Hoedemaker en de Doleantie (2)
1987-02-20
In dit tweede artikel wil ik proberen de figuur van Hoedemaker te plaatsen in het krachtenveld, waardoor de Hervormde Kerk in de vorige eeuw beheerst werd. In dit verband geef ik eerst een korte situatieschets. Binnen de Herv. Kerk waren na 1834 de volgende richtingen te onderscheiden. - Jaargang 31
- nummer 7
Groninger richting
Zij dankt haar naam aan het feit, dat ze uitging van de universiteit van Groningen.
Haar leider was onmiskenbaar de bekende hoogleraar Hofstede de Groot, de voorganger van Hendrik de Cock te Ulrum. De theologen van deze richting koesterden een optimistische mensvisie. De mens moest .en kon hij worden opgevoed tot braafheid en deugd. Daarbij werd Christus gezien als de grote Opvoeder, de ideaalmens, die we hebben te volgen. Hij voedt de mensheid op tot wijsheid en gelijkvormigheid aan God. Uit reactie op een inderdaad verderfelijk intellectualisme, dat aan het verstand een veel te grote rol in het geloofsleven toekende, zagen de Groningers het gemoed als zetel van de godsdienst. Formulieren en dogma's achtten ze uit den boze. Omstreeks 1850 was deze beweging overigens over haar hoogtepunt heen.
De moderne richting
Deze was vooral verbonden aan de Leidse universiteit, waar de hoogleraren Scholten en Kuenen doceerden. Daarnaast kan ook de Utrechtse filosoof Opzoomer als voorman van het modernisme genoemd worden. Door de aanhangers van deze richting werd alle bovennatuurlijke' openbaring ontkend. Daarmee viel uiteraard het geloof in de Schrift en in Christus als Zoon van God. En de vraag kwam, wat dan nog het bijzondere karakter van de kerk kon zijn.
Mannen als Busken Huet en Allard Pierson trokken dart ook de consequentie en legden hun ambt van predikant neer. Maar anderen, als b.v. Meyboom en Zaalberg, schokten de' gelovigen door hun openlijke loochening van fundamentele dogma's der kerk. Met .Pasen kon men van de preekstoel uit hun mond horen, dat de opstandingsverhalen berustten op visioenen van de discipelen en zeker niet op werkelijke feiten.
De ethisch-irenische richting
Bekende namen aan deze richting verbonden zijn D. Chantepie de Ia Saussaye en J. H. Gunning. Hun hoofdstelling was: 'De waarheid is ethisch. Men wilde daarmee zeggen, dat de geopenbaarde waarheid niet een openbaring van begrippen is, niet van geloofswaarheden of leerstukken, maar van leven. God heeft Zich Zèlf geopenbaard. Hij heeft Zich Zèlf aan ons meegedeeld in Zijn Geest. En nu is het heel goed mogelijk, dat iemand een verkeerd, begrip, een valse voorstelling van God heeft, en tóch praktisch bij God hoort. Iemand kan b.v. het dogma van de Godheid van Christus verwerpen, terwijl hij Hem toch in de praktijk van zijn leven als zijn Heer in alles erkent. Verstandelijk ontbreekt zo iemand het inzicht in de waarheid. Maar als zijn hart de Heer op deze wijze toebehoort, dan gelooft hij, volgens het ethische denken, desondanks toch in de waarachtige Christus.
De ethischen verzeten zich tegen het modernisme. Maar hun verzet was niet radicaal. Zij zochten vooral de vrede.
En die vrede verwachtten zij van de doorwerking van hun ethische opvatting van het christelijk geloof. Vandaar dat zij zich ethisch-irénisch noemden. Alle formulieren leerdwang was voor hen ontoelaatbaar. Want hoe kan men met zulke uiterlijke middelen iemand echt innerlijk veranderen!
Een zekere lijdelijkheid was hen niet vreemd. Toen de Leidse predikant Zaalberg in 1864 openlijk de Godheid van Christus loochende, vroeg zijn collega Gunning hem dringend om vrijwillig zijn ambt neer te leggen. Maar toen Zaalberg verklaarde, dat hij zich in zijn geweten voor God volkomen gerechtigd achtte om predikant te blijven, schreef Gunning: "Wij sluiten niet zozeer de dwaalleeraars uit, als wel, dat wij ons zeiven van hen afsluiten. Wij laten hun natuurlijk geheel en al hunne stelling in de Kerk; alleen erkennen wij, dat wij hunne tegenwoordigheid slechts aannemen als eene ons opgelegde beproeving, als een kwaad, dat wij niet met uitwendige weermiddelen van ons afwerpen, maar slechts met 'geestelijke wapenen overwinnen willen". 1) Een typisch ethische reactie!
