Lokale cultus gewettigd (2)
1989-09-15
- Jaargang 33
- nummer 19
Onderscheid tussen liet godsdienstige en het profane slachten
Wanneer de kwestie van het al of niet geoorloofd zijn van de lokale cultus aan de orde komt, zul je goed moeten letten op het onderscheid tussen het godsdienstige en het profane slachten.
Het zoeken van verzoening en het betuigen van dank aan de HERE moest plaats hebben daar waar de HERE Zelf Zich liet vinden - bij het bloed der verzoening, dat heen wees naar Christus.
De HERE heeft dat niet pas in Josia's dagen, maar van het begin af aan Israël ingeprent. Mozes heeft dat voordat ze Kanaän binnengingen - zoals er uitdrukkelijk bijgezegd wordt: toen ze de Jordaan nog niet overgetrokken waren (Deut. 12:10) aan het volk voorgehouden. Denk er om: als ze straks eenmaal woonden in het land dat de HERE hen zou doen beërven, dan zult gij naar de plaats, die de HERE, uw God verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, alles brengen wat Ik u gebied: uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en wijgeschenken, enz." (Deut. 12:11).
Bij het maaloffer of vredeoffer, ook wel dankoffer genoemd, werd een deel van het vlees 'aan de priesters' gegeven. Het andere deel was bestemd voor de offeraar zelf. Die mocht er met zijn gezin een offermaaltijd van houden - met de Leviet van zijn woonplaats erbij - en "zich verheugen voor het aangezicht des HEREN" (Deut. 12:12).
David zingt in Psalm 22 kennelijk van deze gelofteoffers, waarvan de genodigden' tot verzadiging toe' mochten eten:
"Van U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in tegenwoordigheid van wie Hem vrezen.
De ontmoedigen zullen eten en verzadigd worden ..."
We denken hier ook aan het grote offerfeest bij de tempelinwijding, dat voor die gelegenheid gecombineerd werd met het Loofhuttenfeest, en waaraan heel het volk aan de overvloedige feestmalen deelgenomen heeft (1 Kon. 8:62-66).
Het profane slachten was van dit alles echter door de HERE streng onderscheiden.
Na de bepaling dat ze hun offers niet mochten brengen op elke willekeurige plaats (Deut. 12:13, 14), zei Mozes: ..Gij moogt evenwel slachten en vlees eten zoveel gij wilt, overeenkomstig de zegen, die de HERE, uw God, in al uw woonplaatsen geeft, de onreine zowel als de reine mag , daarvan eten, als van een gazel en van een hert: (zoals men aan een gewoon feestmaal wildbraad eet).
(Deut. 12:15) Wilden ze uit hun kudden een dier slachten, om thuis weer, eens lekker een stukje vlees te eten, dan was daar geen enkel bezwaar tegen.
Alleen mocht het geen godsdienstige maaltijd worden, bij hen thuis zoals de heidenen deden, die ter bevrediging van hun godsdienstige behoeften, van iedere slachtplaats een offerplaats maakten.
Als de afstand tussen hun woonplaats en de plaats die de HERE verkiezen zou, te groot was ...: geen bezwaar, eet rustig thuis vlees, maar eet het als van een hert of een gazel. En: niet godsdienstig! (Deut. 12:20-22).
Immers, aan de gewoonte van de heidenen, om van elke slachtplaats een offerplaats te maken lag de gedachte ten grondslag, dat de godheid het maximum van onze godsdienstige prestaties eist, en dat de mens het 'goed moet maken' met zijn godsdienstig leven.
Maar de Israëliet behoefde het niet zelf 'goed te maken' door veel godsdienstigheid.
Dat is de gedachte van de religieuze naturen, als van Manasse, die zelfs zijn eerstgeborene offerde voor de godheid. Maar op de vraag: Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding?", antwoordde de profeet Micha:' ..Hij heeft u bekendgemaakt, 0 mens wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God". (Micha 6:7,8).
De religieuze naturen spreken over hun godsdienst.
Maar de HERE sprak van Zijn verbond, waarin Hij het 'goed maakt', daar het bloed der verzoening en ' waarin Hij van Zijn volk alléén vraagt: geloof en bekering, als wandelen in het verbond.
Dit is een belangrijk gegeven, dat voor de 'vraag of men op één of meerdere plaatsen offeren mocht de vraag van de lokale cultus of centraal heiligdom - m.i. doorslaggevend is.
Elkaar tegensprekende voorschriften?
De vraag is nu: Spreken Exodus 20:24-26 en Deuteronomium 12 elkaar tegen? Onmiddellijk na de wetgeving op de Sinaï, waarschuwde de HERE er Zijn volk nog eens uitdrukkelijk voor dat ze geen ziiveren of gouden afgoden zouden maken (Ex.20:23): En toen volgde direct een voorschrift over ,hoe het dan wél moest: 'Een altaar van aarde zult gij voor Mij maken en daarop offeren uw brandoffers en uw vredeoffers, uw kleinvee en uw runderen. Op welke plaats (waar ze toen naar toe zouden reizen, vanaf de Sinaï) waar Ik mijn naam doe gedenken, zal ik tot u, komen en te zegenen".
De moeilijkheid is nu, dat men hierin een voor Israël ten allen tijde geldende wet heeft willen lezen, als zou het geoorloofd zijn op alle plaatsen, overal in het land, de HERE offeranden te brengen. En dat is dan in , strijd met de gedachte dat Israël op één bepaalde plaats moest offeren, n.1. in het centrale heiligdom – de passage van Deut. 12:5 v.v., 'de plaats die de HERE verkiezen zal'.
Spreken ze elkaar inderdaad tegen?
Allereerst een enkele opmerking wat Exodus 20 betreft: Toen de HERE dit afkondigde was er nog geen centrale plaats voor de eredienst - de tabernakel was nog niet gebouwd.
Toen beloofde Hij, dat als Israël Hem zocht - niet in afgodische cultus, zoals ze in Egypte hadden gezien, maar in de lijn van de aartsvaders zij een altaar voor Hem bouwen mochten en Hij tot hen zou komen en hen zou zegenen. Zoals Mozes dan ook deed. Hij bouwde een altaar voor de HERE, onderaan de berg (Ex. 24:4). Zoals het ook in dezelfde lijn lag dat Jozua een altaar bouwde op de berg Ebal omdat de HERE dat uitdrukkelijk geboden had. Maar het moesten altaren zijn van zoden of van onbehouwen steen.
Geen blijvend altaar. Het moest na gebruik weer snel vervallen. Zolang Israël 'de plaats der rust' niet bereikt had, zou de HERE zelf voor het bouwen van zo'n altaar bevel geven.
Calvijn schreef in zijn commentaar op Jozua 8:31: ..Ook liet God de plaats niet door het volk zelf uitkiezen, maar hield het recht steeds aan Zichzelf'.
Terecht was Israël er later dan ook beducht voor om op eigen gelegenheid een altaar op te richten. Dat blijkt uit Jozua 22, waar de ene helft, van Israël de andere bezweert toch geen altaar voor de HERE te bouwen bij de Jordaan, om offeranden te brengen. Eerst als zij horen dat het als een 'getuigenis' bedoeld, is zijn ze gerust.
Men zou eerst van een afwijking kunnen spreken in het geval van Gideon (Richt. 6:24), maar men vergete het bijzondere van zijn positie en situatie niet.
Maar dan nadert het moment waarop de HERE Zelf de plaats aanwijst die Hij verkiest. Dat gebeurt in Davids dagen. David ontvangt van Godswege het bestek van een tempel, die er bijna vier eeuwen zal staan. Salomo, die hem bouwt, is 'de man van rust' (1 Kron. 22:9). David zong in Psalm 132 van die verkiezing: Want de HERE heeft Sion 'verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: dit is mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb ik begeerd. (vs 13,14) Dan wordt Deuteronomium 12, over de plaats die de' HERE verkiezen zou, om zo te zeggen vervuld. De in Deut. 12 bedoelde situatie treedt in. Maar het spreekt Exodus 20 niet tegen of is er niet mee in strijd. Want ook in Ex. 20 was al aan Israël geleerd niet naar eigen believen te handelen en overal offerplaatsen te stichten, zoals de heidenen deden. Het moest wachten tot het de HERE behaagde voor Zijn Naam ergens gedachtenis te stichten. In Deut. 27 komt er dan een uitvoerige opdracht voor het bouwen van een altaar van onbehouwen stenen op de berg Ebal (vs. 4,5).
Er is geen reden om Ex. 20 en Deut. 12 tegen elkaar uit te spelen.
Er is ook geen reden om te verklaren dat de centralisatiegedachte van Deut. 12 pas in de dagen van Josia 'klaar gemaakt" is.
En in verband met het essentiële belang van de dienst bij het-bloed-der-verzoening-alleen, is het niet plausibel om te veronderstellen, dat de HERE de scherpe onderscheiding van godsdienstig en profaan, pas in een late tijd' zou geopenbaard hebben.
Daar is ze te belangrijk voor in de dienst van de HERE.
(wordt vervolgd)