Vreemdelingen binnen onze poorten
1987-02-06
"Mohammed behoorde ongetwijfeld tot de groten onder de mensen. Hij was zonder enige twijfel een religieus en politiek genie. Hij heeft in zijn leven, diep geworsteld met de vraag wie God is. Hij heeft gebeefd voor de dag des oordeels en hij heeft zich ingezet met heel zijn ziel en lichaam om de roeping, die naar zijn overtuiging hem werd toevertrouwd uit te oefenen... Ik begrijp heel goed de eerbied, die moslims hebben voor Mohammed en ik begrijp ook dat moslims die christen worden nog met diep respekt over hem spreken." - Jaargang 31
- nummer 5
Prof. Dr J. Verkuyl. Met Moslims in gesprek over het Evangelie, p. 138.
Heeft God gesproken?
De vraag "Is Allah God" is een van de belangrijkste vragen bij ons benaderen van de Islam. Als een soort' conclusie citeerde ik de uitspraak dat een moslim die Christen wordt "niet een andere God gaat' aanbidden, maar Christus leert kennen." Ongetwijfeld is op dat punt veel méér te zeggen, maar voorlopig moet, dit even volstaan. Een andere vraag – bijna even explosief, en 'door verschillende christenen verschillend beantwoord - is de vraag: "was Mohammed een (echte) profeet? Kwam hij van God?" Gezien de uitzonderlijke status die de Profeet in islamitische kring bezit is ons antwoord op die vraag rechtstreeks van invloed op onze relatie met moslims. Maar ook in christelijke kring kan de' , discussie oplaaien rond Mohammed. Een valse profeet - geen twijfel mogelijk, voor Baar en Kole, die ik onlangs citeerde. Een aanmerkelijk - en opmerkelijk - veel positiever visie bij Verkuyl, die boven dit artikel wordt aangehaald. Nog positiever komt Mohammed' ervan af in uitspraken van "oecumenische kant". Daarvan wil ik eerst wat aanhalen, ontleend aan De Moslimse Naaste, van Prof, Anton Wessels, Verkuyls opvolger als hoogleraar Missiologie aan de V.U. Wessels vertelt (op p. 136 van, zijn alleszins lezenswaardige boek) dat hem de vraag werd gesteld hoe hij over Mohammed dacht. Als antwoord 'begint hij met een verhaal over de joodse filosoof Martin Buber die met een oude rabbijn spreekt over I Samuël 15, het hoofdstuk van Sauls campagne tegen de Amalekieten en Samuël die eigenhandig koning Agag doodt. “Wat denk je van deze passage?” vraagt de rabbijn aan Buber. Zonder veel aarzeling antwoordt deze laatste: 'Ik denk dat de profeet. God heeft misverstaan." Na een lang .zwijgen zegt de rabbi: 'Dat is ook mijn mening'. Martin Buber vervolgt dan: 'Ik heb mijn leven lang veel gedaan aan het vertalen van de Bijbel. Steeds in vrees en beven. Wat is het woord van God en wat is het woord van de mens? Zo benader ik ook de Koran. Ik geloof dat God tot Mohammed heeft gesproken. Dat wij in de Koran in zekere zin geconfronteerd worden met het woord van God. En dat is iets om hoogst ernstig te nemen.
Tegelijkertijd kom ik in de Koran in aanraking met elementen waar fundamentele punten van het christelijk geloof worden ontkend. Daarvan kan ik niet aannemen dat het het woord van God is, tenzij u mij toestaat het anders uit te leggen." Wessels besluit deze passage met de opmerking dat zo'n antwoord niet alle vragen oplost. Integendeel: (wezenlijke vragen) "worden opnieuw gesteld en zelfs acuter, maar in een veel gemeenschappelijker worsteling samen met de moslims het woord van God te verstaan ook in zijn relevantie voor onze tijd." Zo'n uitspraak geeft mij acute vragen. Ongetwijfeld is' het een hoffelijk antwoord naar de moslimse vragensteller toe; ook laat het de aanstoot van het evangelie niet geheel weg. Als ik echter' de mogelijkheid van het profetisch misverstaan van God (in dit geval door Samuël) moet incalculeren, sta ik wel op een "zwakke" basis in mijn geloof in inspiratie. en .openbaring. Als, met Buber, het onderscheiden tussen Godswoord en mensenwoord zó problematisch kan worden, dan heb je, dunkt mij, met name tegen moslims niet zoveel meer in te brengen. Waar zij uitgaan van de meest mechanische van alle denkbare inspiratie-opvattingen (Gods Oerboek is letterlijk in het Arabisch tot de Profeet gekomen), hebben wij soms al moeite hun' duidelijk te maken wat een organische visie in dezen inhoudt (de geïnspireerde Bijbelschrijvers behielden - bepaalde eigenaardigheden in stijl, etc., anders dan Mohammed die letterlijk Allahs woord nazegt.) Als die 'organische visie' dan ook nog wordt uitgehold ... Naar ik meen, zou een discussie met Wessels hierover primair een discussie zijn over hermeneutiek en niet over exegese. Over de hermeneutiek van de, Bijbel, wel te verstaan. Hoe kijkt hij aan tegen inspiratie, openbaring, de canonvorming, de wijze (of de mate) waarin de Heilige Geest mensen de woorden van Jezus te binnen brengt etc. Ik meen dat de hele discussie over de status van Mohammed' en de relatie tussen Bijbel en Koran' juist op deze, punten zal moeten worden gevoerd.' Hoe kijken we aan tegen de basis van ons eigen geloof?
Onoverbrugbaar verschil?
Inmiddels is ook Verkuyl zeker niet negatief over Mohammed, zoals al uit het citaat boven dit artikel moge blijken. Hij citeert ook Lamin Sanneh uit Gambia, nu hoogleraar aan,.,de Universiteit van Harvard (V.S.), iemand die uit de Islam tot het christelijk geloof kwam: "Wij kwamen tot God als een zedelijke en eschatologische werkelijkheid. God werd voor ons door hem tot de rechter, de wreker, weldoener der mensen." lets verderop wil Verkuyl best stellen dat "Mohammed inderdaad een religieus genie was en op de een of andere wijze behoort tot het genre 'profetische figuren'. Maar de vraag', zo gaat hij verder, is: kunnen we Mohammed erkennen als profeet in de bijbelse zin des woords?' (a.w. 'p. 138). Zijn antwoord: '... studies maken duidelijk dat ... er geen sprake is van een werkelijke overeenstemming tussen de profetie in de zin van het 'Oude en Nieuwe Testament en tussen de 'boodschap van de Bijbel en de boodschap van de Koran. (139).
In dat verband wijst hij - en ook daarin steun ik hem - op het onoverbrugbare onderscheid tussen Mohammeds pretenties en die van Christus. In de Koran (Soera, 33 vers 40) lezen we dat Mohammed is "de Boodschapper AIlah's en het zegel der profeten". Dat laatste wordt allerwegen uitgelegd als ,degene die Gods definitieve openbaring doorgaf. Als ik daartegenover Hebreeën 1 de eerste verzen lees, dan lees ik dat God" nu, in het laatst der dagen tot ons heeft gesproken in de Zoon". Dat is een tegenstelling tot de wijze waarop God "eertijds tot de, vaderen' gesproken heeft in de profeten".
Via dezen had hij gesproken "polumeroos kai polutropoos", "vele malen en op vele 'wijzen". Wie dat laatste ook vertaald ziet als "in deelwaarheden", "hier een stuk en daar een stuk" "fragmentarisch", concludeert dat dat nu precies nlet is wat de Godsopenbaring in de Zoon betekent: In de Zoon vinden we Gods hoogste en definitieve openbaring. Dan moet je kiezen. Zelf acht ik Hebreeën ten principale onverenigbaar met Soera 33.
Getuigen
Dat brengt me bij een opmerking van Verkuyl, die ik aantref aan het einde van zijn boek. "Een moslimse hoogleraar zei eens tegen mij: 'Vroeger was het zo dat je in vriendschappelijke ontmoetingen eerlijk tegen elkaar zei: 'jij bent christen en ik ben moslim. Laten we eens eerlijk doorpraten met elkaar. Maar nu schijnt het mode te zijn om de vraag te ontwijken: 'waarom ben ji moslim? en: waarom ben jij christen?' Verkuyl vervolgt: "Ik denk dat het inderdaad eerlijker en beter is elkaar te ' tonen dat de boodschap van de Islam en het evangelie ons voor keuzen stellen.
Dat' betekent niet dat wij ons een oordeel mogen aanmatigen over de keuzen die mensen doen en over Gods beslissing over hun keuzen ... Op een conferentie, over de relatie van moslims en christenen werd... der vraag gesteld van christelijke zijde: kan een moslim als moslim' behouden worden? Dat is' een vraag die niet gesteld behoort te worden, omdat het antwoord op die vraag niet aan ons is, maar aan Hem is die' over ons allen zal oordelen in de dag des oordeels en die zijn plaats in de rechterstoel niet met ons deelt. “ 'Het tweede dat we, volgens Verkuyl, moeten zeggen is "dat al gaat het eindoordeel ons niet aan en wij dat moeten overlaten aan Hem die op de troon zit, wij wel de roeping tot getuigenis hebben en dat het liefdeloos is om dat getuigenisniet te geven ... Wij moeten niet speculeren over, de plaats van' de Islam in Gods heilsplan, want dat zijn onnutte en ijdele speculaties. We hebben slechts te luisteren naar de opdracht: gij zult mijn getuigen zijn. (Hand. 1 : 8)" (a.w. p. 136).
