Oefent U in de Godsvrucht

1988-04-22
  • Jaargang 32
  • nummer 16
Een van de dingen die karakteristiek zijn voor evangelische christenen, is de aandacht die zij besteden aan het geestelijk leven. Zij brengen het niet alleen gemakkelijk ter sprake, maar maken er ook werk van. Velen van hen houden 's morgens vroeg een 'stille tijd', waarin zij zich door gebed en bijbellezing willen openstellen voor God. Zij maken gebruik van in boekjes aangereikte methodes, om zich toe te leggen op groei in het geloofsleven. Zij maken tijd voor lofprijzing in huiselijke kring en nemen geen gewichtige beslissingen, zonder onder bidden en vasten naar God te hebben opgezien.

Die zorgvuldige onderhouding van de omgang met God roept bij heel wat gereformeerden gevoelens van herkenning en waardering op. Anderen echter is deze innige vroomheid vreemd. Sterker nog: er zijn gereformeerde mensen die het irriteert, dat houden van 'stille tijd' en dat stelselmatige werken aan de beleving van het geloof. Zij vinden het al gauw 'zweverig' of 'overgeestelijk' en zien er in wezen het nut voor het christelijk leven niet van in. In dit en de komende nummers van Opbouw wil ik iets laten zien van de traditie van de christelijke ascese, omdat de 'oefening van de godsvrucht' daarin haar wortels heeft. Op die manier hoop ik enigszins op te helderen, waarom. er vanuit de gereformeerde geloofsbeleving soms wat argwanend tegenaan wordt gekeken.
Maar vooral wil ik ervoor pleiten ons vanuit die traditie te laten toerusten, zodat wij niet weerloos staan tegenover de verschraling van het geestelijk leven, die ons in deze tijd van sekularisatie meer bedreigt dan ooit tevoren.

Ascese
In I Timotheüs 4 : 7 staan de woorden waaraan het opschrift boven dit artikel is ontleend. Paulus gebruikt het woord 'oefenen' even later nog eens, wanneer hij de visie afwijst als zou men dichter bij God kunnen komen door zichzelf allerlei beperkingen op lichamelijk gebied op te leggen (vers 8; vgl. vers 3). Die oefening is van weinig nut; zij heeft meer met werken der wet te maken dan met het geloof. Dat betekent echter niet, dat het christelijk leven tot luiheid uitnodigt - integendeel. Op meer dan één plaats wordt in het Nieuwe Testament duidelijk dat de ware vroomheid om inspanningen, om training vraagt. In I Cor. 9 : 24 en 25 vergelijkt Paulus de gelovigen met atleten die hun zinnen om zo te zeggen op het Olympisch goud hebben gezet. Wat is de overeenkomst?
Beide moeten zichzelf in alles beheersen, dat wil zeggen zeer gedisciplineerd leven om het doel te bereiken! In 11Petrus 1 : 6 is eveneens van zelfbeheersing sprake, nu in verband met de godsvrucht: tegenover de losbandigheid van de goddelozen (2 : 2,7, 18) staat de discipline van de godvruchtigen (3 : 11, 14). Die bestaat daarin, dat zij weerstand bieden aan de begeerten die alleen maar verderf brengen in de wereld (1 : 4). Zie ook nog Romeinen 13 : 14 en Hand. 24 : 25, waar datzelfde woord 'zelfbeheersing' wordt weergegeven met 'ingetogenheid'.
Het is duidelijk dat de 'oefening in de godsvrucht' waartoe I Tim. 4: 7 oproept, verwant is aan de gedisciplineerde levensstijl waarop de hierboven genoemde plaatsen aandringen. Denk maar aan 11 Tim. 2 : 22, waar Paulus tegen Timotheüs zegt: "Schuw de begeerten der jeugd en jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar liefde en vrede." Daarbij moet bedacht worden, dat Paulus een leven in zelfbeheersing ten goede ziet komen aan de omgang met God. Te wijzen valt op I Cor. 7: 5, .. waar de onthouding van de sexuele gemeenschap in dienst staat (en moet staan) van het gebed. Omgekeerd worden de gebeden belemmerd waar de lusten niet in toom worden gehouden, I Petrus 3: 7. Vgl. 4: 7: "Leid een sober leven om vrij te zijn voor gebed" (vertaling Groot Nieuws Bijbel). Natuurlijk moet hier ook het vasten genoemd worden, dat nooit een doel op zichzelf is maar altijd dient ter koncentratie op de gebeden, vgl. bv. Hand. 14:23.

De oefening in de godsvrucht is dus meer dan alleen een gedisciplineerd omgaan met lusten en hartstochten; die zelfbeheersing heeft als doel, dat men zich kan toeleggen op de omgang met God. Deze inspanning om ruimte te scheppen voor de toewijding aan de Here staat bekend als ascese - een van oorsprong Grieks woord dat ... 'oefening' betekent! Het zal nu duidelijk zijn, waarom wij de evangelische broeder die' 's morgens voor dag en dauw opstaat om zich te richten op gebed en bijbellezing, vanuit de traditie van de christelijke ascese mogen zien komen. Hij bedwingt immers zijn lust om nog drie kwartier op één oor te liggen, teneinde ernst te maken met zijn omgang met God! Alvorens in te gaan op de vraag, hoe deze ascese vanuit de bijbel beoordeeld moet worden, wil ik nu eerst enkele voorgangers van onze broeder de revue laten passeren. Ik begin bij de kluizenaars die zich in de vierde eeuw terugtrokken in de woestijn; vervolgens komt het begin van de kloostervorming aan de orde; daarna de ascese van de Moderne Devotie (Geert Grote, Thomas á Kempis) en tenslotte die van de Puriteinen in de zeventiende eeuw.

De woestijnvaders
Reeds in de beginjaren van de kerk zijn er mensen geweest, die getroffen waren door de intensiteit van de omgang met God waar sommige Schriftplaatsen op wijzen. Neem nu eens de opdracht van Paulus in I Thessalonicenzen 5 : 17: Bidt zonder ophouden!
In de vierde eeuw na Christus trokken bepaalde christenen zich in' de eenzaamheid terug, om aan dit woord van . de apostel letterlijk te voldoen. Zij zochten naar een levensstijl, waarin het mogelijk was om zich permanent te wijden aan het gebed. Zij meenden die te vinden in de stilte van de onherbergzame wildernis: daar, ver verwijderd van het stedelijk gewoel, trachtten zij te komen tot de koncentratie die in het gewone leven niet haalbaar was. Wij kennen deze kluizenaars als de 'woestijnvaders' .
Uiteraard bracht die levensstijl allerlei ontberingen met zich mee: hef was een hard bestaan, ontdaan van alle comfort.
Vaak droegen zij daaraan nog bij door zichzelf allerlei extra beperkingen op te leggen, zoals een langdurig vasten of een urenlang stilstaan onder het bidden.
Op die manier streefden zij naar afsterving van de wereldse geneugten. Van een van hen wordt verhaald, dat hij drie jaar lang een steen in zijn mond had gehouden, tot hij geleerd had te ... zwijgen!
Maar de ontberingen waren niet alleen van lijfelijke aard; de eenzaamheid riep ook aanzienlijke psychische spanningen op: men werd uitzonderlijk heftig gekonfronteerd met zichzelf, met zijn hartstochten, zijn aanvechtingen, zijn gedachten. Met een ongelooflijke krachtsinspanning vochten zij tegen alles wat hen van de dienst aan God af hield. Het is geen wonder dat zij die strijd ten diepste hebben ervaren als een worsteling met de duivel zelf, die zij zichtbaar aanwezig waanden. Opvallend is het grote accent dat zij legden op de nederigheid; veel oefeningen en gebeden hadden ten doel de geestelijke hoogmoed te breken.

In de geschriften die zij hebben nagelaten vinden wij de neerslag van deze geestelijke worsteling. Enerzijds is dat een merkwaardig relaas van een extreem doorgevoerde zelfbeheersing en een overspannen aandoende geestelijke strijd; anderzijds is daarin een kennis van de diepten van de menselijke ziel te vinden die niet nalaat indruk te wekken.
Ik geef van die wijsheid een enkel voorbeeld.
Er werd van een van de ouden verteld dat hij het volhield zeventig weken te vasten door maar eens per week te eten. Die oude vroeg aan God hem de betekenis te openbaren van een bepaalde bijbeltekst, maar God willde dat niet doen. Toen zei hij tegen zichzelf: Moet je zien watje allemaal gedaan hebt, en je schiet er niets mee op! Ik zal naar een van de broeders gaan en het hem vragen.
Toen hij de deur uitgegaan was en die achter zich sloot, en net begon te lopen, kwam hem een engel van de Heer tegemoet die zei: "Die zeventig weken vasten hebben je niet dichter bij God gebracht; maar nu je jezelf vernederd hebt en het je broeder gaat vragen, word ik gestuurd omje de betekenis van die tekst te openbaren."
En toen hij de broeder die betekenis had uitgelegd, ging hij heen.

Protest tegen de verburgerlijking
Het behoeft geen betoog dat wij hier met een vorm van ascese te maken hebben, waarin men leek te hebben vergeten dat Paulus schreef over de nutteloosheid van de oefening van het lichaam.
De 'woestijnvaders' staan met deze rigoreuze oefeningen wel heel ver van ons af. Toch moet hun optreden ons te denken geven. Zij hebben zich namelijk in groten getale in de woestijn teruggetrokken op het moment, dat het christelijk geloof in het Romeinse rijk zoiets als de staatsgodsdienst werd. De tijd"
van de vervolgingen was voorbij; het was zelfs aantrekkelijk geworden om tot het christendom over te gaan: voor bepaalde ambtelijke funkties kwam je niet in aanmerking als je geen christen was.
Het spreekt vanzelf dat daardoor het gevaar van verburgerlijking van het christelijk gelooflevensgroot was en dat de diepte van het geestelijk leven gemakkelijk verloren kon gaan. De vlucht van de woestijnvaders, weg uit de beschaafde wereld, is dan ook op te vatten als het zoeken van een tegenwicht tegen een oppervlakkig christendom. De weg die zij kozen is ongetwijfeld hoogst zonderling; hun beweegredenen echter zijn zeer herkenbaar. Want is het inderdaad niet moeilijk om de oorspronkelijke radikaliteit van de navolging van Christus terug te vinden in een verburgerlijkte kerk?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief