Geleerde eenvoud
1988-04-08
Nadat in 'Opbouw' van 5Jebruarij.l. verschillende bijdragen verschenen zijn ter herinnering aan de op 25januarij.l. overledenproj dr H. J. Jager, wil ik- op verzoek van de redaktie - als een indirekte leerling van hem hier nu de ervaringen weergeven die ik heb opgedaan bij de bestudering van zijn werk.- Jaargang 32
- nummer 14
Toen ik in 1982 voor het vak dogmatiek een doktoraal-skriptie wilde schrijven over het thema 'rechtvaardiging en heiliging', stelde prof dr J. Veenhof mij voor, dat onderwerp te bespreken aan de hand van het werk van prof. Jager.
Dat was meer dan een waarderende geste van Veenhof ten opzichte van Jager, bij wie hij zelf nog kollege gelopen had. Er kwam ook in tot uitdrukking, dat Jagers werk wetenschappelijke bestudering waard was. Halverwege het projekt bleek zelfs, dat het binnen het bestek van de skriptie niet mogelijk was aan zowel zijn opvattingen over de rechtvaardiging als aan die over de heiliging recht te doen. Zo heb ik mij uiteindelijk beperkt tot een analyse van Jagers kijk op de rechtvaardiging, zoals hij die vooral in zijn proefschrift ontvouwd heeft. Het werd een verrassende terreinverkenning.
Verrassend
Want stond Jager niet bekend als de man, die zo eenvoudig schreef? Weinigen relativeerden het theologisch bezig zijn zo sterk als hij. Heel wat kollega's kunnen daar van meepraten: na op een tentamen aanzienlijke hoeveelheden geleerdheid te hebben gespuid, werden zij vervolgens verbijsterd door het lakonieke kommentaar van de professor: "Vond u het belangrijk? Ik niet zo erg!". Hij verwierf zich dan ook de reputatie, dat hij als hoogleraar ook verstaanbaar bleef voor 'eenvoudige' gemeenteleden.
Daarom mag het verrassend heten, dat zijn publikaties toch volop stof leverden voor een theologisch werkstuk. Onder die eenvoud ging gedegen en scherpzinnige studie schuil.
Zo schrijft prof. dr. J. van Bruggen in het Nederlands Dagblad van 27 januari j.l.: "Jager was veel kundiger op het terrein van de nieuwtestamentische we-· tenschap dan hij liet blijken."
Zijn relativering van de theologie zou dan ook wel eens nauw kunnen samenhangen met zijn grote theologische bekwaamheid.
Het komt wel vaker voor, dat naarmate mensen op een hoger akademisch niveau staan, zij de betrekkelijkheid van hun wetenschappelijke kennis meer inzien. Daarom gaat het niet aan, zich op Jager te beroepen wanneer men de eenvoudige Schrift-studie wil uitspelen tegen wetenschappelijk vakmanschap. Het kan heel goedkoop worden, om ongehinderd door kennis van zaken de spot te drijven met het theologisch bedrijf. Van Jager kunnen wij leren, een eenvoud na te jagen die bezinkt uit veel studie - geleerde eenvoud.
Want al ging hij zijn studenten erin voor sommige resultaten van de nieuwtestamentische wetenschap te relativeren, zij moesten het hart niet hebben op het tentamen te verschijnen zonder al die geleerdheid te hebben doorgeworsteld! ...
Dogmatiek
Al even verrassend mag het heten, dat Jagers werk zich ertoe leent vanuit de dogmatiek bestudeerd te worden. Hij is immers gepromoveerd bij de nieuwtestamenticus Grosheide en heeft in Kampen kollege's gegeven in het Nieuwe Testament. Bovendien had. hij weinig op met hoogvliegende spekuiaties en leerstellige spitsvondigheden. Hij was er erg beducht voor dat het levende Woord van God zou worden geperst in het keurslijf van een dogmatisch systeem.
• I Maar ook hiervan geldt: Jager hield zich daar verre van, omdat hij zo goed wist wat er op dit gebied te koop was. Niemand minder dan de in Vrijgemaakte kring beruchte VU-dogmaticus prof dr V. Hepp had hem gevraagd, op een dogmatisch onderwerp te promoveren: hij was ervan overtuigd dat deze student daar de kapaciteiten voor had! Welnu, als er iemand neiging had tot spitsvondig gespekuleer, dan Hepp - hij is als dogmatikus dan ook vrijwel vergeten. .. Jager verkoos de studie van het Nieuwe Testament, maar heeft daarbij de talenten die Hepp bij hem gewaar was geworden bepaald niet verwaarloosd. Enerzijds was hij de man van de zorgvuldige en gedetailleerde exegese. Anderzijds echter betrad hij graag het terrein van wat bekend is geworden als "bijbelse theologie", d.w.z. Schriftstudie, waarbij op bredere bijbelse verbanden wordt ingegaan. Een voorbeeld daarvan is zijn befaamde rede Het onderwijs van Jezus de Christus aan Nicodemus de Rabbi uit 1949. Daarin geeft hij een tot op de dag van vandaag waardevolle studie over de wedergeboorte.
Een nauwgezet lezen van de tekst van Johannes 3 en een trefzekere plaatsbepaling van het begrip 'wedergeboorte' in het geheel van de bijbel, gaan hier hand in hand. Nog sterker is zijn proefschrift Rechtvaardiging en zekerheid des geloefs uit 1939 bepaald door de dogmatische diskussies van die dagen. Het ging over de manier, waarop een christen tot de zekerheid komt dat hij een kind van God is dat niet
verloren zal gaan. Jager moest niets hebben van spekulaties daarover die buiten de Schrift omgaan. Hij behandelt zijn onderwerp dan ook door bepaalde passages in het Nieuwe Testament intensief te bestuderen. Maar tegelijk en juist daardoor heeft hij in zijn boek een aanzet gegeven voor verdere dogmatische bezinning. Het is aan mensen als Jager te danken, dat de dogmatiek op gereformeerd erf zich ontworsteld heeft aan de dorre systematiek waarmee zij zo vaak in verband wordt gebracht, om uit te groeien tot de systematische doordenking van bijbelgegevens waannee zij de kerk van dienst kan zijn.
Rechtvaardiging en heiliging
Wie zich de artikelen voor de geest haalt die Jager vele jaren lang voor Opbouw geschreven heeft, zal al gauw terugdenken aan de bij uitstek praktische inslag ervan. Naarmate hij ouder werd, is hij steeds meer accent gaan leggen op het daadwerkelijk christen-zijn. Even mild als terzake kon hij wijzen op de zwakke plek in het leven van veel gereformeerde gelovigen: met de leer zat het meestal wel goed, maar het leven ...
Ooit somde hij de plaatsen in het Nieuwe Testament op waar sprake is van 'goede werken': het was een indrukwekkend lange rij. Hoe langer hoe meer ging hij hameren op het aanbeeld van de heiliging: naar zijn overtuiging kwam het aan op de konkrete christelijke levenswandel. Zijn boek Kernwoorden van het Nieuwe Testament, waarin een aantal van zijn eerder in De Reformatie en Opbouw verschenen artikelen gebundeld is, legt daar getuigenis van af.
Des te opmerkelijker is het, dat de eerste van zijn publikaties gewijd is aan de rechtvaardiging van de zondaar, het thema waarvan Luther gezegd heeft dat daarmee de kerk staat of valt. En was Luther niet degene, die de christenheid er zo voor gewaarschuwd heeft haar kracht te zoeken in goede werken? Inderdaad treffen wij ook in Jagers proefschrift ernstige waarschuwingen aan tegen een geloofsleven dat gebaseerd is op 'werken der wet'. Hij onderstreept Paulus' boodschap, dat God ons het behoud aanbiedt louter en alleen uit genade.
Nooit kunnen wij ons zo verdienstelijk maken dat wij ervoor in aanmerking komen om Gods Koninkrijk binnen te gaan. Integendeel, de Here nodigt hen die niet op goede werken kunnen bogen. Met Luther zegt Jager: wij zijn bedelaars die met lege handen voor God staan.
Zo rijst de vraag, of Jager in de loop van de tijd andere accenten is gaan leggen.
Is zijn aandacht inderdaad verschoven van de rechtvaardiging, het rusten in Gods vergeving, naar de heiliging, het werken aan levens-vernieuwing? Ik wil laten zien hoe Jager in wezen heel konsekwent is trouw gebleven aan zijn opvatting van de rechtvaardiging. Hij moest wel uitkomen bij zijn zware nadruk op de goede werken. Dat heeft te maken met de opmerkelijke verbinding die hij legt tussen de rechtvaardiging en het verbond. Maar daarover de volgende week.