Ingezonden
1989-09-01
Afgezien van het goede in de artikelen van M.H.T. Biewenga in Opbouw van 9 en 23 juni jl. hebben we groot bezwaar tegen een alinea in de eerste bijdrage. We citeren: "Aan het echte Israël, het geestelijke Israël hèeft de Here zich verbonden door Zijn onverbrekelijke beloften. Dat Israël is het uitverkoren volk van God".- Jaargang 33
- nummer 18
En in de samenvatting lezen we dat Paulus in Rom. 9 laat zien dat Gods beloften gelden “niet voor het biologische, maar voor het geestelijke Israël.”
Bij het lezen van bovenstaande gevoelden we ons verplaatst naar de jaren veertig, toen Toelichting en Praeadvies op de synodebesluiten ons wilden diets maken dat de Here Zijn Verbond sloot niet met gelovigen en hun zaad, maar: slechts met, hun uitverkoren zaad.
Biewenga zet de kinderdoop op losse schroeven, als we Gen. 17:7 en Hand. 2:39 zo moeten verstaan. Zijn Gods beloften niet voor al onze kinderen?
Was Esau niet een kind van het Verbond, al was hij dan bij Jakob achtergesteld? (Gen. 25: 23).
Als Jozua Israël het beloofde land binnenleidt, worden ze tot de laatste man toe besneden (Jozua 5:7) en ontvangen ie het teken en zegel van het Verbond. Behoorden deze allen niet tot het echte Israël? Volgens Biewenga heeft de Here zich maar met een deel verbonden door Zijn beloften.
En zo wordt in dit artikel afstand gedaan van de winst van de Vrijmaking. Jammer!
Heerjansdam W. van Veelen
Naschrift:
De redaktie bood mij de gelegenheid om te reageren op het door br. Van Veelen naar voren gebrachte: mijn dank daarvoor; ik wil van die geboden gelegenheid graag gebruikmaken.
Het eigenlijke punt in geding is dunkt mij niet zozeer de vastheid en betrouwbaarheid van Gods beloften (daar zijn we het onder ons dacht ik wel over eens; en ik herken mijzelf dan ook niet in het verwijt de kinderdoop op losse schroeven te zetten); het gaat veeleer om de vraag naar de verhouding tussen aan de ene kant de beloften van God en aan de andere kant het (on)geloofsantwoord van de mens.
En op dat punt meen ik twee lijnen in de Schrift te ontdekken; de ene is die van de onvoorwaardelijke geldigheid van de beloften van God, los van de vraag naar de menselijke reaktie op die beloften. Dat is de lijn die - terecht - in de dertiger en veertiger jaren van deze eeuw sterk is benadrukt tegenover de toen heersende theologie van de veronderstelde wedergeboorte en tegenover de daaruit voortvloeiende kenmerkenprediking.
Maar nu meen ik toch in de Schrift ook nog een andere lijn te vinden. Ik kan me namelijk niet aan de indruk onttrekken dat in de bijbel op een aantal plaatsen het antwoord van de mens (in geloof of ongeloof) een plaats krijgt in de kwaliteit van de belofte zelf. Zeker: het is altijd antwoord, reaktie, in die zin dat het sekundair is, er achteraf bijkomt; de belofte gaat altijd voorop. Maar is het nu niet zo, dat op een aantal plaatsen die reaktie achteraf om zo te zeggen naar voren gezogen wordt en als het ware in de belofte zelf naar binnen wordt getrokken; op een zodanige wijze dat het menselijk
(on)geloofsantwoord aan de kwaliteit van de belofte zelf gaat raken?
Waar vind ik dat dan in mijn bijbel?
Nu, allereerst dunkt mij op de onderhavige plaats, in Romeinen 9. Ik kan het niet anders zien dan dat Paulus hier de onverbrekelijkheid van Gods beloften (vers 6a) vastknoopt aan een breuklijn die dwars door het biologische Israël heenloopt.
Voorzichtig en vragenderwijs zou ik ook 2 Petrus 1:10 willen noemen: "Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen". Dit woord is niet heel duidelijk, maar lijkt toch te wijzen in de boven door mij aangeduide richting. Veel duidelijker voor mijn besef zijn twee Schriftwoorden waar het de ongeloofsreaktie van de kant van de mens is, die de belofte van God niet onberoerd laat.
Het sterkst is dat het geval in het opmerkelijke oordeelswoord dat de HERE uitspreekt over het huis van de priester Eli, 1 Sam. 2:30: "Daarom, luidt het woord van de HERE, de God van Israël, Ik heb duidelijk gezegd: uw huis en uws vaders huis zullen voor altijd voor mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het woord des HEREN: dit zij verre van Mij! Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden".
Een soortgelijk iets, zij het in een conditioneel verband, meen ik te vinden in Deut. 28:68a, waar de HERE zijn volk dreigt terug te brengen "langs de weg, waarvan Ik u gezegd had: Gij zult die nooit weerzien."
Is Gods belofte nu minder vast en betrouwbaar? Nogmaals: dat is voor mijn besef eigenlijk niet in geding.
Waar het om gaat is veel meer de vraag naar de plaats van het menselijk (on)geloofsantwoord op het beloftewoord van God.
Ik zou hier als vermoeden willen uitspreken dat de verhouding tussen God en mens meer dynamiek kent, en daarmee ook meer eigen verantwoordelijkheid van de kant van de mens dan wij in het algemeen naar mijn indruk wel geneigd zijn aan te nemen.
M.H.T. Biewenga