Een diakonale gemeente (2, slot)
1989-09-15
Jezus Christus zelf is het, die zijn discipelen de houding geleerd heeft die noodzakelijk Is voor een diaconale taak van de gemeente. We zagen vorige week, dat Hijzelf de discipelen In de voetwassing een voorbeeld van nederigheid gaf. Het is metterdaad Gods bedoeling, dat deze houding kenmerkend Is voor ons allemaal. Dat we ons allen jegens elkaar omgorden met nederigheid.- Jaargang 33
- nummer 19
En vooral: dat we dat doen In de navolging van Christus.
Bijzonder duidelijk blijkt dat in Filippenzen 2, waar Palus de gemeente op klemmende wijze oproept tot dienstbetoon. "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is" (vs.5-7). Wanneer we hier opgeroepen worden tot dienstbetoon, tot de gezindheid van Christus, dan is Christus niet alleen de norm waaraan we onszelf moeten meten, maar ook de bron van onze houding. Uit zijn offer putten we de kracht; alleen als we met Hem gestorven en opgestaan zijn kunnen we bij ons dienstbetoon werkelijk letten op het belang van de ander.
De gebruikelijke gang van zaken in onze gemeenten is om, zodra er een bepaalde noodzaak toe is, te gaan zoeken naar mensen die hulp kunnen bieden. Is er geen nood, dan zoek je ook niet naar mensen. Ten aanzien van de ambtsdragers ligt dit al heel eenvoudig: doorgaans is er een vastgesteld aantal 'functies'. Als er een vacature is, zoek je naar vervuiling daarvan en als. dat gelukt is is er niemand meer nodig. Maar zo geldt dat ook voor andere taken in de gemeente. Pas wanneer er werk te doen is, zoek je naar arbeiders. Dit lijkt ook het meest voor de hand te liggen: wie gaat er nu werk zoeken?
Erbij betrokken worden
Maar hoe kijken we er dan tegen aan; als er leden van de gemeente zijn, die 'erbij betrokken' willen worden?
Zowel als ze hier zelf om vragen als ook wanneer je de stellige indruk hebt dat ze dit nodig hebben.
Is dit legitiem, mag dit wel en moeten we hierop ingaan? Ik meen van wel.
In 1 Kor. 12: 12-31 bespreekt Paulus de twee meest gangbare redenen om de kerk voor gezien te houden.
Hij spreekt daar over de gemeente onder het beeld van één lichaam met vele leden. Het is heel wezenlijk voor het functioneren van een Iichaam, dat álle ledematen met elkaar verbonden zijn. Nu noemt Paulus twee mogelijke storingen. Ik zet ze hier onder elkaar: a "indien de voet zeggen zou: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam?" (vs. 15-19) .
b "en het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig" (vs. 20-25).
Er zijn dus twee manieren, waarop een lid ten onrechte buiten de gemeenschap van het lichaam kan komen te staan. In de eerste plaats als hij zelf zegt: ik hoor er niet bij, ik tel niet mee. Maar de tweede ernstige storing is als tegen iemand gezegd wordt: wij hebben u niet ·nodig! Beide keurt de apostel op gelijke wijze af als onmogelijk binnen de gemeente van Christus.
Nu lijkt het me niet toevallig, dat de apostel in de eerste plaats het gevaar signaleert dat iemand zélf ten onrechte zegt: "ik hoor er niet bij".
We moeten bepaald niet vergeten, dat ieder mens in dit opzicht z'n eigen verantwoordelijkheid heeft.
Laat ieder maar eerst bij zichzelf te rade gaan of hij niet ten onrechte mokt. Toch wordt ook de andere zijde belicht. En dat is de situatie, dat vanuit de gemeente tegen een van de leden wordt gezegd: "wij hebben u niet nodig". Letten we hierbij op de formulering. De bewoordingen lopen niet parallel. Paulus suggereert niet dat er gezegd zou worden: "jij hoort er niet bij". Dat zou uiteraard helemáál erg zijn, maar de apostel formuleert scherper.
We behoren ook niet te zeggen (of uit te stralen) dat iemand niet nodig zou zijn. Wel gemist kan worden.
Andersom denken
Me dunkt dat hierin een belangrijke richtlijn zit voor de inschakeling van de gemeente. Het wordt minder vanzelfsprekend om alleen te kijken 'of we iemand nodig hebben'. We zullen ons ervoor hebben in te spannen, dat niemand in de gemeente zich 'onnodig' voelt. Misschien vraagt dat van ons om te leren andersom te denken. Meer gericht op de inschakeling van gemeenteleden dan op het klaren van de klus.
Ambtsdragers die meer zoeken naar de aanwezige gaven in de gemeente dan dat ze de hele pastorale en diakonale last met zich meedragen.
Gemeenteleden die geen ambtsdragers verkiezen om van het werk af te zijn, maar om zich te laten toerusten tot dienstbetoon. Die daarbij niet nalaten om de ambtsdragers te wijzen op problemen die er zijn én op mogelijkheden om hier iets aan te doen.
Van dit andersom denken biedt de Here Jezus zelf een uitnemend voorbeeld in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Mat. 20: 1-16).
We komen daarin het merkwaardige element tegen dat de heer van de wijngaard tot vijf keer toe naar de markt gaat om werknemers te zoeken. Wij zijn geneigd om te denken: wat mankeert die man toch? Was hij niet in staat om een behoorlijke werkplanning te maken? Viel het werk zo tegen? En stellig, vanuit bedrijfsmatig standpunt lijken deze gangen naar de arbeidsmarkt meér op paniekmaatregelen dan op verstandig beleid. Zeker die keer dat hij op het elfde uur ging. Echter: als we zo lezen hebben we van de gelijkenis niets begrepen. Het motief is geen ogenblik dat het werk niet gereed zou komen. Het motief is in vers 3 te vinden: de heer ging naar buiten en "zag nog anderen werkloos op de markt staan". Het enkele feit dat hij mensen werkloos terzijde zag staan was voor hem reden om hen in de wijngaard te roepen. Of dat ook andersom denken is! In navolging van de grote Heer van de wijngaard moesten wij maar proberen hier ernst mee te maken. In het diepe besef dat alle diakonaal werk in de strikte zin van het woord genade is. Wij mogen meewerken en de anderen mogen dat ook. Opdat niemand het gevoel heeft: ik ben niet nodig!
"Een diakonale gemeente" is de titel van de brochure, waaruit nu en in het vorige nummer een deel werd gepubliceerd. De brochure zelf (32 pag.) kost f 2,50 per stuk. De verzendkosten zijn f 2,- ongeacht het aantal. Te bestellen door overmaking op giro 620511 t.n.v. Ned. Geref. Kerk van Rijswijk, te Delft, met vermelding: diakonaat.