| Uiteraard is zelfs een serie van acht artikelen. over de 'Vreemdelingen binnen onze poorten' maar heel beperkt in wat er kan worden behandeld of 'aangetipt'. Wie verdere studie van dit thema wil maken kan, behalve de berichten, in de media en de uitzendingen van de lOS, op donderdagavond 18.00 uur - op vele plaatsen terecht. Bijzonder nuttig vind ik zelf het blad 'Begrip', een maandblad uit 'oecumenische kring', dat themanummers verzorgt. Adres: Luybenstraat 17, 5211 BR Den. Bosch, tel. 073-145159. Verreweg het meest verwant voel ik me zelf met het werk en de de standpunten van Stichting 'Evangelie en Moslims te Amersfoort. In deze stichting werken samen de Inwendige Zendings Bond en de Gereformeerde Zendings Bond (beide uit de N.H. Kerk), de deputaten van de Chr. Geref. Kerken en de ,Morgenland Zending. Jaarlijks worden 'Werkboeken' uitgebracht, 'maar er zijn ook bulletins, en andere publicaties en, heel belangrijk, informatieavonden of -weken. Adres: J. van Oldenbarneveldtlaan 10, Amersfoort, tel. 033-11949. |
Waar gaat het om?
Persoonlijk ben ik het bijna geheel met Verkuyl eens. Ik vraag me af wat in dit integere en, naar 'mijn mening, prima geïnformeerde boek zó de "oecumenischen" heeft geprikkeld? De laatste jaren heb ik. zelden een meer afbrekende, venijnige en onheuse boekrecensie gelezen dan er uit deze kring kwam, op dlt boek, in het dagblad "Trouw"! (Dat is destijds nog aanleiding geweest tot een interessante reactie van Dr Soiikerboer, in "Evangelisch Commentaar".) Ter afsluiting van deze serie: Waar gaat het om? Dat wij als christenen in dit land zicht willen hebben op de ingewikkelde en belangrijke ontwikkelingen rond, duizenden mensen om ons heen. Dat wij, net als Prof. Verkuyl, die ik bij wat conferenties en lezingen heb leren kennen als een zeer deskundige, wijze en bewogen geloofsgetuige, zicht (willen) hebben op de nood die wij als westerse samenleving voor Turken en Marokkanen hebben gecreëerd.
Dat we verder onze bewogenheid tonen door betrokkenheid bij hun leven, interesse in hun situatie, dienst, die 'zonder enig motief van baatzucht wordt gegeven. Dat we ons bezinnen op de vraag of we, met het Evangelie in de hand; niet kunnen vervallen tot een hoogmoedige, afstandelijke, afstotende vorm van "contact", tot een "vijandbeeld". We zullen vervallen aan het gerecht, als we dàt durven doen! Maar óók dat we, met diezelfde Bijbel in de hand, een eerlijke zorg voor mensen tonen die niet kwetst of een boodschap opdringt. En dat we constateren dat het principieel onthouden van een geloofsgetuigenis niet tot de barmhartige, maar tot de wrede zaken behoort! Als wij werkelijk van Christus kunnen zeggen dat Hij de enige Naam heeft onder de hemel waardoor wij behouden kunnen worden, dan moet dat consequenties hebben. Wat betékent het voor ons: als we lezen dat de "Marokkaanse Jeugd in ' Amsterdam dreigt te ontsporen"? (kop artikel NRC, 1-4-1985). Zien we dan alleen naar de mogelijke consequenties daarvan voor ons eigen leven? Of hebben we oog voor de tragedie waarin kinderen - en hun zich zo machteloos voelende ouders verkeren? Zijn we bewogen met hén?
De moeite die ik in deze artikelen - die ik, zoals gewoonlijk van week tot week schreef - heb gevoeld in de moeite die ik een koorddanser toedicht. Vooral het artikel van vorige week heb ik met grote problemen geschreven!) Hoe zeg je het goed? Hoe ben je evenwichtig?
Want waar het om gaat is enorm! Zullen wij barmhartiger zijn dan de mannen van Sodom, die naast andere zonden, óók het gastrecht schonden? Zullen wij, als christenen hier te lande, de opdracht om. in de praktijk te dienen én geloofsgetuigen te zijn, alleen reserveren voor onze' "etnisch gelijke, blanke Nederlanders"? Of mogen/moeten "moslimse naasten" ook delen in alles wat de christelijke gemeente aan genezing van de samenleving probeert te doen? Omdat de Heer het ons gebiedt? In deze serie zijn nogal wat vragen gesteld, vragen waar ik zelf veelal ook het antwoord niet op weet. Mijns inziens weet niemand in onze samenleving, of in de kerk, deze antwoorden! Het is mogelijk zelfs zo dat we als kerk maar weinig invloed kunnen uitoefenen, dat het op z'n best een druppel op de gloeiende plaat is. Maar dan in elk geval graag die druppel!
Ik breng een woord in gedachten van Willem van Oranje: 'Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen of te slagen om ermee door te gaan. Dat we de antwoorden niet weten is één ding. Dat we de vragen nooit gesteld hebben is een ander ding.