De gemeente en zijn homofiele broeders en zusters (1)
1987-03-13
Dr. K.J. Popma en Dr. H. E. S. Woldring houden zich in hun boek "Monniken en Moordenaars", Amsterdam, 1979, bezig met het mensbeeld bij Dostojewski. I - Jaargang 31
- nummer 10
Het eerste werk van Dostojewski, waaraan zij in hun boek aandacht besteden heet "Arme mensen". Bij het lezen van deze eerste. beschrijving word ik direct al geboeid. Zij laten zien hoe Dostojewski de armen beschrijft.
Zij boek bestaat uit brieven die Dewoesjkin, een arme ambtenaar en Warwara, een arm meisje, aan elkaar schrijven. Hij schrijft haar:
"Een arm mens is licht geraakt, hij bekijkt de wereld op zijn manier, iedere voorbijganger beschouwt hij met achterdocht, hij kijkt argwanend om zich heen, ieder woord vangt hij op - wordt er niet over hem gesproken? Heeft hij misschien een haveloos voorkomen?
Zouden ze zich op dit moment niet afvragen wat hij voelt? Hoe ziet hij er van deze, hoe van de andere kant uit? Voor iedereen is het toch een uitgemaakte zaak dat een arm mens minder dan een vod is, dat hij geen achting van een ander verlangen kan, wat er dan ook in de boeken van gezegd wordt. Wat ze ook schrijven, die klodderaars, een arm mens blijft een arm mens. En waarom zal het bij het oude blijven? Omdat bij een arme alles van buiten af te zien moet zijn, hij mag niets diep-verborgens hebben, geen trots of eerzucht, - dat dulden de mensen niet!".
Dit herkende ik. Nee, niet dat van de armoede. Wat Dostojewski hier beschrijft voor de arme, geldt dat niet precies zo voor anderen waarvan 'men' zich wil onderscheiden? Zouden wedoor toepassing van het beginsel van het exemplarisch leren, uit dit boek ook iets kunnen leren over andere, dergelijke groepen? Als vader van , een homofiele zoon, merk je, dat de maatschappij zo ook op homofielen reageert.
Popma en Woldring zeggen: "Dostojewski beschrijft hoezeer de financieel-economische toestanden in de samenleving de verhoudingen tussen mensen bepaalt. Staan in de ethiek de naastenliefde en de behartiging van de ontplooiingsmogelijkheden van de, mens centraal, we zien hoe deze ethische normen in het contact met de arme mens geschonden worden".
Zouden, in dit boek van Dostojewski, 'de armen' model staan voor meer groepen mensen, voor ieder die door velen als 'afwijkend' wordt beschouwd?
Zou je niet net zo goed kunnen zeggen.. Je kunt bij de homofilie zien, hoezeer dit verschijnsel de verhoudingen tussen mensen bepaalt. Staan in de ethiek de naastenliefde en de behartiging van de ontplooiingsmogelijkheden van de mens centraal, we zien hoe deze ethische normen m het contact met de homofiele mens geschonden worden?" Met deze vragen ben ik het boek "Arme mensen", van Dostojewski gaan lezen. Daarin vond ik nog meer passages, die te maken hebben met mijn vooronderstelling. Je kunt voor 'arme' heel vaak net zo goed lezen: 'homofiel'. Hoe treffend beschrijft Dostojewski de ethische kant van de sociale verhoudingen, met de naaste. De naaste van wie men zich graag wil onderscheiden. Ik geef een aantal voorbeelden. Steeds heb ik daar 'arme' vervangen door 'homofiel'. Oordeelt u zelf, of het geoorloofd is. Het zijn dus citaten uit brieven, die in het boek van Dostojewski, een oudere man aan een meisje schrijft:
"Ach mijn vriend! Ongeluk is besmettelijk. Ongelukken en homofielen moesten zich maar liever verre houden van elkaar, om elkaar niet nog meer ellende aan te doen. Nu alles dan voorbij is en het leven langzamerhand weer zoals vroeger wordt, zal ik je eens wat zeggen, kind: het verontrust je hoe de mensen over mij denken, maar ik haast me je mee te delen, dat een goede naam mij het meest van alles waard is. En al schrijf ik je nu dus over mijn ongeluk, toch kan ikje meedelen dat van mijn meerderen niemand iets weet en zal weten, zodat ik als voorheen mij verheugen mag in hun hoogachting. Een ding vrees ik: de lasterpraatjes!"
"Hoe weet een homofiel dat en waarom denkt hij zo? Waarom? Wel, uit ervaring met lasterpraatjes! Ze lopen gewoon vrij rond, die misselijke schrijvers van lasterpraat en kijken of je je gehele voet wel op straat neerzet of alleen maar de voorkant en dat beschrijven ze dan heel precies en dan wordt die rommel nog gedrukt ook...
Zelfs Stepan die het vandaag met mij over een dienstkwestie had zei nadat hij nog eventjes met mij gesproken had quasi toevallig: "Achja, Makar!" - maar hij sprak niet uit wat hij dacht.
Toch voelde ik het meteen en ik bloosde zo, dat ik zelfs mijn kale kruin warm voelde worden. Het heeft in de grond van de zaak natuurlijk niets te betekenen, maar ik ben er niet gerust op, het brengt me aan het piekeren. Zouden ze misschien toch iets gehoord hebben! God behoede dat er iets uitgelekt is! Om je de waarheid te zeggen koester ik sterke verdenking tegen een zeker iemand. Dat gespuis staat immers voor niets! Ze verraden je zomaar! Ze zijn in staat je gehele privéleven voor minder dan een kopéke te verkopen; mets IS hun heilig!
En dan zijn er nog van die alleszins godsdienstige mensen die er niet van houden dat de homofielen over hun bitter lot klagen, - "het is gewoon een schandaal", zeggen ze, "ze zijn hinderlijk, ze moeten zwijgen, ophouden met aandacht vragen". Ja de ellende is altijd naakt en hinderlijk, het gesteun en gekreun laat de rijken niet slapen!"
"Wat zou het, dat ze zo doen en dat arideren dat weten en zien? Ja, wanneer je mij de grofheid wilt vergeven, Warrenka, dan zeg ik je dat een homofiel mens in dit opzicht precies dezelfde schaamte voelt als jij bijvoorbeeld je meisjesschaamte. Jij zult je toch ook niet, vergeef me de onbeschaamdheid, ten aanschouwe van alle mensen gaan uitkleden? Zie je, net' zo kan een homofiel mens niet hebben dat anderen in zijn homofiel-zijn gluren om te kijken hoe zijn privéleven er uitziet".
"Mijn ziel leerde eindelijk vrede kennen en ik merkte dat ik niet minder was dan anderen; dat ik nu eenmaal zo ben: weliswaar zonder schittering en, glans, maar dan toch een mens, met al de gevoelens en gedachten van een mens. Nu, en toen ik dan zo leed onder de vervolgingen en vernederingen van het lot, gaf ik mij over, aan mijnwanhoop omdat ik mijn waardigheid verloren had, verdroeg de last van mijn ongeluk niet langer en kon me niet meer verzetten. Nu je dan alles weet, kindje, smeek ik je onder tranen mij niet meer uit te vragen, want dat verscheurt mijn hart en maakt mijn leven moeilijk en bitter".
Treffend is hoe invoelend Dostojewski de onderlinge verhoudingen weet te schilderen. De volgende keer geef ik nog een aantal citaten en dan rijst de vraag: "Wat kunnen WIJ als kerk, als gemeente hieruit leren?".