De confessioneel-gereformeerde richting
Haar voorman was aanvankelijk Groen van Prinsterer. Later gaven met name A. Kuyper en F. L. Rutgers de toon' aan. Naar aanleiding van de Leidse kwestie-Zaal berg verenigden zij zich In 1865 in de' Confessionele Vereniging. Deze vereniging ijverde voor eerherstel van de drie Formulieren van Eenigheid binnen de Herv. Kerk. En tevens stelde zij zich ten doel de modernen langs kerkrechtelijke weg uit de Kerk te verdrijven.
Hoedemaker en de ethischen
Wat was nu Hoedernakers positie in dit kerkelijk krachtenveld? Als er iets is geweest, wat hij hartstochtelijk verfoeide, dan was het partijschap en partijvorming. Hij heeft zich dan ook nooit, noch bij de ethischen, noch bij de gereformeerden als partij willen rekenen. , De stelling bij, Hoedernakers proefschrift, die ik de' vorige week. vermeldde, maakt duidelijk, dat hij zich op het punt van tuchtoefening jegens de modernisten op de lijn van de ethischen bevond. Hij stemde met hen in, dat de Herv. Kerk verplicht was het modernisme in het kader van een normale leerontwikkeling toe te laten. Toch was zijn waardering van het modernisme, alsook van de orthodoxie, duidelijk anders dan die van' b.v. Chantepie de la Saussaye. De laatste had beslist geen feeling voor het orthodoxe denken of voor de orthodoxe geloofsbeleving. Die vond hij maar bekrompen.
Hoedemaker daarentegen voelde. zich verwant met de domste en meest bekrompen boer, die van harte de Heiland als zijn Verlosser beleed.
In 1869 richtten De la Saussaye, Van Toerenenbergen e.a. een tijdschrift op, de "Protestantsche Bijdragen". De Gereformeerden werden hier met opzet buiten gehouden. Maar als Hoedemaker, die ook benaderd werd, dit merkt, haakt hij onmiddellijk af. Hier maakten de ethischen Zich schuldig aan de zonde van de partijschap" die hij zo hartstochtelijk verfoeide.
Ook op het punt van de Schriftbeschouwing verschilde Hoedemaker van de ethischen. Hoedemaker was een fel bestrijder van de Schriftkritiek van de modernen. Maai .nog feller verzette hij zich tegen de 'gematigde toepassing daarvan door. met name de jongere ethischen als Valeton en Wildeboer. Van de doorwerking van de evolutiegedachte in de uitleg van de OT-ische geschriften moest hij niets hebben. Tegenover de rechtzinnige vleugel van de literair-historische school stelde hij met klem, dat het onmogelijk was, uitgangspunt, methode en resultaten van de literair-historische Schriftkritiek geheel of gedeeltelijk te aanvaarden en tegelijkertijd de Christus der Schriften vast te houden. Hij verweet de Olvioi Valeton en Wildeboer, dat zij ten onrechte het vertrouwen van de gemeente voor zich opeisten. Hij achtte hun opvattingen, juist vanwege de schijn van rechtzinnigheid, zelfs nog heel wat gevaarlijker dan de moderne. Hij kon soms zelfs spreken van een strijd op leven en dood met deze manier van denken.
Hoedemaker en de Gereformeerden
Hoedemaker heeft altijd Gereformeerd willen heten, als deze naam maar niet werd verlaagd totpartij-naam. In 1878 hield hij een' redevoering, die later werd uitgegeven onder de titel: "De reformatie en de Gereformeerde Kerk, met een woord vooraf over de vraag: Vormen de Gereformeerden eene partij in de Kerk? ' In deze rede koos hij onomwonden voor de Gereformeerden. Maar we lezen dan o.a.: "Wij wenschen dus de naam 'Gereformeerd' te handhaven, en in de naam het beginsel. Niet om hem voor enkele' uitverkorenen in beslag te nemen. Wat dr Gunning van de benaming 'Ethisch' schreef, kunnen wij op het woord 'Gereformeerd' als onderscheidingstekenen toepassen: "Wij matigen ons deze titel niet aan, maar wenschen hem te verdienen". 2) Hoedemaker wilde Gereformeerd heten in de lijn van de officiële belijdenisgeschriften van de Herv. Kerk. Zijn verwijt aan het adres van de etischen was dan ook, dat zij zich te weinig aan de belijdenis gelegen lieten liggen. Aan de andere kant echter meende hij, dat de Gereformeerden aan de belijdenis juist teveel gewicht toekenden.
Maar daarover de volgende keer.
Noten
1) J. C, Rullmann, De strijd voor kerkherstel in de Nederlandsch Hervormde Kerk der XIX eeuw, Kampen 1928, blz. 144.
2) J. Schokkmg e.a., Dr Ph. J. Hoedemaker 1868-1908, Gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambtsbediening, Leiden 1908,blz. 68 v.