Pastorale notitie

1989-08-14
  • Jaargang 33
  • nummer 17
In memoriam br. Cees Hess (1908-1988)

In het verre Nieuw Zeeland werden we opgeschrikt door het doodsbericht van br. Cees Hess. Half Rotterdam heeft hem gekend. Hoevelen uit gereformeerde kring heeft hij niet uitgedragen naar Crooswijk, Oud Kralingen, Hofwijk, de Zuiderbegraafplaats.
Broeder Cees Hess was begrafenisondernemer bij de gratie van God de Vader en de opgestane Heer Jezus Christus.
Zijn begrafenissen hadden stijl.
Nooit ging hij zich te buiten aan plechtige frasen. Bij het uitdragen van de kist zei hij niet: "Wilt u zich nu verheffen van uw zetels" (vorige week nog gehoord!), maar gewoon: "Wilt u nu opstaan". En bij het verlaten van het graf geen gewichtigdoenerij met wratten en puisten, maar gewoon: "Wilt u mij nu maar weer volgen"? Hij was dienaar en geen opgeprikte kraai. Voor mij had hij aan het begin van de begrafenis een knipoog, alsof hij zeggen wilde: "Het zal waarachtig wel gaan". Dat was de bemoediging van het geloof, zelfs al waren de omstandigheden nog zo triest: "Nu zullen we de duivel en de dood weer eens voor schut zetten." Want zo ervoer hij een begrafenis.
Als een stuk overwinning, als zaaien in hope. En hij en ik, we mochten van die verwinning samen dienaren zijn.

Wat heb ik hem blij mogen maken met een preek over 1 Kor. 15:29: Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden worden opgewekt, waarom laten zij zich nog voor hen dopen? De titel van de preek was: Hoe zinnig is de moeitevolle dienst van de begrafenisondernemer dank zij de opstanding van Christus. Ik volgde toen de exegese van prof. J. v. Bruggen, 'Het lezen van 'de Bijbel', bi. 43-54. Het werkwoord: jezelf laten dopen heeft in 1 Kor. 15:29 profane betekenis: "jezelf véel moeite geven voor" en slaat op de dienst van de begrafenisondernemer. Paulus vraagt nu: Wat heeft het voor zin je zo druk te maken voor de doden, als ze toch niet opgewekt worden? Dat is negatief gesteld. Positief bedoelt hij: Maar nu Christus is opgewekt, nu heeft die moeizame arbeid zoveel zin. En zo is het. Denk aan de inspanning van Abraham voor 'zijn dode'. En aan die van Israël voor het gebeente van Jozua, Jozef, Eleazar (Jozua 24). Denk ook aan de zorg van Nicodemus, Josef van Arimathea en de vrouwen voor de begrafenis van de Here Jezus.
Zo heeft broeder Cees Hess zijn bediening gezien. Daarom bedankte hij er stichtelijk voor de kist (omgeven met dennetakken) boven de aarde te laten staan. "Dat is geen begraven", zei hij. Hij was er trots op dat hij zich daarvoor nooit had laten lenen, ondanks de pressie van sommige cliënten. Het zaad moest in de aarde en dan was er hoop. Door de opstanding van Christus.
Ik zie broeder Hess nog de kerk uitstappén na de preek over 1 Kor.15. Op de manier van: "Zo, nu weten we weer eens hoe belangrijk mijn dienst is". En daar was nu niets parmantigs bij. Ik heb geen begrafenisdienaar gekend die zich zo bescheiden op de achtergrond hield.
Hij was dienaar. Maar hij was het bijna ambtelijk.
En als we tijdens het soms langdurige condoleren nog even samen konden praten, kreeg ik vaak nog een grap te horen. Dat was geen gebrek aan piëteit. Hij had zo'n gevoelig hart! Eerder klonk er een stuk opluchting in door: het was weer goed geweest! En een stuk spot ook op de duivel en de 'dooie dood' (zoals hij zich verachtelijk uitdrukte).
Om het te zeggen met woorden van Luther: Broeder Hess begroef zijn doden tot lof en eer van het vrolijke geloofsartikel van de opstanding der doden en het eeuwige leven. Wat een troost nu hij zelf uitgedragen werd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief