Leven uit genade - weten om te gaan met je mogelijkheden - I

1989-09-01
  • Jaargang 33
  • nummer 18
Een gerichte vraag kan je aan het denken zetten. De vraag kwam van een vriendin die, als lid van het schoolbestuur, geconfronteerd was met een concrete vormgeving van 'vredesonderwijs'. Kinderen opvoeden tot vredestichters. Het thema onderging een uitbreiding In de richting van de 'Items' van het Conciliair Proces. Vrede, gerechtigheid, heelheid. Kunnen wij VREDE stichten?
Moet God dat niet doen? Moeten wij niet van genade leven? Die tegenstelling: genade en verdienste, daar mondde de probleemstelling een beetje uit. We hebben daarover gepraat. We hebben ook wel een antwoord gevonden (*). Maar het probleem liet me daarna niet los.
Van mijn verder ermee bezig zijn is dit artikel de bezinking. Wie weet kan het bij de een wat antwoorden aandragen, en bij de ander wat vragen oproepen.

Genade en Verdienste
Genade staat in het gereformeerde denken tegenover verdienste. Nu sluipt er in het begrip genade gauw iets van passiviteit. Van afwachten wat God doet. Verdienste veronderstelt activisme. Zelf willen fiksen wat God moet doen.
We beschikken over een hele verzameling vrome frasen: Wij moeten willen leven uit genade. God moet het doen. Wij hebben alles verbeurd.
De mens is ganselijk onbekwaam tot enig goed. Vaste clichés. De kralen in de reformatorische rozenkrans.
En er wordt in de passieve hoek wat afgepaternosterd.
Pessimisme en passiviteit ten aanzien van het bewerken van (het) heil.
Daarnaast dikwijls een sterkte ambitie en grote activiteit in wat wordt afgegrensd tot het gebied van zeg maar: het profane leven. Daarvoor geldt dan zoiets als een cultuuropdracht.
De wereld buiten de omtuining van de genade. Niet buiten de zegenende hand van God natuurlijk, want ook daar is het aan 's Heeren zegen al gelegen. Wel buiten onze competentie tot het verwezenlijken van heil. Ook buiten Gods' officiële Heilsweg. Los van de geëigende genademiddelen, al laten we uiteraard ruimte voor Gods vrijmacht.

Twee levenssferen
Twee levenssferen dus. Eentje waarin we beleven wat God uit genade met ons wil doen - een rijk der genade. En eentje waarin Gods grote Naam - tot op zekere hoogte verzwegen kan blijven. Waarin we ons gewone werk doen. Waarin alle ruimte is voor onze ambities. Waarin we vooruit willen komen in het leven.
Waarin we werken aan onze status. Het leven op onze benedenverdieping.
Met drempelloze verbindingen naar de geneugten dezer eeuw. Voor de genade moet je wel even de trap op. Hier beneden tref je onze zaak aan, en het paleisje van ons huis, en onze caravan. We zijn er wel niet los van God en van zijn regels, we zijn er echter niet zo direct gericht op het godsdienstige.

Nou tref je binnen die 'profane sfeer' ook weer. verschillende manleren van gemotiveerd zijn aan. Ze lijken een beetje parallel te lopen met die in het genade/verdienste-gebeuren.
Je hebt er bijvoorbeeld de streberschristenen en niet-christenen, dat maakt niet uit - die carrière willen maken, titels willen behalen. Die iets willen hebben en iets willen zijn. In de "godsdienstige sfeer' zijn ze er trouwens evengoed. Perfectionisten, egotrippers - ze jagen iets na. De mens 'is er om 'iets te doen. En wat je doet kun je meten. Het is uit te drukken in diploma’s en titels, in rang en stand en bezit, in invloed en status, in verkoop- en omzetcijfers.
Je komt ook mensen tegen, die misschien hetzelfde zijn en hetzelfde bezitten, maar die het niet zo nodig waar hoeven te maken. Die dankbaar gebruik maken van de mogelijkheden en die voor de ander barmhartig zijn. Christenen die van God en van genade weten, maar evengoed ook niet-christenen. Samaritanen.
De Here Jezus heeft er zo eentje gekend. Mensen die op vrede en gerechtigheid en heelheid uit zijn.
Die in en met de gegeven situatie gewoon iets positiefs willen doen.
Beschaafde, meelevende en vooral: onbevangen mensen. Je zou bijna zeggen: mensen die van genade willen leven. En die genade willen zijn. Die in hun omgeving een stukje heil brengen. In dat 'profane', 'nletgodsdienstige' leven ervaren we die 'Samaritanen' als een weldaad. In de 'genadesfeer' weten We er niet goed weg mee. Hoe komt dat?

Genade en heil
Wat is eigenlijk genade? Is het zoiets als een bovennatuurlijk ingrijpen in de godsdienstige sfeer? Is er ook wezenlijk sprake van genade in het profane leven? Zijn er soorten genade?
Algemene en bijzondere bijvoorbeeld?
Of is alles wat we ontvangen, wat we in de persoonlijke situatie aantreffen genade? Dingen, situaties, mogelijkheden (en onmogelijkheden, oftewel grenzen aan onze mogelijkheden), die voor ons altijd een opdracht inhouden? Gave van God, in Christus?
Is Christus er voor een deel van het bestaan? Is Christus er voor een deel van 6ns bestaan? Krijgt heel de wereld nieuwe mensen in Hem? Of is Hij er voor de redding van een restant van het restant? Acht zielen in een arke des behouds?

En wat is heil? Is het heil een kwestie van later? Of een zaak van een beetje hier en de grote rest straks?
Of is het zo dat je in Christus het heil (de heelheid van bestaan) al hébt?
We zien hoe God in Zijn schepping de condities geeft voor een goede ontplooiing van aIle geschapenheden in samenhang. We zien Zijn trouw in Zijn wetten. Een plant zoekt het licht en is gericht op een optimale ontwikkeling. Een vogel foerageert, paart, bouwt een nest en .brengt leven voort. God reikt de voorwaarden aan voor een goed ecosysteem. Plant en dier gedijen in een goede biotoop. Leven in samenhang.
Het geschapene geeft daarin antwoord op het scheppingswoord.
Het geeft vorm aan de daarin ontvangen en in de verlossing door Christus bevestigde genade, Leven uit genade - omgaan met de mogelijkheden.
En ook de mens geeft vorm. Hij geeft binnen de mogelijkheden van Gods wet vorm overeenkomstig een norm, Daarin is hij meer een plant of dier, want hij draagt in zijn vormgevende antwoorden verantwoordelijkheid.
Hij is verantwoordelijk voor het geschapene, maar heeft daarbij een plaats binnen de scheppingsgrenzen.
Daarmee is die plaats bepaald.
Hij mag zich niet gedragen als een dier. Hij mag (en kan) ook de grens naar het bovenmenselijke niet over, Binnen zijn competentiegrenzen is er voor zijn doen ruimte voor tweeërlei norm. Dat is juist inherent aan zijn mens-zijn. Dat is de conditie om werkelijk verantwoordelijk te kunnen zijn en verantwoordelijk te kunnen worden gesteld.
De eerste norm is die van Gods bedoeling met het geschapene, gericht op ontplooiing in samenhang, en in verbondenheid daarin met Hem: tot Zijn eer. Beantwoorden aan die norm levert hoe dan ook een stukje heelheid, een stukje heil op.
Daarnaast is er de norm van de egocentrische (de antropocentrische) mens. Die denkt niet in termen van heelheid, maar van belang.
Eigenbelang: Ik! En groepsbelang: Wij (= ik in het meervoud). Die denkt in termen van rivaliteit. Dat brengt per definitie de vrede in gevaar.
Dat maakt gerechtigheid tot een hachelijke zaak.
Toch is ten diepste ook de egocentrische mens gebaat bij een zekere mate van vrede, van recht en van heelheid, want hij is en blijft als schepsel voor zijn functioneren en voor zijn zich-wel-bevinden afhankelijk van de van God gegeven scheppingsstructuren.
Hij blijft eraan onderworpen tot in het bestiale toe.
Wie zijn bovengrens niet erkent is ook niet goed in staat de benedengrens te onderscheiden.
Wie niet binnen de grenzen van Gods wet en niet overeenkomstig Zijn op Heelheid gerichte norm wil leven, die knalt er uiteindelijk tegenop.


(*) Daarbij werden we een eind verder geholpen door het verrassend diep gravende artikel van onze broeder, professor Geertsema, in het juni-nummer van 'Beweging', samenvatting van zijn referaat op de studiedag van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief