Persschouw
1989-09-29
- Jaargang 33
- nummer 20
Wij spraken met…(II) (slot)
Bij alle waardering binnen onze kerken voor wat in de Gereformeerd vrijgemaakte en Nederlands-
Gereformeerde kerken op het gebied van onderwijs, opvoeding en bevordering van bijbel- en geloofskennis wordt gedaan, bij alle respect ook voor veel ethische opvattingen die binnen uw kerken worden voorgestaan, wordt onder ons door velen echt geestelijke toenadering toch onmogelijk, om niet te zeggen ongewenst geacht, vanwege een te optimistische gemeentebeschouwing binnen uw kerken. Men vindt dat uit veel prediking in uw kerken sterk de gedachte spreekt dat de hele gemeente uit ware gelovigen bestaat; dat bij degenen die binnen de lichtkring van het Evangelie zijn geboren en door de doop tot de gemeente zijn komen te behoren, geen geestelijke verandering meer hoeft plaats te vinden in de zin waarin de bijbel over de noodzaak van wedergeboorte spreekt. Veel prediking in uw kerken wordt te weinig onderscheidenlijk gevonden, in deze zin dat zij de ware gelovigen te weinig onderscheidt van degenen bij wie het geloof (nog) geen wezenlijk door Gods Geest bewerkt bestanddeel van het leven vormt. Hoe reageert u op bezwaren als deze?
Ds. Janse: "In deze vraag zit voor mij iets schematisch, iets van wat in de prediking altijd aan de orde moet komen, In de prediking in onze kerken wordt uitgegaan van Gods rijke en welgemeende beloften, zonder overigens afbreuk te doen aan de oproep tot bekering. We moeten er echter voor oppassen dat we in de prediking niet te veel met de mens bezig zijn. Het gevaar is groot dat de mens centraal komt te staan. Er zijn mensen die zich graag koesteren in de moeiten van het geloof en die in de vragen rond het subjectieve van het geloof door de prediking graag worden gekoesterd. Ik ontken overigens niet dat er onderscheidenlijk moet worden gepreekt. In het Woord van onze God komen we ook de woorden tegen 'Beproef u zelf of gij in geloof zijt'. Als ik over die woorden moet preken dan preek ik er ook over, ernstig en indringend, maar ik kom niet in elke preek met dezelfde vragen terug. Rechte prediking gaat uit van het levende spreken van Gods Woord. De vragen naar de 'echtheid van het geloof komen in dat Woord wel degelijk aan de orde.
Christelijk-gereformeerden gaan naar mijn gevoel met die vragen wel eens te schematisch om."
Ds. Smouter: "Ja, die optimistische gemeentebeschouwing krijgen wij vaak voor de voeten geworpen, maar als we nu eens zouden willen naspreken wat de belijdenis over de gemeente zegt: 'vergadering van 'ware christgelovigen'. En wat te zeggen van de apostel Paulus, die de gemeente aanspreekt als 'geliefden in Christus'. Toen ik hierop in uw kring eens wees, werd van christelijk-gereformeerde zijde opgemerkt, dat wij intussen méér weten dan Paulus. Ik denk echter dat Paulus heel goed heeft geweten dat er kaf onder het koren zat, maar dat weerhield hem niet de gemeente aan te spreken op wat zij was en in elk geval behoorde te 'zijn. In de gesprekken komen noties aan de orde als de noodzaak van wedergeboorte, de algehele verdorvenheid van de mens, dat we van nature kinderen des toorns zijn en van dood levend moeten worden, dat er in ons leven een structurele geestelijke vernieuwing moet plaatsvinden. Ik preek over deze dingen als de tekst daartoe aanleiding geeft. Overigens ontken ik niet dat de vragen hierover van uw kant voor ons aanvullende betekenis hebben. Wel doet mij soms pijn de wijze waarop door sommigen onder u over het verbond wordt gesproken. Wij moeten niet te veel bezig zijn met wat er in ons leven moet gebeuren. Beter is acht te geven op wat er is gebeurd. En dat is veel. In uw kerken wordt, als het op de beloften van God aankomt, gezegd: wees er werkzaam mee. Wij zeggen: neem ze aan.
Ds. Janse: "Het is onze roeping om te zaaien. We moeten niet te veel aan de plantjes rukken."
Toen in een gezamenlijke kerkeraadsvergadering tussen Nederlands-gereformeerden en christelijk gereformeerden het onderwerp huisbezoek aan de orde was, maakte een christelijk-gereformeerde broeder de opmerking dat het binnen zijn kerken nog wel eens voorkomt dat mensen voor zichzelf in onzekerheid zijn rond de vraag of zij persoonlijk ook werkelijk mogen delen in het heil dat Christus heeft verworven.
Toen van de andere kant de opmerking werd gemaakt dat men dat in eigen kring niet kent, ontlokte dat bij zijn medebroeder de ontboezeming: ,,Misschien zou het niet zo slecht zijn als wij die vraag ook eens naar ons toe zouden krijgen." Hoe kijkt u tegen deze laatste opmerking aan?
Ds. Janse: "Ik heb in die vergadering ontkend dat het bij ons niet voorkomt. Er zijn ook onder ons mensen bij wie zich rond de persoonlijke geloofsvragen onzekerheid manifesteert. 't Is goed om over de zekerheid van het geloof te spreken, als het maar niet gebeurt om elkaar .onzeker te maken. Er is het gevaar dat het gevoel van onzekerheid wordt gecultiveerd. Dan krijgt het iets ongezonds. Mijn grootmoeder heeft dikwijls in onzekerheid geleefd.
Zij tobde met de vraag: ben ik wel een kind van God. Aan haar sterfbed zei de dominee: 'God is in uw leven veel dank en lof aan u te kort gekomen'. Daar schrok ze wel van. Enerzijds moet het besef bij ons leven: God zegt in Christus royaal toe. Anderzijds past ons beschroomdheid. 't Is zo geweldig, dat je best eens mag zeggen: en is dat nu ook voor mij? 't Kan eigenlijk niet! Maar het getuigt van het diepste ontzag voor de Here als je zijn Woord en zijn beloften gelovig aanneemt.
Zie het vooral niet altijd als een teken van vroomheid als men zich onzeker toont. In het koesteren van twijfel ligt een groot gevaar."
Ds. Smouter: "Geloofsvertrouwen en geloofszekerheid mogen niet gebaseerd zijn op onze ervaring. Zekerheid kan niet wortelen in ons gevoel.
Natuurlijk, er is het ‘hoort wat mij God deed ondervinden', maar men moet er voor waken in het geloof alles op die ene kaart van de persoonlijke gevoelens te zetten. Nee, geloof is nooit vanzelfsprekend. We hebben zeker acht te geven op wat de Here in ons leven doet, maar laten we ervoor oppassen dat we met ons geloof niet gaan koketteren.
Dat leidt slechts tot verheerlijking van de mens, soms in de gedaante van hoogmoedige nederigheid. Met -al te diep in de persoonlijke gevoelens van mensen te graven kan men ook het gevaar lopen de verslagen harten van gelovigen kleinmoedig te maken. In gesprekken over het Heilig Avondmaal, over de mate waarin door de gemeenten aan de viering wordt deelgenomen, heb ik vanuit uw kring meerdere malen gehoord: 'bij ons houdt men het midden tussen veel en weinig avondmaalsgangers.’
Ik moet u zeggen dat ik dit een verfoeilijk evenwichtsdenken vind."
In de gesprekken tussen uwen onze kerken vallen dikwijls de begrippen 'toeëigening des heils' en 'bevinding'.
Welke betekenis hebben deze begrippen voor u? Binnen uw kerken bestaat de indruk dat deze begrippen binnen onze kerken, althans binnen een deel daarvan, zijn gevuld met wat men wel een enigszins ziekelijke inhoud pleegt te noemen en dat ze in de prediking vaak worden overgeaccentueerd. Is dat ook uw gevoelen?
Ds. Smouter: "Bij toeëigening des heils hebben we het over de manier waarop het heil, waarover God in zijn Woord spreekt, in ons leven vervulling vindt. En dan praten we over een geheimenis. Voor Israël was er de belofte het land te mogen binnengaan. In Christus is er voor ons de belofte in het koninkrijk Gods te mogen ingaan. Moet ik nu met de gemeente veel spreken over de aarzeling om dat te geloven, dat aan te nemen? De predikant die daarover aarzelend doet is als de verspieders destijds, die zeiden: het is een mooi land maar we komen er niet in.
Onder bevinding wil ik verstaan alles wat God doet groeien in ons leven, als vrucht van de Geest. Als iemand liefde, vrede en lankmoedigheid bij zich of anderen mag waarnemen dan mag daarin bevonden worden dat Gods Geest in ons leven werkt. In hoogten en diepten van het geloof, in blijdschap en twijfels mogen de gelovigen persoonlijk in hun leven ondervinden dat het Woord van God levend, krachtig en waar is."
Ds. Janse: "Ik denk bij toeëigening des heils vooral aan wat het doopsformulier zegt over 'dat de Heilige Geest ons toeëigent wat wij in Christus hebben'. Dat is gans, iets anders dan wat een mens als zelfwerkzaamheden rond het geloof heeft. Bevinding is voor mij het ondervinden dat het Woord van de Here waar is. We moeten geen gelijkteken zetten tussen bevinding en incidentele en momentele ervaringen die men op een bepaald moment heeft en die men op een ander moment mist.
Wanneer iemand sterft is een veel gehoorde vraag: heeft zij of hij nog iets gezegd? Laat men daarmee voorzichtig zijn. Het gaat hier om heel subtiele dingen. En mag men er blij en dankbaar voor zijn als de Here ook in de laatste momenten nog iets van zich laat merken. Maar allesbepalend is dat niet. Dat zijn de ontwijfelbare beloften van God alleen."
Wat zijn voor dit moment de grootste belemmeringen op de weg naar elkaar?
Ds. Smouter: "De moeilijkheden zitten niet in 'dit of dat'. We kijken wederzijds te veel naar wat onze smaak is. Als een christelijk gereformeerde ambtsdrager een tijdje geleden de opmerking maakte, dat hij zich onder de prediking van de Nederlands-gereformeerden allesbehalve happy zou voelen dan weet ik dat soortgelijke opmerkingen in omgekeerde richting ook bij ons worden gemaakt. Beter zou zijn onszelf en elkaar in alle ernst af te vragen wat ons nu eigenlijk samenbindt in Christus en ten opzichte van elkaars prediking de zuivere toetssteen van het Woord te hanteren.
Overigens ben ik van oordeel dat het gebod tot kerkelijke eenheid niet inhoudt dat tot elke prijs organisatorische eenheid moet worden nagestreefd."
Zo, dat was een heel verhaal! Maar ik vind, dat mijn beide kollega 's de juiste woorden en termen hebben weten te vinden om op een weloverwogen manier de bewuste vragen te beantwoorden. Ik moet er wel bij zeggen, dat de interviewer alle ruimte in zijn vraagstelling bood om optimaal op bepaalde problemen in te gaan.
We verlangen naar eenheid als het goed is. Maar de uitgestelde hoop krenkt het hart, zegt de Bijbel (St.
Vert.). En dat vind ik ook van toepassing op de eenwording met de christelijke gereformeerden. Op iedere plaats verloopt het weer anders.
Maar van de chr. Gereformeerde zijde heeft men het over een patstelling.
En hoe valt die te doorbreken?
Niet in vredesnaam, maar in de Naam van de Vrede, Christus Jezus!
Niet alleen in de politiek, maar ook in de kerk komt er vaak veel vlees en wereld bij. Men kijkt soms uitsluitend naar de uitkomst en gaat één en ander berekenen, maar het doel nl. Gods eer verbleekt dan of verdwijnt geheel uit het oog. En dat is een fataal minpunt. Men heeft het van alle kanten over een eigen kerkelijke identiteit. Ik ben daar niet zo ondersteboven van. Als we het echt menen, dat uiteindelijk ons aller identiteit als mensen, die de pretentie voeren gereformeerd te zijn en te willen blijven, bepaald wordt door de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenis en voorts door regels, die ontleend zijn aan het gereformeerde kerkrecht, dan moet er van een duidelijke toenadering sprake zijn.
Je hoort in dat kader nog wel eens spreken van een bepaalde achterban.
Het zou allemaal wel lukken, zo poneert men, als die achterban in onze kerk zich maar niet zo sterk maakte. Ik begrijp heus wel wat men bedoelt. Een groep in de gemf1ente kan de boot van de eenwording om verschillende redenen afhouden. En al die broeders en zusters mogen van mij best een. eigen inbreng hebben en hun eigen woordje meespreken.
Maar wanneer kerken elkaar gevonden hebben en elkaar als wettige kerken van Jezus Christus hebben aanvaard zal de achterban ervan overtuigd moeten worden, dat hij zich moet voegen en in vertrouwen de zaak moet leggen in de hand van de HERE. Laat niemand de indruk wekken, dat hij terwijl hij Christus als Koning van de kerk belijdt toch nog zijn eigen kroontje wil ophouden. Wij moeten de christelijke gereformeerden en de vrijgemaakt gereformeerden konkreet laten merken, dat wij serieus streven naar een vorm van schriftuurlijke eenheid, waarbij ootmoed en beslistheid SAMEN optrekken!
En als zij echt leven uit het principe van de Afscheiding van 1834 zullen zij ook vandaag zonder binding aan bepaalde eigen, beginselen en zonder de eis tot integrale ratifikatie van allerlei kerkelijke besluiten bereid zijn te verenigingen mei elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde kerkvergadering. Anders wordt het verleden waarop men zich steeds beroept het zwijgen opgelegd en is de historie een grafkelder geworden.
De piëteit heeft dan het laatste woord. Maar je hebt afscheid genomen van de geschiedenis! En dat is "helemaal niet in overeenstemming met het getuigenis van Gods Geest in de Bijbel en bevordert dus niet de bouw van een waarachtig oekumenische kerkgemeenschap. "