Een eigen zangbundel

1987-03-20
  • Jaargang 31
  • nummer 11
In de jaren waren de vrij geraakte kerken nog geen kerkverband hadden opgebouwd, en dus Iedere kerk deed wat goed was in haar ogen"); zijn verscheidene begonnen met de interkerkelijke psalmberijming in te voeren en vervolgens het Liedboek voor de Kerken te beproeven, Sommige kerken gingen hierin wat verder, andere wat minder ver. Maar de plaatselijke zelfstandigheid en verantwoordelijkheld werden terdege ondervonden. En er werd gebruik van gemaakt.

Sindsdien werd opnieuw de kerkverbandelijke samenhang gezocht en het hiërarchisch apparaat kwam weer in werking: neemt besluiten, stelt deputaten aan en verstrekt opdrachten.
Het verzoek van de LV Breukelen 1981 aan de gezangencommissie om naast het Liedboek een aanvullende eigen bundel voor te bereiden. Deze opdracht was merkwaardig.
Want tegelijk sprak deze vergadering uit, het verantwoord te achten, ongeveer een derde' van het Liedboek (160) in de eredienst te gaan gebruiken. Tegen de totaliteit van het Liedboek waren terecht bezwaren in te brengen; sommigen wilden daarom van dat Liedboek niets weten. Herhaaldelijk hebben wij betoogt: terwille van ongewenste gezangen kunnen we dat Liedboek toch niet verwerpen? Niemand verplicht ons alle liederen, te gebruiken. Als we met zorg kiezen kunnen we blij zijn met de goede liederen. Dat werd dan ook door diverse kerken gedaan.

Daarom was de opdracht om naast het Liedboek ook een aanvullende bundel voor te bereiden hoogst merkwaardig - om niet te zeggen een overtollig goed werk. Dat werd trouwens .door de LV Enschede ingezien. Die matigde de opdracht tot: een rapport aan de kerken te zenden. En dit rapport is nu verschenen: met als bijlage een bundeltje liederen, totaal 40 stuks, genummerd vanaf 500, en daarmee aansluitend op de bijna 500 liederen van het Liedboek.
Hoewel u, wanneer u geen kerkenraadslid bent, dat bundeltje wellicht niet in handen krijgt, willen wij het graag onder de loupe nemen en er u iets over vertellen. Want wil de opdracht aan de gezangencommissie geen loos gebaar blijven, dan hebben onze kerken recht te weten, wat hier aan de orde is. Het is tenslotte haar aangelegenheid. Eerst de vraag: zouden onze kerken alle 160 "nihil obstat" -liederen reeds gezongen hebben? En blijven ze die gebruiken? Zonder dat de psalmzang, erfenis van Calvijn, daarmee in het gedrang komt? Wel, dan hebben die kerken haar handen vol en zullen, indien nog gewenst, verdere uitbreiding binnen het Liedboek kunnen vinden.

Tweede vraag: is de aanvullende bundel misschien bedoeld als een plaatsvervangende bundel, die het Liedboek voor-ons (of half-ons) overbodig moet maken? U hoeft de vraag niet te beantwoorden, mits. u ze even tot u laat doordringen. Want het zou niet de eerste keer zijn, dat politieke manoeuvres beslag legden .op onze kerkzang. Met de geschiedenis van de gezangenbundels uit de vorige eeuw, en de geschiedenis met de psalmberijmingen in de 16e en. alle volgende eeuwen zijn hele boekwerken gevuld. Maar laten we overgaan tot een bespreking van de aanvullende bundel, die in concept bij de kerken is aangeland. Dan spreken we eerst over de gedichten.

Sommige dichters zijn goed tüt zeer goed. Niet omdat ze Ned. Ger. predikanten zijn (ds. Veefkind en v. d. a Berg), maar omdat ze taal en melodie beheersen en het dichterschap hun aangeboren is. (Dat zijn 3 dingen: taal, melodie en de dichterlijke vorm waarin deze beide samensmelten.) .
Andere dichters (Hanna Lam, Ad den Besten) zijn goed omdat ze goed zijn, hetgeen ze in vele schone liederen hebben bewezen. Er zijn echter ook totaal verouderde dichters bij' als J.J. L. ten Kate en Isaac da Costa, wier werken misschien over 200 jaar als monumentaal en epoche machend te voorschijn komen, maar wier' verzen vandaag onuitstaanbaar vervelend zijn. Wie zingt nu nog van "gena"? Wie van "keeuwig roemen”? Alleen da Costa, En de Heere loven met snarenspel,
dat doet ten Kate, J. J. L. Hij zei het zelf.

Van een 5-talliederen is de dichter of berijmer onbekend. Voor zover het een berijmd schriftwoord betreft is dat natuurlijk geen bezwaar; een enkel lied (517) is zelfs best.
Wanneer echter diverse liederen uit het Liedboek vervangen worden, moeten ze bepaald wel beter zijn. Zoals "Christus is opgestanden " , in plaats van Lied 211. Maar wie Ad den Besten wil verbeteren moet niet van "te stade" spreken; dat zegt niemand meer, zelfs psalm 79 niet. En helemaal fout is -het om in, "Van boven daalt een engelenschaar", Lied 133 te "verbeteren". Jan Wit schreef dit typische .kinderlied voor kinderen; Joop Klein berijmt het voor een grote mensenkerk.
Ja, ook Joop Klein, is een van de dichters in dit concept, Zijn werk is soms niet gek (514 en 520); soms wel, als in 524 waar de woordaccenten absurd zijn.

Melodie
Een lied bestaat uit een gedicht plus een melodie. Daarom ook iets over dit tweede element. Voor een aantal liederen is een' beroep gedaan op Duitse,' Engelse, Nederlandse en Franse wijzen uit vorige eeuwen. Vooral de Franse (psalmwijze ) zullen geen weerstanden oproepen. Een aantal liederen is getoonzet door Jan Mulder, de Eindhovense cantororganist, Hij heeft vele jaren ervaring en een goede muziekpen; bijna zonder uitzondering is zijn werk zo goed als van hem verwacht mag worden.
Zijn canons zijn kostelijk, een verrijking van de liturgie. Een enkele maal is keus gelaten tussen Jan Mulder en K. Holwerda; de keus kan niet moeilijk zijn.
Er kleven aan de melodieën, als aan de gedichten, nogal wat onvolkomenheden.
Dat is vooral het praktische punt: de gemeenten moet kunnen ademhalen, wil ze de kerkzang overleven En vaak hebben toondichters daarmee onvoldoende gerekend. Nummer 511 biedt veertig lettergrepen achtereen, zonder een enkele rust. Nummer 522 vraagt 46 lettergrepen, door slechts 1 rust onderbroken, En nr. 528 eist 60 (zestig) lettergrepen, zonder 1 tel rust. Dat is barbaars. Een zingende kerk is geen geoefend koor, bestaat evenmin uit parelduikers. En terdege houd ik er rekening mee, dat een niet uitgeschreven rust wel gevonden kan worden in het afkorten van een lange slotnoot; maar als er geen lange slotnoten zijn?
Een andere vijand van goede kerkzang is het plaatsen van valse accenten.
Zo'n accent, of klemtoon, vindt een lied altijd op de eerste tel van een maat; in mindere mate op een latere (3e of 4e) tel. Bovendien ontstaat een klemtoon door een hogere of lagere toon uit een reeks te nemen. Nu, dan zitten er vrij veel valse. accenten in deze conceptbundel. Bijvoorbeeld:

530 "wanNEER het avond is" (Ie tel en hoogste noot) .
524 "ik weet dat MUN verlosser leeft '{idem) "en dat Hij mij HET leven geeft" (hoogste noot) .
"Hij daalde' IN het graf ter NEER" (accent en hoogste noot}
513 "stond niet OP zijn GodLIJK recht". (accent en lange noot).

Een volgend gevaar zit in de manier om meerdere noten te geven op een lettergreep. Wanneer we 527 zouden zingen "ohhop guhhu-stane Heer" dan klinkt dat niet alleen on-Nederlands maar ook' profaan. Oude of verouderde woorden behoren in de antiekwinkel thuis, niet in de levende kerk. Wie gebruikt (519) de term "te stade"? Er moest een rijmwoord komen op genade, zegt u. Jawel, maar dan zijn er meer; Lied 344 rijmt met schade. was dat niet goed? - Wie zegt vandaag (513) "ontledigd"? - En wie ,kent (537) hartverblijding, onverwrikt vertrouwen, noden (voor nodigen) enzovoort?' Het komt uit de.muffe koker van Ahasverus van den Berg, psalm-deputaat rijmelaar in 1773.

Algemeen
Naast prijzenwaardige zaken, die we mogen verwachten, toont dit concept een aantal onvolkomenheden die niet gemakkelijk geretoucheerd' kunnen worden. Nr. 531 geeft de Tien Geboden weer in ·12 coupletten (alsof 9 al niet teveel was!). Wie zal ze zingen? Nr. 532 geeft onze geloofsbelijdenis, naar keuze op de Straatsburgse melodie' van 1525 of op die van Paul C. V. Westering. Beide zijn zeker niet beter dan Lied 331, dat sedert Datheen (1566) al in onze kerkboeken was opgenomen, en universeel mag heten. Die van v. Westering bestaat uit een samenraapsel van gregoriaanse motieven. En waarom is bij dit werk niet gedacht aan Beza's "Geestelijke Gezangen", door W. v.d. Kamp uitstekend vertaald en berijmd? Toch besluiten wij in majeur. Nr. 540 is een begrafenislied, waaraan onder ons sterke behoefte zal bestaan. En in 538 hebben we een prachtig bruiloftslied getroffen. Maar daarvoor hebben we 'geen nieuwe bundel nodig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief