'Heel de kerk en heel het volk' - en heel Israël

1989-09-01
  • Jaargang 33
  • nummer 18
Er komt in het najaar een Hoedemaker-herdenking. Na enkele kleinere gedachtenis-samenkomsten in de afgelopen maand juni zal er op 27 oktober a.s. aan de Vrije Universiteit een symposium worden gehouden, voorafgegaan door de publikatie van een boek 'Hoedemaker herdacht' waaraan verschillende prominenten hun bijdrage zullen leveren. Dit alles naar aanleiding van de honderdvijftigste geboortedag van de predikant en theoloog Hoedemaker wiens invloed op de Nederlandse 'Hervormde Kerk bijzonder groot is geweest.
De Gereformeerden hebben in de tachtiger jaren 150 jaar Afscheiding en 100 jaar Doleantie kunnen vieren, nu is de beurt aan de Hervormden om daar wat tegen over te stellen. Tegenover inderdaad, want Philippus Jakobus Hoedemaker (16 juli 1839-26 juli 1910) die aanvankelijk met Abraham Kuyper op 'één lijn zat en zelfs hoogleraar voor het Oude Testament aan de pas opgerichte VU is geweest, koos toch met beslistheid tegen de Doleantie waarin hij een heilloze partijvorming zag. Een hoogmoedige zelfverheffing ook. Hij stelde daartegenover: wij hebben allen gezondigd, en onder die belijdenis bleef hij in de hervormde kerk tegen welker vrijzinnigheid en gesekulariseerde organisatie hij de grootste bezwaren had.

Heel de kerk en heel het volk
Als Gereformeerden mogen wij deze broeder-voorganger ook wel dankbaar gedenken. Niet om zijn kerkelijke positiekeus (wat een valse tegenstelling, nietwaar: uittreding of verootmoediging! Hoe overtuigend waren die twee niet bijeen bij een figuur als Mr. dr. Willem van den Bergh, en hij was gelukkig de enige niet), maar wél bijvoorbeeld om zijn diepborende analyse van de wereldse geest die werkzaam was (en is!) in de moderne Schrift-kritiek.
Hoedemaker hekelde het ontwikkelingsdenken, dat zegt dat in de bijbel de waarheid zich ontwikkelt 'van lager tot hoger'. Hij zag daarin een aantasting van het begrip 'openbaring' en stelde ertegenover: "In Gods openbaring staat het volmaakte aan het begin". Hoe juist is dat gezien en gezegd. Hoedemaker verdient daarvoor alleen al onze blijvende erkentelijkheid.
Het meest raak getypeerd is Hoedemaker echter met de titel van een brochure die hij in het jaar 1897 liet verschijnen 'Heel de Kerk en heel het volk'. Hij is de man geweest van de belijdende-volkskerk-gedachte.
Nauw verwant daarmee waren zijn politieke inzichten. Hij was een voorvechter van de theokratie en zette zich theologisch in voor een staat met de bijbel. Dit politieke gedachtengoed is in de latere Christelijk Historische Unie (CHU) terecht gekomen.

De twee delen van het Verbond
Ik kan in dit korte stukje op dit alles natuurlijk niet ingaan. Ik beperk me nu tot die volkskerk-gedachte waar veel hervormden ondanks de sekularisatie nog altijd bij zweren. Die gedachte gaat terug, als ik het goed zie, op een bepaalde visie op het Verbond dat de Here God met ons heeft opgericht. Een visie die op Gods trouw in dat verbond zozeer de nadruk legt dat het wel eens ten koste lijkt te gaan van onze menselijke verantwoordelijkheid.
Een steunpunt voor die kijk wordt wel gezocht in het bekende woord van Paulus uit 11Timotheüs 2:13: "Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet". Een machtig woord waarin we inderdaad Gods trouw over de menselijke ontrouw zien triomferen. Maar behalve op een troostvolle wijze kan dat ook op een dreigende manier gebeuren. Dat namelijk de Here tegenover onze verharding in de ontrouw in die zin trouw blijft aan de stipulaties van het verbond dat Hij de dreiging die er ook toe behoort ten uitvoer legt. De volledige naam van onze Verbondsgod luidt volgens Exodus 34:6 en 7: "HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht." Zichzelf niet verloochenen betekent bij de Here God dat Hij geen enkel onderdeel van deze verbondsnaam ter aarde laat vallen.
leder christen moet als hij eerlijk is toegeven dat er dagelijks ontrouw bij hem aanwezig is. Wij zondigen allen uit zwakheid zoals Petrus bij zijn verloochening. Maar er is ook een ontrouw à la Judas en daarvan durf ik niet te zeggen dat allen in de kerk zich eraan schuldig maken. Bij Judas immers is het verraad geen zondigen uit zwakheid meer. Daar sprak opzet uit, bewuste keus. Zijn zonde was vrucht van een langzaam opgebouwde weerzin tegen de Here Jezus en wat Hij voorstond. Daarop is het aangehaald woord van Paulus aan Timotheüs niet van toepassing, althans niet in positieve zin. Het lijkt me voor de kerk van levensbelang dat zij in prediking en pastoraat tussen Petrus en Judas onderscheidt.
Doet ze dat niet en zegt ze bijvoorbeeld slordigweg 'dat we allemaal Judassen zijn' dan tast ze het belijdend karakter van Christus' gemeente aan.

Konsekwent
Als ik Kuyper in zijn geschil met Hoedemaker goed begrepen heb, dan 'stond hem een kerk voor ogen die elk van haar leden op de huid zou zitten met de verplichting die uit het verbond voortvloeit en die degenen die de geloofsbeslissing uitstelden zou voorhouden dat het verbond' zonder het verschuldigde geloofsantwoord hun niet baten zou. Kuyper trok de verantwoordelijkheid van de predikende kerk door tot haar luisterende leden. Zeker, de konsekwentie daarvan zou kunnen zijn dat er in het gedoopte volk van Nederland scheiding kwam tussen gehoorzamen en ongehoorzamen. Kuyper heeft die konsekwentie aangedurfd. Het is hem door de volkskerk-mensen geweldig kwalijk genomen. Hoogmoedige partijvorming vond men zijn Doleantie. Naar mijn mening echter verdient Kuyper juist hierom onze waardering dat hij een kerk wilde' die in prediking en tucht ernst zou maken met de eis van het verbond.
'Héél de Kerk en héél het volk' - dit adagium van Hoedemaker is 'helaas een fiktie. Het is beter en barmhartiger de gedoopte kerkleden op tijd en onontwijkbaar voor de keus te zetten - hoe moeilijk dat vaak ook is en hoezeer wij daarin ook te kort schieten.
.

Een opmerkelijk vervolg
Een opmerkelijk vervolg lijkt deze hervormde theologie in onze dagen nog te krijgen. Hoedemaker zelf heeft dat niet (kunnen) voorzien, maar er lijkt mij toch een onmiskenbaar: verband te liggen tussen de volkskerk-gedachte en de tegenwoordige benadering van Israël.
Aan 'heel de kerk' en 'heel het volk' wordt nu toegevoegd 'heel Israël'.
Heel Israël deelt nog in het verbond en heel Israël is nog het volk van Gods verkiezing, kun je vandaag bijna algemeen in de kerken horen.
Dat gaat op dezelfde eenzijdige verbondsleer terug als we hierboven kort analyseerden. Alsof niet in alle.
verbonden twee delen begrepen zijn, zoals het oude Doopsformulier zegt. Belofte én eis. En alsof we allebei niet even serieus moeten nemen. Dé eis van het verbond is dat wij tot Christus komen. En als nu de synagoge heel bewust Christus als de Verlosser afwijst, dan kun je op bijbels standpunt niet zeggen dat Israël nog het verbondsvolk is. Wel blijft de deur van het verbond voor de Joden open en in die zin zegt Paulus van hen dat ze wat de verkiezing betreft beminden zijn om der vaderen wil (vgl. Romeinen 11:28).
Maar het verbond is meer dan een open deur; het is gemeenschap, verkeer, om niet te zeggen 'verkering'.

Wel, genoeg nu. 't Komt erop neer dat ik de moderne benadering van Israël meer hervormd dan gereformeerd vind. Ik ben benieuwd of één van de prominente sprekers op net aanstaande Hoedemakersymposium in wil gaan op deze stelling: Hoedemakers 'heel de Kerk en heel het volk' heeft een late en konsekwente uitloper gekregen in de opvatting volgens welke heel het empirische Israël volk van Gods verbond en volk van Gods verkiezing is. Ik heb het daarbij niet over de Israël-verwachting voor de toekomst, maar over de Israëlbeschouwing voor het heden.

Rechtzetting
Boven mijn vorig artikel over de wetenschappelijkheid van de theologie schreef ik 'Openingswoord bij het begin van de TSB-kursus 1988-1989'. Dat was een vergissing; ik hield die toespraak in de lóóp van dat jaar, en wel op de studiedag van 8 april 1989. Eerder was dat rapport-Oberman immers niet verschenen.
H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief