Nader over: De opstanding des vleses (1)
1989-10-13
Van één onzer lezers ontving ik de volgende brief: - Jaargang 33
- nummer 21
Geachte ds. De Jong,
In Uw verhaal in Opbouw van 15 sept. '89 over: Het eigene van Christus' opstanding komen enkele zaken voor die bij mij wat vragen oproepen.
1. Om maar meteen met de belangrijkste vraag te beginnen: Vervalt met de pedagogische ook de lichamelijke opstanding van Christus?
Allerlei zaken die tot de lichamelijkheid van Christus behoren Zijn stem, het feit dat Hij eet en drinkt met de discipelen na zijn opstanding uit de dood, de littekens op zijn handen en voeten en in zijn zijde - vallen naar Uw zeggen onder het terugkomen aan deze kant van de dood zoals dat ook van anderen, bijvoorbeeld Lazarus, de jongeling te Naïn e.d. geldt.
Terwijl de vluchtige kant van de Here Jezus, waarvoor U de term 'geestelijk lichaam' gebruikt, het blijk zou zijn van zijn heerlijkheid aan de andere kant van de dood, waar wij toch geen besef van hebben.
Iets wat U aantoont met het enkele bijbelse gegeven dat inderdaad in Johannes 20 gevonden wordt dat Jezus nl. door gesloten deuren heengaat, hetgeen wat moeilijk zou zijn indien Hij werkelijk een lichaam had, of een werkelijk lichaam.
2. Kan het zijn dat de engelen die deuren voor de Here Jezus geopend hebben? De engelen zijn meesters in het openen van gesloten deuren zoals bijvoorbeeld blijkt uit het verhaal van Petrus, dat je vindt in Handelingen 12. Niet alleen loodsen zij Petrus door die deuren heen die vanzelf open gaan, maar ook langs de wachten waarvan in dat gedeelte nergens staat dat zij staan te slapen, laat staan dat zij liggen te slapen.
Waarom zou het niet kunnen dat de engelen die Jezus ook na zijn eerste konfrontatie met de satan dienden (Markus 1:13), Hem ook nu weer hielpen, nl. door die gesloten deuren.
U zult toe moeten geven dat wij de engelen meestal niet zien, hoewel ze er wel degelijk zijn. Op plaatsen waar wij ze aanvankelijk niet vermoeden, bijv. bij de overdracht van de twee stenen tafelen van het verbond en bij Elisa die door vijanden omringd wordt, blijken zij wel degelijk aanwezig te zijn. (zie Galaten 3:19).
3. David zegt: met mijn God spring ik over een muur. Waar staat in de Bijbel: met Mijn God ga ik er dwars door heen? Is het niet juist Johannes die in zijn brief nog eens met nadruk zegt dat Jezus echt d.w.z.: ook lichamelijk uit de doden is opgestaan. Ze hebben Jezus in de arm geknepen (1 Johannes 1:1). Zoals ook Thomas die zijn vinger stak in Jezus' zijde. Is die Thomas dan toch door Jezus bij de benen genomen? Ds. Visee kneep bij dit gedeelte uit de bijbel altijd in zijn arm als hij op de preekstoel stond om te laten zien: als ik zeg echt opgestaan dan bedoel ik ook echt opgestaan: d.w.z. lichamelijk, zoals wij ook met de kerk van ouds belijden.
Wat moet ik me nu voorstellen bij de opstanding van het lichaam als wij met de opstanding geen echt lichaam krijgen, met vlees en beenderen enz.? Is de schepping hier vervluchtigd in de verlossing?
4. Is het niet mogelijk dat de Here Jezus in Zijn hemelse heerlijkheid ook straks bij onze zalige opstanding altijd herkenbaar zal zijn en blijven aan de littekens op Zijn handen, voeten en zijde? Johannes op Patmos ziet Jezus immers als het Lam als geslacht (Openbaringen 5:5). En bij de wederkomst wordt van de tempel gezegd ... dat God de Almachtige haar tempel is en het Lam (Openbaringen 21 :22). Zo zullen de mensen Christus ook zien terugkeren op de wolken van de hemel: gezeten aan de Rechterhand van God, maar ook: zij zullen zien, die zij hebben doorstoken. Graag Uw reactie.
Antwoord
De brief van onze geachte lezer getuigt van a tot z van grote liefde voor het heerlijk evangelie van de opstanding des vleses. Een liefde die ik volledig met hem deel. Wij kunnen niet zuinig genoeg zijn op ons geloof daarin en ook de geringste schijn van een vervluchtiging van de schepping in de verlossing (zoals hij zo knap formuleert) moet vermeden worden. Toch voel ik me door de kritische vragen van de brief niet echt in het nauw gedreven. Laat ik beginnen met ze één voor één kort te beantwoorden. Daarna hoop ik met een wat meer algemene beschouwing mezelf nog te verduidelijken.
1. "Vervalt met de pedagogische ook de lichamelijke opstanding van Christus?", aldus de eerste vraag.
Nee, kan ik eerlijk antwoorden. Ik had van het pedagogische van Christus' opstanding gesproken omdat we in het lichaam van onze verrezen Here niet alleen trekken van de toekomende eeuw opmerken maar ook van deze aardse bedeling.
Daarin stak aanpassing aan onze 'grovigheid' (om het met een aardige term uit onze belijdenis te zeggen).
Vandaar mijn gebruik van de term 'pedagogisch'. Deze aanpassing echter was van tijdelijke aard omdat die grovigheid van ons een keer zal verdwijnen. Nu vraagt mijn briefschrijver of dan misschien de héle lichamelijkheid van de opgestane Christus van tijdelijke aard is geweest. Nee, antwoord ik daarop, want de lichamelijkheid van de Opgestane staat in ieder geval buiten kijf. Het ging mij alleen om de hoedanigheid van die lichamelijkheid: in hoeverre droeg zij op de dag van Christus' opstanding (bij wijze van aanpassing) nog de trekken van het 'vlees' en in hoeverre was ze al bepaald door de trekken van de komende 'heerlijkheid'? Volgens mij (en ik denk: ook volgens de Schrift) zijn dus 'vlees' en 'lichaam' niet hetzelfde. Ons menselijk lichaam kan een vleselijke en een geestelijke 'invulling' krijgen, een aardse en een hemelse. Ik kom hierop nog terug, maar verwijs nu al vast naar het geheel van het opstandingshoofdstuk I Korinthiërs 15.
2. "Kan het zijn dat de engelen die deuren voor de Here Jezus geopend hebben", toen de Heiland na zijn opstanding door gesloten deuren binnenkwam? Mijn vraagsteller werkt dit punt zodanig uit dat ik overtuigd antwoord: Ja, dat zou zeker kunnen. Toch is deze gedachte spekulatief-theologisch van aard.
Het argument dat bij andere gelegenheden van deze engelassistentie melding gemaakt wordt, pleit ervoor om daarmee ook bij Jezus' verrijzenis rekening te houden, maar kan er van de andere kant ook weer net zo goed tegenin worden gebracht. Immers, waarom wordt daar bij de belangrijkste gelegenheid, die van Christus' opstanding, dan géén melding van gemaakt?
Het argument laat zich dus aan beide zijden van de strijdstreep gebruiken en is derhalve niet beslissend.
Maar afgezien daarvan, mijn voorstelling van het geestelijk karakter van Jezus' opstandingslichaam berust ook niet op het enkele gegeven dat de opgestane Here zich door dichte deuren heen verplaatste. De apostel Petrus zegt in zijn brief (I Petrus 3:18) dat Christus gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest. En in perfekte overeenstemming daarmee schrijft de apostel Paulus van de opstanding ten laatsten dage dat er een natuurlijk lichaam is gezaaid en dat er een geestelijk lichaam wordt opgewekt (I Korinthiërs 15:44). En passant merk ik hierbij op dat niet ik de uitvinder ben van de term 'geestelijk lichaam' (zoals je uit de formulering bij vraag 1 zou kunnen opmaken), maar Paulus zelf. En deze term te omschrijven als 'de vluchtige kant van de Here Jezus', zoals in hetzelfde verband gebeurt, acht ik onverantwoord.
Het opstandingslichaam van de Here zou immers van een zodanige substantie kunnen zijn dat juist omgekeerd de materie van de deuren daartegenover vervluchtigde. Het woord 'vervluchtigen' suggereert werkelijkheids-vermindering. Die kan ik zeker bij de opgestane Here, niet plaatsen.
3. Onder het derde punt beklemtoont de brief nog eens sterk de ware lichamelijkheid van de opgestane Heer. "Ze hebben Jezus in de arm geknepen", heet het in navolging van I Johannes 1:1.
Maar dit is wat mijn artikel betreft niet 'to the point'. Ik heb immers juist laten zien dat er de Here God alles aan gelegen was om de opgestane Heiland door zijn jongeren te laten herkennen als degene die vóór zijn sterven onder hen verkeerd had. Hij was het echt zelf. Thomas is helemaal niet 'bij de benen genomen'. Misschien zou deze grove bewoording nog enigszins van toepassing zijn voor een Thomas die door nieuwsgierigheid gedreven op de Heiland afstapte om te weten hoe een opstandingslichaam er nu precies uitziet. Wij weten echter dat zijn belangstelling elders lag: is de Here werkelijk terug? De Here God zorgde ervoor dat hij knijpend kon vaststellen.
"Wat moet ik me nu voorstellen", lezen we voorts onder deze derde vraag, "bij de opstanding van het lichaam als wij met de opstanding geen echt lichaam krijgen, met vlees en beenderen enz.?" Maar is deze vraag naar de voorstelling nu niet gelijk aan die welke we in de gemeente van Korinthe tegen komen: met wat voor lichaam komen ze? De apostel straft deze vraag streng af, weten we. Het past mij natuurlijk niet datzelfde zware geschut op mijn vraagsteller te richten, maar ik moet er hier wel naar verwijzen.
We stuiten hier trouwens weer op dezelfde vergissing als eerder, dat namelijk 'lichaam' niet anders gedacht kan worden dan ingevuld met 'vlees en beenderen'.
Behalve zo'n natuurlijk lichaam is er echter ook een 'lichaam van glans of heerlijkheid' (Philippenzen 3:21).
4. "Is het niet mogelijk dat de Here Jezus in Zijn hemelse heerlijkheid ook straks bij onze zalige opstanding altijd herkenbaar zal zijn en blijven aan de littekens op Zijn handen, voeten en zijde?"
Als het over kunnen gaat zeg ik niet gauw: onmogelijk. Ook ik geloof stellig dat wij de Here Jezus zullen herkennen als het voor ons geslachte Lam Gods. 'Een lam, staande als geslacht', zegt Openbaring 5:6 van de verheerlijkte Christus.
Maar precies deze uitdrukking moet ons weer voorzichtig maken, want naar de aard van het visioen zijn hier de trekken van Pasen ('staan') en Goede Vrijdag ('geslacht') in één voorstelling samengebracht.
Welke preciese werkelijkheid daaraan beantwoordt, weten wij niet.
Tot zover de vragen. De volgende keer hoop ik daar nog een. meer algemene beschouwing aan vast te knopen. De zaak is het meer dan waard.