Het laatste woord (1)

1989-10-13
  • Jaargang 33
  • nummer 21
Van de hand van prof.dr. J.L. Koole verscheen In 1967 bij Kok in Kampen een studie getiteld 'Het laatste woord, de Aäronitische zegen, Numeri 6:22-27', serie Kamper Cahiers.
Aan deze studie ontleende ik de titel van dit artikel. Is de zegen niet het laatste woord in de eredienst? Dit bijbelwoord koos ik als tekst voor de afscheidsdiensten (NGK en CGK) In Eindhoven op 15 januari 1989, bij het bereiken van de emeritaat-gerechtigde leeftijd.

Kunstacademie in woestijn
In het boek Exodus wordt met vuur en verve de bouw van de tabernakel uit de doeken gedaan (1). Je proeft nog de verrukking en vervoering van de verteller over zoveel schoons. En is het u ooit opgevallen dat in de woestijn een academie voor beeldende kunst werd opgericht(2). Het beste laat zich dit alles lezen in de kleurige Groot Nieuws Vertaling (3).
De glans en gloed van edele metalen, de fonkeling van edelstenen, het rijk geschakeerde palet van warmgekleurd textiel - dat alles straalt je tegen. Kunstenaars als Besaleël en Oholiab met hun leerlingen wijdden zich hieraan, begiftigd met grote vakkennis en creativiteit bij ontwerp en uitvoering. Tot in de kleinste details (haken en ogen) werd alles in en aan de tabernakel vervaardigd en uitgevoerd op uiterst verfijnde wijze, zelfs als het gaat om de kledij van priesters en hogepriester (Ex. 39).
En dat alles naar het model dat God aan Mozes getoond had (Ex. 25:40; Hand. 7:44; Hebr. 8:5). God zelf wilde deze schitterende pracht, zelfs voor de tent(!) der samenkomst, der ontmoeting, en zelf begiftigde Hij een Besaleël met zijn Geest (Ex. 35: 30,31). Kunstenaars zijn een geschenk van God en in de eredienst is alleen het schoonste goed genoeg. Maar waarom dan zo karig, zo eenvormig, zo angstvallig, zo terughoudend bij zang en spel? Waarom niet het eigen timbre van kinder-, vrouwen- en mannenstemmen benut in beurt- of wisselzang? Waarom niet alle registers van het muzikaal instrumentarium opengetrokken en waarom zo moeilijk gedaan over nieuwe berijming en een nieuwtestamentisch liedboek? Waarom zo weinig uitbundigheid in vormgeving en aankleding van een kerkgebouw (geldgebrek daargelaten)? Waarom die fronsende onderdrukking van zelfs 'een klein beginsel' van spontaneïteit in de eredienst?

Woordkunst
Een en al uitbundige kunstige vormgeving bij de tabernakel al. Daarom behoeft het niet te verbazen, dat de aäronitische zegen niet alleen overweldigend is van inhoud, maar ook op uiterst kunstzinnige wijze bewust" vorm heeft gekregen in het Hebreeuws. Het is een fraaie compositie.
De ene zegenspreuk is opgebouwd uit drie parallelle versregels, die elk uit twee delen bestaan en die telkens in lengte toenemen: de eerste regel telt in het Hebreeuws drie woorden, de tweede vijf en de derde zeven; de eerste 3x5 lettertekens, de tweede 4x5 en de derde 5x5.
Het totale aantal woorden bedraagt 15, waaronder 3x de verbondsnaam HERE. Daarmee verminderd resteren 12 woorden - zoveel woorden als er stammen van Israël zijn. Het klinkt als een climax met een volmaakte cadans.

Gezegenden - een vrome wens?
lets van die cadans is nog te horen in onze vertaling. Maar over vertaling gesproken: is het u nooit opgevallen dat die de vorm van een wens heeft, een aanvoegende wijs. En is dat welgevoegelijk?
We lezen in Num. 6:22,23 (N. Vert.): De HERE sprak tot Mozes: spreek tot Aäron en zijn zonen: Zo zult (moet, P.) gij de Israëlieten zegenen: spreek tot hen: (5) Een gebiedende wijs dus. Maar als God Aäron en zijn zonen gebiedt Israël te zegenen uit zijn naam, moeten Aäron en de zijnen dan niet meer dan een vrome wens uitspreken(6)?
En dat uit naam van de HERE zelf?? Er ligt een wereld van verschil tussen een voorbede en een (gedicteerde) zegen(6)!
Daarmee komt Israël-in-de-woestijn(!) weer op één lijn te staan met dat eerste mensenpaar in het paradijs over wie God eigenmondig zijn zegen uitsprak (Gen. 1:28). Een zegen door hemzelf grotendeels al herhaald en teruggegeven aan Noach en de zijnen (Gen, 9:1 v.v.).
Zo ook moet u Aäron (Lev. 9:22) en Mozes (Lev. 9:23) zien staan komend uit de tent der samenkomst en horen zeggen: "De HERE zegent u...", waarna en waarbij Gods heerlijkheid, zijn overweldigende, gewichtige glorie, stráálde over Israël.
Want "de heerlijkheid des HEREN verscheen aan het gehele volk" (Lev. 9:23b, vgl. 9:6)! En deze keer zijn de Israëlieten blijkbaar helemaal niet bang (vgl. Deut. 5:4,5 en 5:24-27). Bij de ontsluiting van de schepping en de ontplooiing van zijn' gaven en talenten mag de mens God (weer) achter zich weten. Dat blijft werkelijkheid.
Laban typeert Izaäk als een gezegende des HEREN (Gen. 24:31), evenals Abimelech dat doet (26:29).
Ook Jezus legt het de Koning in de mond: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af!" Geen kleinigheid.

Zegen - enkel voorspoed?
Ik zou u dus mogen aanspreken met termen als: gezegenden des HEREN, gezegenden des Vaders - en dáár behoeft ook u niet van te schrikken ...
Maar waarin wordt die zegen des HEREN nu tastbaar, zichtbaar, concreet?
Wat houdt dat in 'een gezegende des HEREN' te zijn? Je denkt bijna automatisch aan termen als voorspoed, rijkdom, welvaart. Toch is zegen, gezegend zijn, blijkbaar niet recht evenredig met welvaart en welzijn: het is meer, het is anders.
Want ik zie daar-in de woestijn (!) bestraald door de heerlijkheid des HEREN een armzalig minivolkje staan - een volkje van voormalige, uitgeputte slaven, een volkje zonder land (Deut. 7:7), gebukten en gebeukten.
Enerzijds zie ik Amram en Jochebed - en ze kijken vol trots naar hun zonen Aäron en Mozes en hun dochter Mirjam. Ja, maar ik zie ook ouders wier baby's het slachtoffer werden van farao's poging tot genocide:
ons jongetje zou nu zo oud geweest zijn als Mozes ... Ik zie ouders met trots kijken naar hun zonen die daar dienst doen bij de tabernakel. Maar tevens zie ik ook priesterzonen (en anderen) met lichaamsgebreken, gehandicapten, minder- en invaliden - én hun familie (Lev. 21:17-24). Hun is de priesterdienst ontzegd ... Of mensen in Egypte in elkaar geslagen, zoals Mozes van dichtbij meemaakte (Ex. 2:11). Om over melaatsen nog maar te zwijgen - Mirjam zal bepaald niet de enige zijn geweest: "ga heen en vertoon u aan de priester" houdt onbetwist vakkennis en routine in bij het herkennen van de symptomen (overgeleverd van vader op zoon); binnen de priesterstand ontstaat o.a. ook een gilde van artsen (Mc. 1:44; Luc. 5:14; 17:24; Lev. 13:1-14:57)!
Ook zie ik 'het samenraapsel', een zootje ongeregeld (Ex. 12:38) met de invloed daarvan, Num. 11:4; Hand. 7:41-43? Om nog maar niet te spreken over onvolledige gezinnen, weduwnaren, weduwen, wezen, ontrechten, alleenstaande mannen en vrouwen die hunkerden naar ook één kind ... Kortom een volk, een gemeente zoals wij die allen kennen.

Noten
1 Zie hiervoor vooral C. Vonk, 'De Voorzeide Leer'. deel 1a, Barendrecht1960,pag.360 e.v.
2 Ex.35: 34v.
3 Alleen zou m.i. de verbondsnaam met HERE (en niet Heer) moeten zijn weergegeven; zie bijv. Ex.35:30-36:2 4 Zie dr. H.Jagersma, Numeri deel I, Nijkerk 1983 (in serie P.O.T.), pag.125e.v.;.....door de enige twee werkwoorden(vs25a en 26a) in deze compositie,die een aparte vorm voor de jussivus hebben, inderdaad ook als jussivus te schrijven."
5 J.L. Koele, a.w. pag.8,9 N.24; inf. abs. als gebiedende wijs; de woorden “spreek tot hen" zijn in de N.Vert. ten onrechte weggelaten - de St. Vert. had hier nog “sprekende tot hen".
6 De hebreeuwse werkwoordsvormen hier dienen niet als wensen te worden verstaan, maar als indicativi en taalkundige overwegingen staan deze opvatting niet in de weg; zie H. Jagersma a.w., t.a.p.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief