gebruik in het Grieks
Nu, zo gebruikt van ouds het Grieks - het op ons 'elkaar' corresponderende woord ook. Ik lees bij Homerus in de beroemde scène, waarin Odysseus allen die zijn vrouw tijdens zijn afwezigheid het hof hebben gemaakt, heeft neergeschoten: ..zo lagen daar toen de vrijers op elkaar neergestort" (22,389). Dat betekent: ze lagen niet maar één laag dik op de vloer; nee, sommige van die lijken lagen bovenop andere lijken uit diezelfde groep.

Het groepsbegrip
Hoezeer men vastloopt met de theorie van de wederkerigheid, moge ook uit het volgend voorbeeld duidelijk worden.
Ik kan van een voor mijn part tienkoppig gezin zeggen: ..ze kwamen allemaal achter elkaar de kerk binnen"'-Realiseert u zich even: nr. 1 loopt achter geen,enkel medegezinslid', maar vóór alle anderen; , nr. 2.loopt alleen maar achter nr. 1, maar vóór de andere acht; enz. Toch zeg ik rustig: "allemaal (!) achter elkáár".
'Elkaar' geeft dus in het feitelijk spraakgebruik vaak niet meer aan, dan dat er een groep in het spel is, die is opgedeeld in twee of meer' partijen; en dat de handeling zich tussen de partijen van die groep afspeelt, dat het dus gaat om een intern gebeuren; nièt dat de handeling in twee aan elkaar tegengestelde richtingen verloopt.

Niet alleen na voorzetsels
En men moet niet menen, dat dit gebruik van 'elkaar' alleen voorkomt bij bepaalde voorzetsers, zoals 'op' en 'na'. Nee, ook wanneer 'elkaar' lijdend voorwerp is, wordt het wel zo gebruikt: "Bij het stadion was het zó'n gedrang; de mensen liepen elkaar onder de voet". Dat betekent: sommigen uit die menigte liepen anderen uit diezelfde menigte onder ' de voet. Men mag uit deze zegswijze niet concluderen, dat de onder de voet gelopenen op hun beurt nu ook weer de mensen door wie ze onder de voet gelopen werden onder de voet liepen.

Mt. 11 en Lc. 7
En nu naar het NT. Allereerst wilde ik de aandacht vestigen op een geschiedenis die zowel door Mattheüs als door Lucas beschreven wordt.
De leidslieden van Jezus' dagen (..dit geslacht", Mt. 11, 16) hadden op het optreden van Johannes den Doper, die als boetgezant ook zelf sober leefde en niet in was voor een etentje of een borrel, gereageerd met de woorden “de man heeft een bozen geest" (v. 18). "Wat een zuurpruim", zeiden ze, ..niet normaal!".
Maar als dan Jezus komt en zich wèl laat nodigen op een bruiloft, én wèl mee aanzit aan een feestmaal van een tollenaar, dán zeggen ze: "Moet je dát zien! Wat een vraat! Wat een zuiplap!" (v. 19).Daarom zegt Jezus: Hun reactie doet me denken aan wat je soms van spelende kinderen op het marktplein hoort. De groep had, zich in twee partijen verdeeld: de ene partij zou muziek maken, de andere partij daarop passend reageren. Maar wat gebeurde? De muzikanten zetten een vrolijk wijsje in op, de fluit en verwachtten: nu gaat de andere partij erbij dansen. Maar de anderen hebben daar geen zin in én reageren niet. Toen hadden de muzikantjes gedacht: nou goed, dan gaan we treurliedjes zingen, denkend: dan gaat de andere partij er wel bij huilen.
Maar ook daarop reageerde die andere partij niet. Ze wilden gewoon niets! Ze waren nergens voor te strikken. Nu, zo zegt Jezus, in zo'n geval hoor je de muzikanten tegen' de andere partij zeggen: Bah! Wat doen jullie flauw! Bruiloft je spelen wil je niet, en begrafenisje spelen ook al niet! Jullie willen ook niks!
Dat zegt -Iet wel! -de éne partij (de muzikanten) tegen de àndere partij. Zo drukt Mattheüs dat ook uit: "die: ...
de anderen toeroepen" (v. 16). Van wederkerigheid is hier geen sprake.
De onwilligen (zij die hadden moeten dansen of huilen) maken van hun kant dit verwijt niet aan de muzikanten.
En toch ... kijkt u nu eens naar Lucas. Die gebruikt, om precies hetzelfde uit te drukken waarvoor Mattheüs het Woord 'de anderen' koos, het woord 'elkaar' (Luc. 7, 32)!

Mozes' optreden
Een sprekend voorbeeld van dit niet wederkerig gebruik van 'elkaar' vinden we, dunkt mij, ook in Hd. 7, 26. Stephanus haalt in zijn rede de geschiedenis aan die ons beschreven staat in Ex. 2, 13-15. Mozes ziet daar twee vechtende Hebreeuwse mannen. Van hen spreekt hij den schuldige aan (v. 13) met de vraag: "Waarom slaat u uw naaste?"
Blijkens Hd. 7, 27 is Stephanus, als hij dit gebeuren verhaalt, zich ervan bewust, dat slechts één van de twee den ander onrecht deed; dat hij alleen reageerde op Mozes' vraag, die ook maar alleen tot hém gericht was.
Het onrecht kwam hier dus van één kant; er was geen sprake van wederkerigheid. Niettemin formuleert Stephanus Mozes' vraag aldus: "Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander onrecht?" ..
We zullen de tekst in dezelfde zin moeten verstaan als die uit Lc. 7, 32: waarom doet één van jullie tweeën den ander van jullie tweeën onrecht?
Het 'elkaar' geeft ook hier weer alleen maar aan; dat dit gevecht om zo te zeggen een interne zaak is; anders dan de vorige dag gaat het nu om een ruzie waarbij twee betrokken zijn die samen heren, die breeders zijn.

Demetrius en zijn gilde
Nog een voorbeeld uit het boek Handelingen.
In hoofdstuk 19 horen we van een betoging, door Demetrius georganiseerd tegen het optreden van Paulus. De rel wordt uiteindelijk gesust door den stadssecretaris.
Deze zegt: Jullie hebben zonder vorm van proces Gajus en Aristarchus, reisgenoten van Paulus (v. 29) opgebracht. Dat hoort niet (v. 37).
"Als dus Demetrius en zijn vakgenoten iets tegen iemand hebben, wel, er worden rechtszittingen gehouden en er zijn proconsuls; dan moeten zij maar een aanklacht indienen tegen ..." (v. 38) ...en nu zouden wij verwachten: "tegen dien ander", dien 'iemand' nl., zojuist genoemd.
Maar nee, er volgt "tegen elkaar".(2) Dat 'elkaar' geeft alleen aan, dat hier twee partijen, enerzijds Demetrius c.s., anderzijds Paulus c.s., samen in één zaak betrekken zijn, de eerste partij als potentiële aanklager, de andere als potentiële beklaagde.
Wie deze tekst vanuit de gewraakte 'wederkerigheidstheorie' zou willen duiden, zou tot de conclusie moeten komen: Demetrius en de zijnen worden hier uitgenodigd tegen elkaar te gaan precederen. Dus: Demetrius moet tegen zijn vakgenoten een geding aanspannen en zijn vakgenoten tegen hem.

Op elkaar wachten?
Een voorbeeld tenslotte nog uit 1 Cor. 11, 33. Ik ga eerst maar eens uit van de NBG-vertaling: "als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander".
Men betrekt dat 'op elkaar wachten' op de misstand die men meent gesignaleerd te zien in v. 21, dat nl. ieder vooraf zijn eigen deel neemt". Laten we eens aannemen, dat deze exegese de juiste is. Stel, dat in een gemeente van twintig mensen er vijf laatkomers zijn, in verband met hun werk, b.v.: ze zijn slaaf, en krijgen niet eerder vrijaf.
Dan zouden de vijftien op die vijf moeten wachten. Maar niet omgekeerd ook de vijf op die vijftien, die er immers al eerder waren.
Nu geloof ik voor mij, dat we de tekst in kwestie anders moeten opvatten.
Het is hier, denk ik, niet een kwestie van ontijdig beginnen, maar van niet samen délen. V. 21 wil zeggen: als men gaat eten, pakt ieder maar meteen - voordat een ander eraan kan komen - de portie die hij zelf van huis heeft meegebracht. Zo komt het, dat, zelfs als ze sámen eten, de arme op een houtje bijt en de rijke zich bezat (v. 21 slot).
Nu, zegt Paulus, als je zo doet, als je enkel naar de samenkomst gaat om je eigen portie te verorberen, dan kun je beter thuis blijven. De bedoeling van zo'n gezamenlijke maaltijd is niet: je arme broeders te laten zien, hoe goed jij het wel hebt van eten en drinken. Op die manier steken de rijken de armen alleen maar de ogen uit. Zo'n handelwijze Verraadt een tekort aan respect voor de gemeente die God vergadert (22a).
"Daarom, mijn broeders", zo zegt hij in v. 33, "als jullie samenkomen om te eten, onthaalt elkaar". Rijken, zo wil Paulus zeggen, behoren hun behoeftige broeders te tracteren. Ze moeten de gezamenlijke maaltijd .
zien als een gelegenheid de arme broeders te laten meeëten van de overvloed die ze zelf hebben.
Men voelt wel: ook bij deze interpretatie gaat het hier om 'éénrichtingsverkeer': rijken onthalen armen; niét ook omgekeerd armen rijken. Maar ze horen wél samen, ze vormen één groep, één lichaam, één gemeente.
Vandaar dat 'elkaar'.
Ook hier is weer bedoeld: laat de ene partij onder jullie (de rijke) de andere (de arme) onthalen.

Geen logicisme in de exegese
Men zal begrijpen, dat ik op grond van wat we in de besproken voorbeelden vonden de aan het begin van dit artikel geciteerde conclusie van ds. Van den Berg allesbehalve dwingend acht. Wat aan vdB. 's exegese ten grendslag ligt, is, vrees ik, een legicistische taal benadering.
Men redeneert - wellicht niet eens bewust - als volgt: 'elkaar' is een wederkerig veernaamwoord. Waar het gebruikt wordt, is er dus wederkerigheid in het spel; wat van A t.o.v. B geldt, moet - legisch consequent evengoed van B t.o.v. A gelden.
Men moet zich echter steeds afvragen: hoe wordt een woord feitelijk gehanteerd? Het gebruikt de spraakmakende gemeente het in de praktijk? En dan ontmoet men wel eens taalgebruik dat logisch niet helemaal klopt.
Ik neem. in dit verband neg een ander ietwat onzorgvuldig gebruik van het woord 'elkaar' bij Paulus. Hij zegt in Rom. 12, 5: "Ze zijn wij, die grote massa mensen, toch één lichaam in Christus, in één voor één elkaars leden". Dezelfde uitdrukking ('elkaars leden') keert terug in Ef.' 4, 25. Strikt genomen klopt dat niet. Ik ben wel een lid van de gemeente (het lichaam), net als mijn broeder ook. Maar ik ben niet een lid van mijn broeder, en hij is niet een lid van mij.
Toch is wel duidelijk, wat Paulus bedoelt: ieder van ons is op den ander betrokken, zoals het ene lichaamsdeel op de andere betrekken is. Als leden van hetzelfde lichaam horen we bij elkaar.

(Wordt vervolgd)

Noten
1) MA van den Berg, De brief aan de Efeziërs.
Hoofd en lichaam. Amsterdam 1981, blz. 103.
2) Wellicht vindt men een dergelijk 'slordig' gebruik van 'elkaar" (nl. in plaats van 'de anderen') reeds in Homerus' Odyssee 12,101. Circe beschrijft Odysseus achtereenvolgens de twee bij elkaar behorende klippen Scylla en Charybdis.
Die beschrijving begint in v. 73 aldus: "Die twee klippen - daarvan reikt de ene ten hemeL ..". Als dan die eerste uitvoerig is beschreven (tot en met v. 100), vervolgt ze in v. 100: "De tweede klip is lager, zoals je.zult zien, Odysseus, dicht bij elkaar: je zou met een pijlschot de afstand kunnen overbruggen". Hier zou men verwachten: "dicht bij de andere". Er is van ouds over de interpretatie van. deze tekst getwist. Maar ik voor mij denk, dat Stanford gelijk heeft, als hij de mogelijkheid oppert van "a loosely used formula". De gedachte dat die twee klippen samen een groep vormen, domineert vanaf het begin zozeer, dat de vertelster, al ze aan de tweede toe is, zonder erg 'elkaar' gebruikt, als ze het heeft over de afstand van die tweede tot 'de andere', die ze zojuist heeft beschreven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief