Persschouw

1989-09-15
  • Jaargang 33
  • nummer 19
Wij spraken met…

Ds. J.D. Janse, emeritus-predikant van de Nederlands-Gereformeerde, kerk van 's -Gravenhage en met Ds.
W. Smouter, Nederlands-Gereformeerd predikant te Rijswijk,
Op de generale synode van onze kerken dit jaar zal ook de verhouding van de Christelijke Gereformeerde kerken tot de Nederlands-Gereformeerde kerken agendapunt vormen. Het leek de redactie goed over die verhouding eens van gedachten te wisselen met twee predikanten van de Nederlands-Gereformeerde kerken, die door de jaren heen intensieve contacten met de plaatselijke christelijke Gereformeerde kerken onderhielden.

Bij u ds. Janse al geruime tijd en bij u, ds. Smouter wat korter, maar beiden dient u een gemeente die nauwe contacten onderhoudt met de Christelijke Gereformeerde kerk ter plaatse. Er bestaan vrij vergaande vormen van samenwerking en zowel in Den Haag als in Rijswijk vindt vrij geregeld kanselruil plaats. Hoe beoordeelt u de situatie op dit moment?
Groeit men kerkelijk en geestelijk meer naar elkaar toe?
Ds. Janse: "We hebben elkaar door de jaren heen steeds beter leren kennen en we zijn elkaar in elkaars geestelijke eigenheid steeds beter gaan begrijpen. Het samen doen in de gemeenschappelijke diensten en niet in de laatste plaats ook de vele gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen, hebben daartoe zeker bijgedragen.
Er lijkt wel een zekere grens bereikt, waar overheen we kennelijk niet kunnen komen. Er zijn bijvoorbeeld gesprekken gevoerd over gemeenschappelijke avondrnaalsviering. Die hebben nog geen vervolg gekregen. De plaatselijke saamhorigheid in de eigen gemeente, bij ieder vanuit de eigen geschiedenis gegroeid, lijkt een sta-in-de-weg te zijn naar hechtere eenheid. Er is zeker sprake van een hartelijke relatie en tegelijk is er aan beide kanten het gevaar van het zich opsluiten in een soort clubjes-geest.
En natuurlijk zijn er ook verborgen weerstanden.
Ds. Smouter: "Ook in Rijswijk bestaan goede contacten tussen beide kerken. De kanselruil wordt daarbij als aanvulling en verrijking ervaren.
Verdere concrete stappen staan ons op het moment niet voor ogen. Wel zoeken we als gemeenten naar dingen die we gemeenschappelijk kunnen doen. Persoonlijk zie ik weinig of geen perspectief voor verdere kerkelijke stappen.
Maar het is al belangrijk als we elkaar steeds beter leren kennen, omdat het het oordeel over de ander anders maakt. Je leert behoedzamer over elkaar te oordelen. We hebben elkaar echt als zusterkerken leren zien. Voor ons is een zaak als gemeenschappelijke avondmaalsviering niet eens zo belangrijk. 't Gaat er ons in onze samenwerking niet om dat we elkaar niet langer zullen verketteren, ook niet om onderling een wat prettiger sociaal klimaat te scheppen. Ook staat ons niet zo zeer het imago van de kerk naar de wereld toe voor ogen. Onze houding als kerken ten opzichte van de Here God is bepalend. Daarbij denken, we dan niet alleen aan Johannes 17. Minstens zo belangrijk is het woord van de apostel Paulus uit 1 Corinthe 1:13 "Is Christus gedeeld?" Als ik het over kerkelijke eenheid heb, blijven die woorden in mijn achterhoofd zinderen."

Op landelijk niveau gezien kan niet worden gezegd dat men als Nederlands-Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde kerken dichter naar elkaar opschuift. Op het niveau van onze deputaten en de landelijke vertegenwoordigers van uw kerken worden al maar dezelfde vragen gesteld en dezelfde antwoorden gegeven, zonder dat wie dan ook maar het gevoel heeft dat er van echt geestelijke toenadering tot elkaar sprake is. Welke waarde hebben deze samensprekingen in uw oog? Blijkt uit wat periodiek over deze samensprekingen wordt verslagen niet dat we in de sfeer van de geloofsbeleving zo ver uit elkaar liggen, dat we nooit verder zullen komen dan wederzijdse erkenning van het feit dat we op dezelfde wortel van Schrift en belijdenis stoelen en dat we elkaar op grond daarvan maar moeten respecteren?
Ds. Smouter: "Ik ben enige tijd geleden voor het eerst bij die samensprekingen aanwezig geweest. Er wordt daar op open en zeer indringende wijze met elkaar gesproken.
Onder open te verstaan: geen omtrekkende bewegingen maar heel direct. Maar de opzet van deze gesprekken vind ik fundamenteel onkerkelijk.
Ik bedoel daar dit mee.
Binnen de Christelijke Gereformeerde kerken wordt geënquêteerd naar de mening over de Nederlands Gereformeerde kerken. Dat levert dan een lijst met bezwaren op waaruit (overigens anoniem) kan worden geput om in de samensprekingen mee bezig te zijn. Als de eerste enquête op is volgt een tweede. De bezwaren richten zich in hoofdzaak op ambtsdragers, die in hun doen en laten op het punt van prediking en pastoraat uit de pas zouden lopen. Ik vind de structuur van dit spreken en handelen bezwaarlijk.
De christelijk-gereformeerden beschikken over een groot reservoir aan bezwaren waarvan de herkomst niet duidelijk is. Ik zelf heb die ervaring niet maar verscheidene collega's van mij voelen zich wel eens in de beklaagdenbank zitten. Ik moet wel zeggen dat de gesprekken soms tot gedachtenwisselingen over heel essentiële zaken leiden, maar het lost niets op. Ook al zouden wij als Nederlands-gereformeerden de drie formulieren van enigheid elk drie keer ondertekenen dan nog neemt dat bij een deel van de christelijk-gereformeerden de bezwaren niet weg."
Ds. Janse: "Weten deputaten eigenlijk wel goed wat hier en daar op plaatselijke niveau gebeurt?
Waarom komt men niet eens praten op plaatsen waar van een hechte en goede samenwerking sprake is?"
Beiden: "Er is nu eenmaal een opdracht tot samenspreking. En er is ook zo iets als een wederzijdse erkenning als kerken van Christus. Het moet dus, maar het wil niet. We zitten met elkaar in de wagen en we rijden rondjes, zonder een duidelijk doel voor ogen te hebben. Soms ontkomt men niet aan de indruk dat 'de boot wordt afgehouden' en dat steeds nieuwe argumenten worden gezocht om de boot blijvend af te houden."
Ds. Janse: "Ik ben mij overigens goed bewust dat voor sommigen onder u de bezwaren tegen ons heel reëel zijn. Het zijn dikwijls dezelfde bezwaren die men ook tegen sommigen binnen eigen kring heeft. En juist die gemeenten waartegen men bezwaren heeft, werken met ons samen. Dat maakt het dubbel moeilijk. Te weinig wordt overigens beseft dat er aan beide kanten problemen en bezwaren bestaan. Als ons de vraag wordt gesteld: wat doen jullie met kerken die kinderen tot het avondmaal toelaten, kunnen wij de vraag stellen: en wat doet u met kerken die belijdenis der waarheid laten afleggen? Als ons wordt gezegd: u hebt de kerkorde niet, kunnen wij reageren met: u hebt er dan wel een, maar men houdt er zich lang niet in alle opzichten aan. Ons past wederzijds grote bescheidenheid."

Dit is het eerste deel van een verslag van een vraaggesprek, dat de chr. gereformeerde D. Koole had met twee ned. gereformeerde predikanten.
We troffen het aan in het bekende blad: DE WEKKER. Verschillende interessante punten komen hierin ter sprake. Omdat het stuk te lang is om in één keer te plaatsen moesten we het helaas in tweeën knippen. In het volgende nummer van OPBOUW hopen wij het tweede deel op te nemen en het geheel van een kort kommentaar te voorzien.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief