Geleerde eenvoud (2)
1988-04-15
Gedurende de tijd dat Jager predikant was in Voorthuizen (1932-1948), kreeg hij in zijn pastoraat te maken met de weinig vreugdevolle geloofsbeleving die nog steeds op de Veluwe voorkomt. Hij ontmoette veel mensen die erover tobden, of zij wel een kind van God waren. Op de voorgrond van hun geloofsleven stond de sombere gedachte, dat de Here van eeuwigheid af aan besloten had mensen te verwerpen. En wie zou van zichzelf durven zeggen: tot die kategorie behoor ik niet? Alleen diegenen, die duidelijk waarneembaar het kenmerk zouden vertonen dat zij door God niet verworpen, maar uitverkoren waren. Zo kwamen die bekommerde christenen ertoe, zich rusteloos te verdiepen in hun eigen geloofsleven en te speuren naar tekenen die erop konden wijzen dat zij in Gods gunst stonden. Bij die tekenen dachten zij aan bepaalde ervaringen, waarvan beproefde christenen wisten te getuigen. Je moest in je hart iets gewaar worden van een echt diepe bekering; je moest het onweerstaanbare gevoel krijgen: ik ben wedergeboren! Daarbij gingen zij heel kritisch te werk; zij wisten maar al te goed, dat de wens de vader van de gedachte is. Je kunt wel dènken datje wedergeboren bent, maar is het ook ècht zo? En wat die ervaring van bekering betreft: weet u zeker dat u zichzelf niets op de mouw spelt? Ook in uw vroomheid kunt u immers een doortrapt slecht mens zijn? Zo groeven de mensen maar in de modder van hun weifelmoedig hart, op zoek naar werkelijke wedergeboorte, waar geloof, echte bekering. En zolang zij er niet volstrekt zeker van waren dat zij die gevonden hadden, peinsden zij er niet over de hand uit te strekken naar het brood en de beker die bij het avondmaal namens de Here Jezus uitgereikt werd aan de gelovigen. Want werd er niet door Paulus voor gewaarschuwd zichzelf een oordeel te eten en te drinken?- Jaargang 32
- nummer 15
Kuyper
Toen Jager in diezelfde tijd een proefschrift ging schrijven, koos hij deze problematiek tot onderwerp. Zijn liefdevolle ijver om die bekommerde gemeenteleden toch tot de blijde zekerheid te brengen, dat God zijn Zoon ook voor hen gegeven had, deed hem besluiten een eerder gekozen onderwerp dat veel minder tot hem sprak, aan de kant te zetten. Toen al beoefende hij zijn wetenschappelijk werk ten dienste van de 'eenvoudige' gelovigen! Daarbij merkte hij, dat de toen gangbare gereformeerde theologie hem niet veel eerder hielp.
Zijn leermeesters waren over het algemeen leerlingen van Abraham Kuyper, wiens dogmatische- stellingname niet tot een principiële afwijzing van al dat sombere zelfonderzoek dwong.
Want ook Kuyper ging ervan uit, dat -men in zijn hart bepaalde geloofskenmerken moet kunnen aantreffen om er zeker van te kunnen zijn dat men een kind van God is. Hij zag de wedergeboorte als een beginsel van nieuw leven, dat de Here om zo te zeggen inplant in de ziel. Alleen waar dat nieuwe leven gekonstateerd kan worden, kan men ertoe konkluderen dat men inderdaad door God uitverkoren is. Vandaar de bekende formule, dat men moet veronderstellen dat een kind van gelovige ouders wedergeboren is, totdat het tegendeel blijkt. Zoals bekend, meenden velen in die dagen dat men zulke kinderen moest dopen op grond van deze veronderstelling. Daar zat een groot optimisme achter: ga er maar vanuit dat het nieuwe leven inderdaad in dit hart is ingeplant! De sombere christenen met wie Jager te maken had, waren veel pessimistischer: ga er maar niet vanuit dat je een kind van God bent! Maar Jager doorzag, dat dit optimisme en dit pessimisme dezelfde wortel hadden, nl. de overtuiging dat men uit de gesteldheid van het hart moet opmaken of men een kind van God is. Hij kwam dan ook tot de konklusie, dat die diep-ernstige onzekerheid die mensen van de blijheid in Christus berooft, nooit overwonnen kon worden zolang men op de basis van de wedergeboorte theologie van Kuyper bleef staan. In het werk van A. Janse (1890-1960) vond hij een veel begaanbaarder weg gewezen om aan het moeras van de twijfel te ontkomen.
Het verbond
Van Janse heeft Jager geleerd om zijn uitgangspunt te nemen in het verbond dat God met zijn volk sluit. Van daaruit kan het tot de zekerheid komen dat men een kind van God is, ongeacht datgene wat men uit de modder van het eigen, zondige hart opgraaft. Karakteristiek voor zijn proefschrift is, dat hij door vanuit het verbond te denken in het licht stelt, hoe Paulus vrede met God verkondigt op grond van de rechtvaardiging uit het geloof (Rom. 5 : 1).
Zijn betoog komt, kort samengevat, hier op neer. Hoe kan een mens, die bij zichzelf niets dan zonde waarneemt, de vrees te boven komen dat God hem zal verdoemen? Door radikaal af te zien van zichzelf en zich vast te klampen aan de belofte, dat God goddelózen rechtvaardigen, d.w.z.vrijspreken wil (Rom. 4: 5). Het is niet nodig om in zijn hart wanhopig te speuren naar levenstekenen die erop zouden wijzen dat God genadig is; men mag zichzelf als een volstrekt hopeloos geval. aan God aanbieden, in het vetrouwen dat de Here om Christus' wil het oordeel juist van zulke mensen wil afwenden.
Maar wat gebeurt er nu precies als God een mens rechtvaardigt, vrijspreekt van straf? Sommigen zeggen: dan doet God alsof die mens rechtvaardig is. Anderen hebben in het spoor van de Rooms Katholieke kerk gezegd: eerst maakt God een mens rechtvaardig en vervolgens spreekt Hij hem vanwege die rechtvaardigheid vrij. Geen van beide antwoorden konden Jager bevredigen. De eerste opvatting (God doet bij de rechtvaardiging alleen maar alsof een zondaar rechtvaardig is) lijkt voedsel te geven aan de gedachte, dat het er dus niet op -aan komt hoe men leeft: God neemt de zonde toch niet serieus! Zo zou deze leer inderdaad zorgeloze en goddeloze mensen kweken! (Catechismus zondag 24) De tweede opvatting (God máákt mensen rechtvaardig en beschouwt ze daarom als rechtvaardig) is niet alleen in strijd met wat Paulus schrijft (God spreekt geen rechtvaardigen, maar goddelozen vrij), maar zet mensen ook weer op het verkeerde been van het zelfonderzoek (alleen als ik bij mezelf rechtvaardigheid aantref mag ik konkluderen, dat ik in Gods gunst sta).
Jager nu ziet een mogelijkheid om toch een antwoord te geven op de vraag, wat God nu precies doet als Hij een mens om Christus' wil vrijspreekt van het oordeel, Hij zegt: de Here plaatst een mens daarmee in de verbondsrelatie tot Zichzelf. Zijn rechtvaardiging is geen boekhoudkundige handeling, als haalde Hij eenvoudigweg een streep door onze schuld. Nee, wie door God gerechtvaardigd wordt, komt daarvoor in de goede relatie tot Hem te staan. Bijbels gezien betekent dat, dat God zijn genadeverbond met hem aangaat en hem dus zijn genadige redding aanbiedt. Er vindt dus bij de rechtvaardiging wel degelijk een konkrete verandering plaats: van vijand wordt de zondaar een vriend van de Here! Maar dan mag je ook zeggen, dat je rechtvaardig bent. Want zo heeft Jager van Janse geleerdrechtvaardig zijn betekent niet dat je zonder zonde bent. Volgens het OT zijn diegenen rechtvaardig, die de HERE vrezen, het van zijn genade verwachten, zijn afkeer van de zonde serieus nemen.
Kortom: rechtvaardig ben je, als je trouw bent aan Gods verbond door gelovig met de HERE om te gaan. Een mens, die om Christus' wil wordt vrijgesproken van de zonde, heeft niets anders te doen dan gelovig de hand aan te pakken die God hem reikt. En op het moment dat hij dat doet, is hij rechtvaardig.
Zo kan Jager - in het spoor van J.G. Woelde rink - spreken van een 'subjectieve' gerechtigheid: een mens heeft iets aan te bieden aan God, nI. zijn gelovig ingaan op het verbond. Dat wordt door de Here inderdaad gewaardeerd als gerechtigheid.
Zo leest Jager Rom. 4: 5, waar van Abraham staat dat zijn geloof gerekend wordt tot gerechtigheid: de HERE heeft Abrahams gelovige verbondstrouw gezien en in rekening gebracht als gerechtigheid. Op dezelfde wijze mogen wij, zondige mensen, erop vertrouwen dat God in rekening zal brengen dat wij uit het verbond willen leven. Wij hoeven geen tekenen van wedergeboorte in ons hart aan te treffen om er zeker van te kunnen zijn dat wij Gods kinderen zijn; wij hoeven slechts de relatie tot de genadige God te onderhouden waarin wij door de rechtvaardiging worden geplaatst. Daarop mogen wij God wijzen in het oordeel; dat is onze rechtvaardigheid!
Winstpunten
Het is niet moeilijk om een aantal winstpunten op te noemen die Jager behaalt, door Gods rechtvaardiging te plaatsen in het kader van het verbond.
Allereerst wordt zo bereikt, dat de vrijspraak om Christus' wil om zo te zeggen vlees en bloed krijgt. Menig christen Kan er zich maar weinig bij voorstellen; het kan iets abstrakts krijgen, die verkondiging dat God zijn oordeel niet op ons maar op Christus laat neerkomen.
De rijkdom ervan gaat oplichten voor wie zich realiseert, dat er een heel positieve relatie tot God mee beoogd is. De rechtvaardiging ruimt niet slechts obstakels tussen God en ons uit de weg, maar luidt een uiterst persoonlijke verhouding tot de Allerhoogste in! Wie door een rechter wordt vrijgesproken van schuld, heeft na het proces met de man in kwestie niets meer te maken. Bij de Here is het anders: in plaats van ons te veroordelen sluit Hij vriendschap met ons! Hij is niet tegen ons, maar voor ons (Rom. 8: 31 ).
In de tweede plaats wordt zo duidelijk, dat de leer van de rechtvaardiging inderdaad geen zorgeloze en goddeloze mensen kweekt. Immers, als het gevolg van de rechtvaardiging is dat wij in het verbond met God leven, dan is het volstrekt onbestaanbaar dat wij gewoon doorgaan met zondigen! De rechtvaardiging staat niet op zichzelf, als moest daarna, in een tweede fase van de verlossing, gewerkt worden aan onze heiliging.
Nee, de rechtvaardiging vloeit als het ware vanzelf in de heiliging over: wie zich tot vriend van God heeft laten verzoenen: zal toch niets liever doen dan de Here behagen in heel zijn leven?
Omdat de rechtvaardiging resulteert in de verbondrelatie met God, is zij ondenkbaar zonder een konkreet leven uit het verbond. God bedoelt met de rechtvaardiging juist, dat die relatie gaat funktioneren. Vandaar dat ik het vorige artikel kon afsluiten met de bewering, dat Jager vanuit zijn inzet bij de rechtvaardiging, wel uit moest komen bij een zwaar accent op de goede werken.
Jager was daarin oer-gereformeerd: niemand minder dan Calvijn heeft de krasse uitdrukking gedaan, dat wie recht": vaardiging en heiliging van elkaar scheidt, Christus zelf in stukken scheurt! In de derde plaats doorbreekt Jager de vruchteloze pogingen, om zekerheid te verkrijgen op grond van datgene wat men in zijn hart aan nieuw leven aantreft. De bekommerde christenen met wie hij zoveel te maken had, koppelden de rechtvaardiging aan de verkiezing van eeuwigheid. Daardoor durfden zij niet te geloven dat de vrijspraak ook voor hen bestemd was, zolang zij bij zichzelf niet met zekerheid de kenmerken van hun verkiezing waarnamen.
Door op zijn beurt de rechtvaardiging op het verbond te betrekken, bereikt Jager dat hij de gemeente kan aanspreken op de belofte van vrijspraak voor zondaren. Men moet niet wroeten in zichzelf, maar zich vastgrijpen aan de evangelieboodschap, dat God met ons om wil gaan op basis van zijn vergeving.
Wij zullen nooit kunnen geloven dat wij gerechtvaardigd worden, om datgene wat wij aan veranderingen in ons hart zien plaatsvinden. We zullen pas vrijmoedigheid hebben om aan te nemen dat God voor ons is en niet tegen ons, wanneer wij geloven dat Hij in het kader van het verbond in diepe ernst tot ons spreekt.
Vragen
Toch zouden wij Jager onrecht doen, wanneer wij ervan uit zouden gaan dat hij het laatste woord over rechtvaardiging en verbond gesproken heeft. Daarvoor heeft hij ons tezeer gewaarschuwd voor het klakkeloos lopen aan de hand van de theologen. Daarom is het in zijn geest, als wij nu ook Jagers beschouwingen zèlf kritisch beoordelen. Ik zou vooral op één punt vragen willen stellen.
Dat betreft zijn opvatting, dat God bij de rechtvaardiging in rekening wil brengen dat mensen zich trouw aan zijn verbond houden. Is dat een goede uitleg van Romeinen 4: 5? Volgens Jager heeft de Here Abraham rechtvaardig verklaard, omdat deze ook werkelijk een rechtvaardige wàs doordat hij God vertrouwen gaf. Maar bedoelt Paulus dat echt te zeggen? Betekent niet die bijstelling in Rom. 4: 5 ,,(Hem) die de goddeloze rechtvaardigt", dat God zelfs met hen die zijn verbond verbroken hebben om Christus' wil nog tot zijn vrienden wil rekenen? En is Abrahams geloof niet dáárom aan ons ten voorbeeld gesteld, omdat hij zich als' onbesnedene, dat wil zeggen als de eerste de beste Filistijn, tot vriend van God heeft laten maken? (zie vers 10; vgl. ook Jozua 24: 2) Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Jager, door te spreken van 'subjektieve gerechtigheid', wat te optimistisch denkt over de rol die onze verbondsvroomheid in Gods beoordeling van ons leven speelt.
Over het algemeen is dat naar mijn oordeel een zwakke plek in het 'verbondsmatig denken' dat mensen als Janse met zoveel verve en liefde als een sleutel tot de bijbel hebben aangeboden.
Hoe licht komt daar toch niet een zekere bedaardheid in naar voren: ik leef ootmoedig naar Gods verbond; nu zal mij ook de te verwachten zegen ten deel vallen. De keerzijde van dat wel heel kalme vertrouwen is het harde oordeel over hen die niet naar het verbond leven: zij halen de welverdiende vloek over zich heen. Zit het leven met, God nu werkelijk zo overzichtelijk in elkaar?
Wordt in het O.T. al niet de rust, die van deze verbondsbeschouwing kan uitgaan, verstoord door de verwondering over de vreemde wegen die God met de mensen gaat? (zie bv Prediker 7: 15, 16). En sluit daarbij niet aan de voor elk weldenkend mens verbijsterende verkondiging van Paulus, dat God met goddeloze verbrekers van het verbond zijn verbond sluit?! Wat bij de Reformatie door Luther is herondekt en in onze eeuw door een man als Barth indrukwekkend naar voren is gebracht, is dat de Here zo'n vreemde vrijspraak toepast. God spreekt geen rechtvaardigen vrij, zelfs geen 'subjectief rechtvaardige', ootmoedige gereformeerden, maar goddelozen, mensen die schrikken van hun eigen ontrouw en klein geloof.
Genade
Het laatste woord dat Jager ons heeft nagelaten is de tekst boven het bericht van zijn overlijden: "Mijn genade is u genoeg". (II Cor. 12: 9) Prof. van der Leun heeft daar in Opbouw van 5 februari j.l. ontroerend over geschreven.
Ik wil besluiten met een citaat uit Jagers dissertatie, waaruit moge blijken hoe dit bijbelwoord ook in zijn theologische arbeid centraal heeft gestaan. "De verhouding tusschen God en Zijn volk is niet die van opdrachtgever en loonarbeider.
( ) Ze is een genadeverhouding.
( ) Wanneer tusschen de belofte en haar vervulling de voorwaarde van wetsonderhouding wordt ingeschoven, dan vervalt de belofte onherroepelijk, en met de belofte ook het geloof. ( ... ) De belofte vindt haar grond alleen in Gods gunst, in Zijn onverdiende goedetierenheid."
(Rechtvaardiging en z ekerheid des geloofs, JO 7, 122, 125).