Oefent U in de Godsvrucht! (2)

1988-04-29
  • Jaargang 32
  • nummer 17
Kloostervorming
Terwijl de woestijnvaders op zichzelf leefden, waren er in diezelfde tijd mensen die streefden naar eengemeenschappelzjke oefening in de godsvrucht. Zij legden zich in groepsverband toe op de toewijding aan God en kwamen daarbij tot een steeds strakkere organisatie. De gemeenschap stond onder leiding van een abt (bij vrouwen: abdes), aan wie degenen die toetraden absolute gehoorzaamheid verschuldigd waren.
Er werden regels opgesteld die betrekking hadden op de arbeid, de maaltijden en de kleding, maar niet minder op het doel dat men gezamenlijk voor ogen had: het gebed en de lofprijzing. Daarvoor vond men aanwijzingen in de bijbel.
Neem nu eens Psalm 119: 164:
Zevenmaal daags loof ik U om uw rechtvaardige verordeningen.
Duidt dat niet op een stelselmatige aandacht voor de lofprijzing? Denk ook aan vers 62 van dezelfde psalm:
Te middernacht sta ik op om U te loven wegens uw rechtvaardige verordeningen.
Zo kwam men tot een indeling van de dag en de nacht in afgebakende gebedsuren, waarin Schriftlezing en lofprijzing hun plaats hadden. Maar de systematisering ging nog verder. Want al was zo'n kloostergemeenschap (claustrum = afsluiting) letterlijk dag en nacht in touw om de omgang met God gestalte te geven, natuurlijk was daarmee niet automatisch de koncentratie op al die gebeden gegeven. Ook in die moeite schoot men elkaar tehulp met allerlei vanuit de praktijk geboren adviezen en richtlijnen. .

Verstrooidheid
Ik citeer enkele regels van Basilius de Grote (329-379), die nauw betrokken was bij de opstelling van de leer van de drieëenheid van God, maar die zich ook over heel andere problemen heeft uitgelaten ...

Vraag: Hoe moet men hem beschouwen die komt wekken voor het gebed?
Antwoord: Als iemand beseft wat hij met slapen verliest (want de ziel is zich nog niet eens bewust van zichzelf), dan beseft hij ook de winst van het wakker zijn, en vooral de zeer hoge eer om God in gebed te mogen naderen. Hij zal dan ook als schenker van grote en elk verlangen te boven gaande weldaden beschouwen, die hem komt wekken voor gebed ..

Vraag: Hoe moet men het aanleggen om onder het gebed niet af te dwalen?
Antwoord: Men moet overtuigd zijn God voor zich te hebben.
Want wie een prefect of magistraat aanziet en zich met hem onderhoudt, laat zijn ogen niet afdwalen. Hoeveel te meer moet wie bidt tot God zijn geest niet laten afdwalen, want God doorzoekt hart en nieren.

Vraag: Of het mogelijk is om overal en altijd zonder verstooidheid te zijn, en hoe men dat tot stand moet brengen.
Antwoord: Dat het mogelijk is, bewijst wel hij die sprak: "Mijn ogen zijn voortdurend op de Heer gericht" (Psalm 25 : 15), en "Ik zag God bestendig voor me, want Hij staat aan mijn rechterzijde, zodat ik niet wankel" (Psalm 16 : 8). hoe dat kan, heb ik al eerder gezegd, door namelijk de ziel geen ogenblik toe te staan de gedachte aan God of aan zijn werken of zijn gaven los te laten, of op te houden Hem boven alles te prijzen en te danken.

Streng
Uit zulke woorden blijk wel, hoe streng de discipline was die men zichzelf in het klooster moest opleggen. Door geloften te doen verplichtte men zich ertoe, de levensstijl in acht te nemen die voorwaarde was voor het bereiken van een zo totale toewijding aan God. Benedietus van Nursia (480-547) stelde een uitgebreid reglement op waarvan het volgende de hoofdzaak is:
men moest beloven dat men de gemeenschap nooit zou verlaten, dat men afstand deed van eigen bezittingen, dat men gehoorzaam zou zijn aan de abt en dat men zich zou toeleggen op zwijgen, nederigheid en kuisheid.

Het is opmerkelijk dat ook hier weer de oefening in nederigheid vermeld wordt.
Kennelijk is mèn zich er in de kloosters scherp van bewust geweest, dat het werken aan vroomheid maar al te gauw tot zelfvoldaanheid leidt en heeft men die zonde hard willen aanpakken.
Met deze regel - die tot ver in de Middeleeuwen een leidraad geweest is voor de ordening van het kloosterleven - beoogde Benedictus de vorming van een eensgezinde, christelijke gemeente, gericht op de dienst des Heren. Daarbij verwaarloosde hij niet de praktische kant van het leven: de arbeid nam naast de liturgische bezigheden een belangrijke plaats in.

Vruchtbaar
Over het algemeen wordt de kloostervorming beschouwd als een vlucht uit het maatschappelijk leven. Inderdaad is het onmiskenbaar, dat men de afzondering van de wereld zocht om ernst te kunnen maken met de navolging van Christus. Toch zijn deze gemeenschappen vruchtbaarder voor de samenleving geweest dan men wel eens vermoedt.
Prof. dr. H. G. Geertsema schrijft in Beweging van augustus 1985:
Juist doordat de kloosters zich terugtrokken uit het leven en braken met het bestaande, hebben ze iets tot stand gebracht waarvan we de betekenis nauwelijks kunnen overschatten. Als de kloosterlingen zich terugtrekken in het klooster, dan is het diepste motief niet de wereld te mijden, maar in de wereld iets van een hemelse orde present te stellen, de orde van het koninkrijk van God. Ze hebben door middel van hun strenge ascese geprobeerd dit te leven in hun eigen tijd, ook met de overtuiging dat dat van betekenis zou zijn voor de eigen kultuur.

Hoe waar dat is, moge blijken uit het feit dat de kerstening van West-Europa tot stand gebracht is vanuit de kloosters: mannen als Willibrord en Bonifatius hebben binnen de orde van Benedictus de vorming ontvangen, waardoor zij zo vruchtbaar hebben mogen werken als brengers van het evangelie.
Ook allerlei barmhartigheidswerk, zoals de verzorging van zieken, is vanuit de kloosters ondernomen. Bij alle vraagtekens, die terecht geplaatst kunnen worden bij het opgeschroefde geestelijk leven binnen de kloostermuren, is dat een effekt van die ver doorgevoerde ascese waarvoor dankbare verwondering past.


Moderne devotie
Het was onvermijdelijk, dat de kloostervorming leidde tot de ontwikkeling van een geheel eigen religieuze wereld, waar vanuit het gewone maatschappelijke leven met een heilig ontzag tegenaan gekeken werd. Kloosterlingen werden hoe langer hoe meer een slag apart en hun verheven levensstijl werd als een ideaal ervaren, dat voor de gewone christen niet bereikbaar was. Daarom is de beweging van de Moderne Devotie zo belangrijk geweest: zij haalde de ascese als het ware terug uit de kloosters en bood de gewone burgerman en -vrouw de mogelijkheid aan, zich te oefenen in de toewijding aan God.
Het Latijnse woord voor 'toewijding' is 'devotie'; vandaar dat een in Deventer begonnen opwekkingsbeweging binnen de vervallen Rooms Katholieke kerk van de Middeleeuwen, bij tijdgenoten bekend kwam te staan als de "Moderne Devotie" (modem in de zin van: hedendaags). De geestelijke vader van deze stroming was Gèert Grote (1340-1384), de zoon van een burgemeester van Deventer. Hij groeide op in welgestelde, invloedrijke kringen en was dan ook in de gelegenheid in Parijs te gaan studeren. Daar heeft hij zich o.a. beziggehouden met astrologie (de tak van wetenschap die probeerde greep te krijgen op de buitenaardse krachten) en waarschijnlijk ook met zwarte kunst (tovenarij). In 1372 heeft hij zich daar geschokt van afgewend: hij was toen zeer ernstig ziek, zodat hij verwachtte te sterven. De pastoor die hem het sacrament voor zieken zou bedienen, wilde dat echter niet doen tenzij Geert Grote al zijn boeken over zwarte kunst zou verbranden. Na enig tegenstribbelen deed hij dat, waarna hij wonderlijk genoeg herstelde. Die gebeurtenissen hebben hem sterk beïnvloed; hij ging zich bezinnen op het toekomstig oordeel en de gevaren van de wereld, hetgeen uitmondde in een dramatische ommekeer in zijn leven. Zo brak hij demonstratief met zijn welstand, door in voddige kleding te gaan lopen, geen diner meer aan te raken en veel van zijn bezittingen te verkopen. Ook achter zijn maatschappelijke en wetenschappelijke loopbaan zette hij een punt; alles draaide voor hem voortaan om de ontwikkeling van een innige omgang met God, vol vrede en rust. Hij was enige tijd te gast in een klooster, maar is ook een aantal jaren als boeteprediker rondgetrokken, heftig waarschuwend tegen de grove misstanden in de kerk van zijn dagen.

De broeders en zusters van het gemene leven
Doordat Geert Grote zelf op opzienbarende wijze in praktijk bracht wat hij predikte, vond hij veel gehoor, niet in het minst bij de eenvoudige burgerij. Hij ontving mensen bij zich thuis, om hen soms avond aan avond te trainen in het geestelijk leven. Daaruit groeide de behoefte aan leefgemeenschappen, waar mensen tot dezelfde intense koncentratie op het christelijk leven konden komen als in de kloosters, maar dan minder afgezonderd van de maatschappij, met een mildere discipline en niet gebaseerd op de kloostergeloften. Zo ontstonden een soort communes, waar mannen of vrouwen hun leven deelden zoals eens de eerste christenen dat hadden gedaan. Grote zelf stond zijn eigen huis af aan een groep ongehuwde vrouwen, die bekend kwamen te staan als de "zusters van het gemene (= gemeenschappelijke) leven". In grote soberheid levend streefden zij naar een radikale onthechting van de wereldse geneugten, om des te inniger met God verbonden te raken. Geert Grote wees daarbij op het belang van de overdenking van het lijden van Christus: wij worden immers opgeroepen tot de navolging van Christus? Een citaat:
Altijd en bijna overal leer ik dat het lijden van onze Heer Jezus Christus steeds en aanhoudend in het hart bewaard en overlegd moet worden, niet alleen opdat door onze overdenking ons verstand er weet van hebbe, maar ook en nog meer, opdat het door de navolging der straffen, bespottingen en smarten en het verlangen daarnaar een kracht ten leven in ons blijke: zo moeten wij in werk en daad Christus gelijkvormig worden. ( ... ) De overdenking van de Passie is het beste middel om het kruis dat God ons oplegt, te aanvaarden; zij is tevens, mits ordelijk ingericht, de beste toevlucht wanneer onze gedachten aan verstrooiing ten prooi dreigen te vallen.

Het is te danken aan zijn volgeling Thomas á Kempis, dat dit thema zeer bekend is geworden. Diens boek Navolging van Christus is lange tijd het meest gelezen boek na de bijbel geweest.

Invloed
Het heeft een goede zin om zo lang stil te staan bij een ascetische beweging uit de Middeleeuwen. De invloed van de Moderne Devotie op stromingen binnen de Reformatie is namelijk groot geweest.
Het pleidooi van Geert Grote en Thomas á Kernpis voor een verstilde, ingetogen vroomheid heeft steeds opnieuw weerklank gevonden en in de praktijk kom je deze devotie nog geregeld tegen. Zo vertelde een weduwe mij eens, dat een heel aangrijpende preek van een dominee over het lijden van de Here Jezus haar zo geholpen had, haar eigen verdriet te aanvaarden. De afkeer van werelds vermaak, die zo kenmerkend is voor Geert Grote, werkt tot op de dag van vandaag door bij puriteinse gereformeerden èn evangelischen.
Maar daarover de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief