Een nieuwe hoogleraar

1988-04-29
  • Jaargang 32
  • nummer 17
Dr Karel van der Toom uit Amsterdam houdt vanmiddag zijn oratie en wordt daarmee officiëel hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij doceert daar de Antieke Religies, met een accent op de Mesopotamische godsdienst. Enige tijd geleden bezocht Pieter van Kampen hem voor een interview, op de negende verdieping vap Trans. 2, een van de hoge gebouwen in het Utrechtse Universiteitscomplex de
Uithof Hieronder een aantal momenten uit dat gesprek. (Redaktie)

Hoe is Uw weg naar het hoogleraarschap verlopen? .
Na mijn middelbare school-tijd ben ik naar Frankrijk gegaan om daar theologie te studeren aan de Faculté de Théologie Evangélique in Vaux-sur-Seine.
Daarnaast volgde ik colleges aan verschillende instellingen in Parijs, o.a. het Institut Catholique. Tijdens de studie heb ik mij toegelegd op het Oude Testament en de talen van het oude Nabije Oosten: Akkadisch, de taal van de oude Assyriërs en de Babyloniërs, Ugaritisch en Aramees. Na vijfjaar besloot ik terug te komen en ben ik naar de V.U. gegaan. Daar heb ik mijn doctoraal examen gehaald met "Oude Testament"
als hoofdvak en Akkadisch als bijvak. Kort daarna kreeg ik van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek de kans om te promoveren. In aansluiting op dat promotie-onderzoek heb ik nog een tweede onderzoek verricht, ook in het kader van Z.W.O., waarna ik tenslotte een zogeheten "Christiaan en Constantijn Huygens-Stipendium" ontving.
Zo'n stipendium wil de geselecteerde onderzoeker in staat stellen na verloop van tijd de overstap naar een vaste betrekking in het wetenschappelijk onderwijs te maken.
Bij mijn studie, en later bij het onderzoek, heb ik me steeds zowel toegelegd op het Oude Testament als op de literatuur en cultuur van het oude Mesopotamië, om die twee te kunnen vergelijken.
Op het gebied van de talen en culturen van het oude Nabije Oosten is in Frankrijk veel gedaan. Dat hangt samen met opgravingen die door de Fransen zijn geleid, bij voorbeeld van de stad Mari (het tegenwoordige Teil Hariri) en een tijdje geleden te Emar (het mo-' derne Meskene); in Ugarit zijn ze natuurlijk ook zeer aktief geweest. Dat heeft tot gevolg gehad dat de studie van de oud-Oosterse letteren in Frankrijk tot bloei kwam.
Mijn interesse in het Oude Testament is gaandeweg ontstaan. Het Oude Testament is naar mijn gevoel het breedste van de twee testamenten; het omsluit het leven in al zijn rijkdom. In het Nieuwe Testament is er sprake van een concentratie op het heil in Christus, terwijl het Oude Testament zich richt op heel de geschapen werkelijkheid. Die aardsheid boeide mij. Daar komt bij dat ik plezier heb in het leren van talen.

Heb je er bij de studie van het Akkadisch profijt van wanneer je Hebreeuws kent? Of zijn dat totaal verschillende talen?
Nee, daar heb je veel steun aan. Hebreeuws en Akkadisch zijn beide semitische talen en herkenbaar verwant. Het voornaamste verschil zit hem in de schrijfwijze: het Hebreeuws gebruikt een alfabetisch schrift, het Akkadisch bedient zich van het spijkerschrift, dat vooral syllabisch wordt gebruikt en daarom veel meer tekens nodig heeft.
Daardoor is Akkadisch ongetwijfeld moeilijker dan Hebreeuws, maar je kunt in een jaar toch een heel eind komen.

Wat houdt het in om voor 3/10 van de tijd hoogleraar te zijn?
Wat de werkzaamheden betreft maakt het geen levensgroot verschil ofje hoogleraar bent, zoals hier in Utrecht, of universitair hoofddocent, wat ik voor de rest van de tijd in Leiden ben. Als hoogleraar heb je promotierecht, wat inhoudt dat ik hier promovendi kan begeleiden.
Zowel in Utrecht als Leiden ben ik aangewezen op de samenwerking met anderen. Zo geef ik geen Akkadisch.
Als een student zich daarin wil bekwamen kan ik hem gelukkig wel de weg naar een collega wijzen; hier is iemand speciaal aangesteld om Akkadisch te geven, waar ik erg blij mee ben. Het is een voorwaarde dat vak te volgen, wil je je diepergaand bezighouden met de godsdienstgeschiedenis van Mesopotamië. Op dat laatste ligt het accent in mijn onderwijs en onderzoek: de geschiedenis van de Antieke Godsdiensten, met de nadruk op de godsdiensten van het oude Nabije Oosten.
De ideale situatie is dat ik met mijn studenten teksten, bijvoorbeeld uit het Akkadisch, exegetiseer; dat kan uiteraard alleen met gevorderden. De tekststudie is wel de basis van de godsdienstwetenschappen.
Bijjongerejaars is dat minder makkelijk te doen. Omdat ik met theologen werk, probeer ik regelmatig de verbindingen - en natuurlijk ook de verschillen, wanneer je die kunt aanwijzen - met het Oude Testament aan te geven.

Zoudt U eens wat overeenkomsten kunnen noemen, en daarna wat verschillen tussen de taal, inhoud en sfeer van het Oude Testament en de godsdienst - of godsdiensten - van Mesopotamië?
Er is een aantal brede overeenkomsten.
Zowel binnen Israël als in Mesopotamië was het gemeengoed te denken dat de mens voor zijn welzijn afhankelijk is van de godenwereld. Die opvatting was een cultureel gegeven, waaraan geen lid van de samenleving zich kon onttrekken.
Het berustte niet op een individuele keuze. Dat is een verschil met onze tijd, waarin een geloofsovertuiging tot de persoonlijke opvattingen van het individu behoort. De plaats van godsdienst in het oude Nabije Oosten laat zich enigszins vergelijken met de rol van het Christendom in onze Middeleeuwen.
De mens is afhankelijk van de godenwereld en bijzondere gebeurtenissen in zijn leven herleidt hij ook tot het ingrijpen van de goden. Dat kan een straf zijn of een zegen van de goden, Ook de ethiek en etiquette vallen onder goddelijke bescherming. In dat opzicht zouden Israëlieten, Babyloniërs en Assyriërs met elkaar kunnen spreken. Wat je vervolgens kunt vaststellen is dat de godenwereld "antropomorf' is gedacht.
Men stelde zich de goden voor naar analogie van de mensenwereld en de meest gebruikelijke metafoor is die van het koningschap. De goden zijn de koningen die de wereld besturen, ze zetelen daartoe in een paleis en hebben dienaren tot hun beschikking. De aardse tempel is een copie van het hemelse paleis,etc. Je kunt ze dus ook proberen te beïnvloeden in hun beslissingen door gebed en smeekbeden. In al deze opzichten vind ik strukturele overeenkomsten tussen de genoemde godsdiensten.
Daarnaast zijn er natuurlijk ook in het oog lopende verschillen, waarvan het meest opvallende dat tussen het veelgodendom en het monotheïsme is.
Hierbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat je dan spreekt over een bepaalde laag in de godsdienst van Israël. Ik bedoel daarmee dat je niet zonder meer kunt stellen dat de godsdienst van Israël monotheïstisch is geweest omdat er in Israël ook veel mensen zijn geweest die naast de HERE de god Baäl vereerden, om maar een van de vele te noemen. Er worden andere goden genoemd in het Oude Testament en ook in epigrafische vondsten, die gedaan zijn. Met epigrafische vondsten bedoel ik de inscripties, beschreven scherven en wat dies meer zij, die door archeologen aan het licht zijn gebracht.
In zijn geheel is de godsdienst van Israël niet monotheïstisch geweest, maar een bepaalde stroming was dat wel. Het is deze stroming geweest, die in het Oude Testament aan het woord komt.

Maar is het niet zo: je had nietmonotheïstische Israëlieten, maar die werden juist aan alle kanten steeds vermaand. Die volgden niet echt de dienst die God had ingesteld. Is dat een herkenbare vraag?
Ja, de vraag is alleen: hoe marginaal waren ze? Was het heidendom, zoals in het Oude Testament aan de kaak gesteld, een zijspoor? Ik denk dat we ons daarin wel eens zouden kunnen vergissen.
Percentueel gesproken zou de profetische Godsdienst zoals die door b.v. Jeremia werd voorgestaan, wel eens een minderheid hebben kunnen vormen, tegenover een staatsgodsdienst waarin van staatswege ook vriendelijke betrekkingen met andere goden werden onderhouden, voor alle zekerheid. Dat zeg ik op grond van binnenbijbelse gegevens, waar de toon tegenover het koningshuis, zoals bekend, tamelijk polemisch is. Die kritische toon van de , profeten tegen het koningshuis en de gegevens in de historische boeken over de opvattingen, de praktijken van het koningshuis, zowel voor Noord-Israël als voor Zuid-Israël, geven daartoe aanleiding. Daarnaast ook de polemiek die in het boek Deuteronomium gevoerd wordt tegen afgodische praktijken.
Die polemiek wordt ingegeven door het feit dat het echt iets is dat bestreden moet worden. ( ... )

Hoe bijzonder wàs de godsdienst van Israël, als je die vergelijkt met die van de volkeren rondom Israël?
Als wetenschapper mag ik hierop niet antwoorden: "het bijzondere van Israël is dat God tot Israël gesproken heeft en niet tot Mesopotamië! "Dat valt buiten datgene wat we wetenschappelijk kunnen waarnemen! Wat we wèl kunnen waarnemen, zijn bepaalde specifieke kenmerken van de 'canonieke religie' zoals die in het Oude Testament tot ons is gekomen. Laat ik daar een voorbeeld van noemen: de nadruk die gelegd wordt op de kenbaarheid van Gods wil.
Ik denk dan aan een tekst in Deuteronomium: 'nabij u is het woord, in uw mond en uw hart. Niet in de hemel en niet aan de overzijde van de zee'. Daarbij grijpt het boelt Deuteronomium terug op een thematiek die we uit de Mesopotamische teksten goed kennen.
Alleen wordt die thematiek daar op een andere manier gebruikt. Daar wordt gezegd: de kennis van de wil van de goden is, als het erop aankomt, voor de mensen onbereikbaar. Want de goden leven in de hemel, of in de onderwereld ("aan de overzijde van de zee") en geen mens is ooit naar de hemel geklommen of naar de onderwereld afgedaald. Dat is, denk ik, een kenmerkend verschil dat er toe leidt, dat binnen het godsdienstige model (als ik dat zo mag uitdrukken) van het Oude Testament, de mens zijn volle verantwoordelijkheid behoudt.
Daarom kan er b.v. ook zinvol over vergeving gesproken worden.

Terwijl in Mesopotamië dat niet zo is; de mens is eigenlijk al bij voorbaat geëxcuseerd. Hij kan, krachtens zijn conditie, die goddelijke wil eigenlijk niet kennen. Dat is een verschil dat ikzelf markant vind en dat mij aanspreekt." (... )

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief