Lokale cultus gewettigd (3)

1989-09-29
  • Jaargang 33
  • nummer 20

Wellbausea' s Schriftkritiek
Terecht heeft dr. Paul in zijn eerder genoemde proefschrift 'Het Archimedisch punt van de Pentateuchkritiek' in een historisch en exegetisch onderzoek, (2e dr. 1988) de Schriftkritiek en bronnensplitsing uit de vorige eeuw in den brede bestreden.
Julius Wellhausen (1844-1918) had immers het breekijzer gezet in heel het Oude Testament, met een beroep op Deut. 12. Volgens hernbewees het voorschrift van de éne cultusplaats, in Deut. 12, dat Deuteronomium pas in de dagen van koning Josia (± 680 v. Chr.) geschreven was. Immers toen pas, zei Wellhausen, is men begonnen met kracht te ijveren voor een centrale eredienst.
En om dat te sanctioneren schreef men het Deuteronomiumwetboek.
Josia roeide de hoogtendienst uit en wilde zich daarvoor op een wet beroepen.
De priesters zagen ook het belang daarvan in, en schreven Deuteronomium.
Maar dat betekende dan ook, volgens Wellhausen, dat Israëls godsdienst in de oudste tijden vrijwel gelijk was aan de heidense godsdiensten.
De HERE was in het begin maar een God als alle andere goden.
Langzaam, op evolutionistische wijze, ontwikkelde zich daaruit het eengodendom.
We noemen dit de Schriftkritiek van de Wellhausiaanse school. In allerlei Handboeken en Schriftverklaringen vindt men er de sporen van.
Wellhausen stelde dus: Deuteronomium moet dateren uit een tijd waarin de verhoudingen, waarvoor Exodus 20 bedoeld was, totaal gewijzigd waren.

Holwerda' s voorslag
Om nu aan deze Schriftkritiek van de Wellhausiaanse school en al wat daarop volgde de wind uit de zeilen te nemen, heeft prof. B. Holwerda, hoogleraar te Kampen, (overl. 1952) gepoogd Deuteronomium 12 anders te lezen.
Hij meende dat Deut. 12, evenals Ex. 20, aan Israël toestond om op vele plaatsen te offeren, bij al hun steden en dorpen. Hij las daartoe: 'de plaatsen die Ik verkiezen zal', meervoud.
Anders, zo zei hij. kunnen we niet ontkomen aan de kritiek van Wellhausen.
Want, offerde Samuël niet op de hoogte, toen er al 'rust' was? De Kanaänieten waren al uitgeroeid.
Bovendien: Elia klaagde dat de altaren van de HERE waren omgegooid.
Dat wijst er toch op dat er in het tienstammenrijk altaren voor de HERE waren?
En voorts: - aldus nog Holwerda - 't Zou onmogelijk geweest zijn voor de Israëlieten om b.v. vanuit het Noorden hun brandoffers en vredeoffers te gaan offeren in Jeruzalem.
De Levieten zouden het te druk gehad hebben met heen en weer reizen, enz. enz.
Allemaal redenen voor prof. Holwerda om te denken dat het offeren op veel verschillende plaatsen ook volgens Deut. 12 geoorloofd moet zijn geweest.
Daarom las hij dus: 'de plaatsen, die Ik verkiezen zal'. En hij concludeerde: "Israël heeft nimmer een wet gekend, die het volk bond aan één cultusplaats". (7) .

Geen wijziging van Deuteronomium 12
Wij kunnen echter prof. Holwerda in het wijzigen van de tekst van Deut. 12 niet bijvallen, Ten eerste is het, naar ook prof. dr. J.P. Lettinga oordeelde, taalkundig eigenlijk niet mogelijk om plaatsen te lezen voor plaats.
Maar bovendien: Exodus 20 en Deuteronomium 12 liggen geheel in elkaars lijn.
Want ook Exodus 20 stond het willekeurig kiezen van offerplaatsen en altaren niet toe.
Dat Israël er toch toe overging om op vele plaatsen te offeren, heeft allerlei oorzaken gehad, waaronder ook ongetwijfeld de scheuring van het rijk. Maar de hoofdoorzaak is de afval van het verbond, het 'overtreden van het verbond' (cf. 2 Kon.18:12).
Het gaat daarom niet aan, om tiet offeren op allerlei plaatsen te sanctioneren door onjuiste interpretatie van Ex. 20 en door wijziging van de wet van het centrale heiligdom.
Het offeren op allerlei plaatsen lag wel in de lijn van de heidense gedachte dat de godheid het maximum aan godsdienstige prestaties eiste.
Iedere stad, ieder dorp moest 'dicht bij huis' gelegenheid hebben om daaraan te voldoen. Maar de HERE wilde dat juist niet. Omdat Hij Zelf de weg tot verzoening geopend heeftbij het bloed van het verbond in de voorgeschreven dienst.
Daarom moeten we de oplossing niet in de richting van wijziging van Deut. 12 zoeken.

Historische ontwikkelingen
Nu zeiden we in het begin, dat Ex. 20 en Deut. 12 zich heel wel samen laten lezen, als je ze maar met de latere ontwikkeling in haar historische verbanden ziet.
Verscheidene 'moeilijkheden' worden opgelost, zonder wijziging of Schriftkritische ) interpretatie. Men kan aanvoeren dat Samuël op de hoogte offerde bij Rama.
Maar ten eerste: De HERE had in zijn tijd de 'plaats van de rust' nog niet aangewezen. Dat deed hij pas in Davids dagen. Op een heel bijzondere manier, zoals we weten. Heel duidelijk wordt David er dan pas toe gebracht om de verzoeningsdienst in Jeruzalem te vestigen. Dan eerst is de historie zover voortgeschreden, dat Hij de plaats gaat 'verkiezen'.
We lezen dat de HERE het vuur uit de hemel liet neerdalen op het brandofferaltaar dat David op de dorsvloer van Arauna gebouwd had.
"De tabernakel des HEREN die Mozes gemaakt had in de woestijn; en het brandofferaltaar stonden 'in die tijd wel op de hoogte te Gibeon, maar David kon daar niet voor God verschijnen om Hem te zoeken, want hij was bevangen door schrik voor het zwaard van de engel des HEREN" (1 Kron. 21:29,30).
Zo drong de HERE hem op op de dorsvloer van Arauna te offeren.
"Toen zeide David: Dit is het huis van de HERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël" (1 Kron. 22:1).
Ten tweede: Samuëls offeren kan in verband gestaan hebben met de desolate toestand van het heiligdom.
Immers: Silo was verwoest, de tabernakel stond te Nob (1 Sam. 21) en de ark stond ergens anders, te Kirjath-Jearim, in het huis van Abinadab (1 Sam. 7:1; 2 Sam. 6:2).
Ten derde: In die jaren waarin de HERE nog geen vaste plaats aangewezen had is Samuël, in die moeilijke situatie van een uiteengerukt' heiligdom, bezig geweest de dienst van de verzoening overeind te houden.
Later, toen de tabernakel en het koperen brandofferaltaar te Gibeon op de hoogte stonden, offerden David en Salomo bij dit centrale heiligdom (2 Kron. 1:6). Het was de voornaamste hoogte, wordt er gezegd.

Het volk was gewoon op de hoogten te offeren. Maar er staat dan ook bij: "omdat tot op die dagen nog geen huis voor de naam des HEREN gebouwd was" (1 Kon; 3:2-4; 1 Kron. 16:39).
Dan komen de dagen van Salomo’s vredeheerschappij. Het was de tijd waarin iedere Israëliet genoot van 'de rust onder zijn wijnstok en vijgenboom.
Toen was er zeker gelegenheid om uit alle delen van het land naar een centraal heiligdom te trekken.
We lezen daarvan, in verband met de tempelinwijding: "Toen vierde koning Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote schare, van de weg naar Hamath af tot aan de beek van Egypte, voor het aangezicht van de HERE..." (1 Kon. 8:65).

Belangrijk is daarbij ook, dat Salomo bij de tempelinwijding zelf, in zijn gebed, als hij aan het slot de HERE prijst, teruggrijpt naar Deut. 12 en Hem dankt voor de 'rust', het woord 'rust' gebruikt: "Geprezen zij de HERE, die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, volgens alles wat Hij gesproken heeft; er is niet één woord onvervuld gebleven van al zijn goede woorden die Hij door de dienst van Zijn knecht Mozes gesproken heeft" (1 Kon. 8:56). Hij wist en zei het uitdrukkelijk: Dit was de situatie waarover de HERE in de woestijn door Mozes gesproken had.
Nu was het gerealiseerd.

Bijzonder treffend is het, dat Salomo in dat gebed, als het over de tempel zelf gaat, ook rechtstreeks Deut. 12:5 aanhaalt en de tempel noemt "het huis, de plaats waarvan Gij gezegd hebt: mijn naam zal aldaar zijn" (1 Kon. 8:29). Mozes had die plaats zo reeds in Deut. 12:5 aangeduid.
Zélfs David had al gezegd bij de voorbereiding van de tempelbouw: "De HERE, de God van Israël, heeft Zijn volk rust geschonken, en Hij woont voor immer te Jeruzalem; nu behoeven de Levieten de tabernakel en al zijn dienstgerei niet meer te dragen" (1 Kron. 23:25). Ze hadden 'de rust' gekregen: Het zijn alle evenzovele overtuigende bewijzen voor deze zaak.
In verschillende Bijbeluitgaven en ook in de kanttekening van de Statenvertaling wordt bij deze teksten naar Deut. 12 verwezen.
Dat intussen het heentrekken naar het centrale heiligdom een onbeheerd achterblijven van hun bezittin-
,gen tengevolge had, behoefde geen bezwaar voor de Israëliet te zijn: De HERE had beloofd: "Niemand zal uw land begeren, wanneer gij opgaat, om voor het aangezicht van de HERE, uw God, te verschijnen drie malen in het jaar." (Ex. 34:24).
Helaas heeft al spoedig afval en het verlaten van Gods verbond het gaan naar Jeruzalem in de weg gestaan.
We denken aan de scheuring van het rijk, toen Jerobeam de grens van het tienstammenrijk sloot en de gouden stierkalfbeelden oprichtte en Bethel en Dan tot centra van eigenwillige godsdienst maakte. Hij verhinderde zijn volk om naar Jeruzalem op te trekken, en verdreef de priesters en levieten uit hun dienst.
Uit de manier waarop koning Abia er in zijn toespraak tot Jerobeam over sprak, blijkt wel heel duidelijk, dat alleen de centrale verzoeningsdienst wettig was - " ...wij nemen waar, wat ons door de HERE, onze God is opgedragen ..." brandoffers, reukwerk, toonbrood, kandelaar; "maar gij hebt Hem verlaten" (2 Kron.13:11).
Deze exclusieve godsdienst van Jerobeam heeft ongetwijfeld het zoeken van alternatieve gelegenheden om offers aan de HERE te brengen, in de hand gewerkt. Dat zijn de altaren van de HERE geweest in het tienstammenrijk waar Elia over, sprak. Die waren in een noodsituatie gebouwd, maa werden onder Achab omgeworpen en hebben voor de Baälcultus plaats moeten maken.
Het offeren op de hoogten, zowel in Efraïm als in Juda vindt echter veel meer zijn oorzaak in afval dan in een voorschrift van Deut. 12- naar-de-exegese-van-prof. Holwerda.
De neiging van het menselijk hart om veel godsdienstigheid te doen heeft Israël en Juda verleid om het meer en meer in de richting van de heidense gewoonten te zoeken zodat zij tenslotte op elke hoogte offerden en uiteindelijk in grove afgodendienst vervielen.
Dat in de geschiedenissen van de koningen die reformatie zochten nog telkens vermeld moet worden: "De offerhoogten verdwenen echter niet uit Israël" (2 Kon. 15:17), of "Nog steeds slachtte en offerde het volk op de hoogten", onder Joas bv. (2 Kon. 14:4), bewijst op zichzelf al, dat de lokale cultus in geen geval een wettige zaak was.

(7) B, Holwerda, a.w. pag. 26.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief