Gereformeerde psychiatrie (3)
1989-10-13
In het zesde deel van zijn proefschrift (1) over de geschiedenis van de gereformeerde psychiatrie is Van Belzen toe aan de verwerking van de gegevens uit zijn onderzoek. Zijn konklusie lijkt onthutsend. Is het met dit proefschrift de gehele christelijke hulpverlening ontmaskerd?- Jaargang 33
- nummer 21
Bestaansrecht….?
Wat kwam er in de praktijk van de pretenties van de Vereeniging terecht?
Volgens Van Belzen is men er niet in geslaagd de gereformeerde leer toe te passen in de psychiatrische praktijk. In de theorie over psychiatrische ziektebeelden én in de praktische behandeling en verzorging was er van de pretenties van de Vereeniging niets terug te vinden. De patiënt werd behandeld volgens de algemene (neutrale) methoden. Naar aanleiding van deze konklusie kan men zich dus afvragen of het enig verschil uitmaakte in welke instelling een psychiatrisch patiënt werd behandeld.
Hoewel Van Belzen in zijn dissertatie het bestaansrecht van eigen gereformeerde inrichtingen niet rechtstreeks aan de orde stelt dringt zich toch wel de vraag op of deze instellingen wel recht van bestaan hadden. Wanneer men dit bestaansrecht ontkent, kunnen in het verlengde hiervan ook vragen worden gesteld omtrent de 'meerwaarde' van andere christelijke instellingen. In ziekenhuizen maakt men gebruik van dezelfde 'technieken' als in een 'neutraal' ziekenhuis. En buiten de gezondheidszorg: in hoeverre verschilt het onderwijs op een christelijke school van neutrale scholen?
Oorzaken
Waarom slaagde men er niet in een eigen gereformeerde behandelingsmethode te ontwikkelen? Van Belzen noemt enkele oorzaken. In de eerste plaats zochten de artsen binnen de Vereeniging de oorzaken van krankzinnigheid in lichamelijke faktoren.
Daardoor kwamen psychische factoren (waaronder bv. de invloed van de religie) buiten het gezichtsveld te liggen. Bovendien was het in deze tijd nauwelijks van belang op welke wijze psychische stoornissen werden 'ingekleurd' (men was gericht op de vraag of een patiënt zich iets inbeeldde, maar het was van veel minder belang of hij nu dacht Napoleon te zijn, dan wel door de duivel bezeten te zijn; ook hierdoor verdween de aandacht voor godsdienstige aspekten naar de achtergrond).
In de derde plaats was men uit pastorale motieven beducht voor de vraag in hoeverre de religie (mede-) oorzaak zou kunnen zijn van psychische stoornissen. Tenslotte vermeldt Van Belzen nog een m.i. zeer opmerkelijk gegeven: gereformeerden zijn niet gewend om over hun geloofsbeleving te spreken; daardoor zal de arts bij de patiënt ook nauwelijks over het geloof hebben gesproken.
Samenvattend: doordat men de oorzaak van krankzinnigheid vrijwel geheel in lichamelijke faktoren zocht was de mogelijke rol van de religie bij het ontstaan van psychiatrische ziektebeelden niet interessant. Bovendien was men niet gewend om te spreken over godsdienstige ervaringen en achtte men dit ook niet gewenst.
Een gereformeerde mini-samenleving
Toch wekten de gereformeerde instellingen de indruk van een zelfverzekerd bolwerk van (eigen) identiteit.
Hoe kan men zó zeker van zichzelf zijn, terwijl de oorspronkelijke doelstellingen in het geheel niet gehaald werden?
Een antwoord lijkt gevonden te kunnen worden in het feit dat het leven binnen de instellingen zoveel mogelijk een kopie was van pet gereformeerde leven in de maatschappij. Er waren eigen mannen- en vrouwenverenigingen, muziekkorpsen en tijdschriften. Op zondag waren er tweemaal gereformeerde kerkdiensten; verplicht voor het personeel en min of meer verplicht voor de patiënten.
De dag begon met bijbellezing en gebed en iedere maaltijd werd ook op deze wijze begonnen. Bij het harmonium werden psalmen gezongen.
En uiteraard was het personeel louter uit de Gereformeerde Kerken afkomstig. Met andere woorden: het gereformeerde karakter was binnen de instellingen overduidelijk aanwezig.
Religie en psychiatrisch ziektebeeld
Wat is de rol van de religie bij het ontstaan van psychiatrische ziektebeelden? Vaak is geloof een taboe binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Aan de andere kant wordt gemakkelijk (en wetenschappelijk ongefundeerd) het geloof als oorzaak van psychische stoornissen aangewezen.
Juist van een gereformeerde instelling had men mogen verwachten dat deze zich intensief met vragen over het verband tussen geloof en psychiatrisch ziektebeeld zou hebben beziggehouden. Het is naar mijn mening dan ook terecht dat Van Belzen het als gemis ziet dat op dit terrein door de Vereeniging nauwelijks onderzoek is verricht.
Gereformeerd behandelen of wonen?
Onlangs illustreerde de direkteur van een christelijke inrichting de identiteit van zijn instelling met de opmerking: "We hebben hier toch een dominee en een kerkgebouw?"
Deze uitspraak geeft aanleiding tot het vermoeden dat de identiteit slechts een kwestie van 'de buitenkant' is.
Van Belzen wil deze kant niet uit; hij is nadrukkelijk op zoek geweest naar het specifieke behandelingsaspekt van een gereformeerde instelling.
De pretentie die de Vereeniging in dit opzicht voerde zal hem hier ongetwijfeld toe geprikkeld hebben.
Inderdaad moet worden gekonstateerd dat de oorspronkelijke doelstelling die Ds. Lucas Lindeboom voor ogen stond niet gehaald werd.
In feite ontbrak slechts de gereformeerde sfeer in neutrale instellingen; wat de behandeling betreft konden er geen verschillen worden aangewezen.
Toch dringt zich hier een spanningsveld op. Naar mijn mening onderschat Van Belzen de betekenis van het leefklimaat in inrichtingen. In de pedagogiek wordt er voortdurend de aandacht op gevestigd .dat de manier waarop mensen samenzijn, met elkaar omgaan, van grote waarde is voor de emotionele groei van kinderen (Kok, Ter Horst). Dat geldt m.i. ook voor het leefklimaat van psychiatrische instellingen. In mijn visie is de geloofsovertuiging van groter belang naarmate de patiënt kwetsbaarder is. Kwetsbare mensen hebben meer dan anderen behoefte aan geborgenheid, aan een woonklimaat dat herkenbaar voor hen is.
Rituelen
Een uitwerking van het leefklimaat wordt gevormd door de rituelen (2).
Uit het proefschrift van Van Belzen kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat rituelen (bidden, bijbellezen, kerkgang) slechts bijzaak zijn. Voor de patiënt moet men echter de waarde van rituelen niet onderschatten.
De laatste tijd ontdekt men binnen de psychotherapie hoe belangrijk die rituelen voor de patiënt zijn: Het is dan ook niet verwonderlijk dat patiënten uit de reformatorische kerken zich juist in veel moderne psychiatrische inrichtingen in de kou voelen staan. Door het gemis aan herkenning komt de vertrouwensbasis tussen therapeut en patiënt soms moeizamer tot stand, terwijl die basis juist onontbeerlijk is voor verdere behandeling. Daarnaast blijkt dat men - doordat men elkaars taal niet verstaat - soms te laat daadwerkelijk hulp inroept. Ik vraag me af of Van Belzen voor het belang van de taktor leefklimaat - en de daarmee samenhangende betekenis van rituelen - voldoende oog heeft gehad (zie Ter Horst, 3).
Vragen
Geschiedschrijving wordt altijd door de bril van de auteur (en zijn tijd) gekleurd. Men kan zich in dit verband bv. de vraag stellen in hoeverre de aksenten die de auteur legt mede worden bepaald door zijn eigen visie op kernvragen die in dit boek aan de orde worden gesteld (bv. de mogelijke relatie tussen geloof en psychische stoornis; de invloed van lichamelijke of psychische faktoren op het ontstaan van psychiatrische stoornissen). Toch is Van Belzen naar mijn mening in zeer, ruime mate objektief te werk gegaan en kan men slechts hier en daar in dit opzicht een vraagteken plaatsen.
Een vraag die nog bij mij opkwam is of de auteur gelijk heeft wanneer hij stelt dat de opkomst van eigen gereformeerde psychiatrische inrichtingen verklaard moet worden uit de behoefte aan isolement van de Afgescheidenen.
Speelde rond 1880 niet evenzeer het streven om op alle terreinen van de samenleving werkzaam te zijn een rol? (een vorm van emancipatie; vergelijk 4).
Uitdaging
In het voorgaande kwamen enkele kritische vragen naar aanleiding van de inhoud van de dissertatie van Van Belzen aan de orde. Veel belangrijker zijn m.i. de vragen "aan ons eigen adres". De auteur vermoedt dat de gereformeerde psychiatrie zich sterk afzette tegen de bestaande psychiatrie om daarmee het bestaan van eigen instellingen te kunnen rechtvaardigen. Ik heb de indruk dat dit te zwart-wit gesteld is.
Toch moeten we ons wel afvragen wat de 'meerwaarde' van christelijke hulpverlening is. Genezen daar meer mensen? Werken daar andere hulpverleners? Is de identiteit een zaak van uiterlijk zichtbare zaken, gaat het om een innerlijke overtuiging?
Op welke wijze spelen christelijke wetenschap en hulpverlening op elkaar in? (5)
Van Belzen heeft een boeiende dissertatie geschreven. Daarnaast is mijn waardering voor de mensen die destijds geprobeerd hebben een gereformeerde psychiatrie te ontwlkkelen gegroeid. Dat die doelstelling niet gehaald werd doet aan hun bedoelingen niets af.
We leven nu in een andere tijd dan 100 jaar geleden. In onze tijd wordt minder gedacht vanuit duidelijk omlijnde denkkaders; de informatie die op ons afkomt maakt de wereld heel complex. Niettemin staan we voor dezelfde opdracht als Ds. Lindeboom.
Ik zie het proefschrift van Van Belzen dan ook vooral als een uitdaging voor christelijke instellingen om zich op de waarde van hun identiteit te bezinnen. Die uitdaging maakt het lezen van het boek meer dan de moeite waard.
Noten
(1) Dr. J.A. van Belzen; Psychopathologie en religie; Proefschrift Vrije Universiteit, Amsterdam, Uitgave: Kok, Kampen, 400 pagina's, f 49,50.
(2) In dit artikel wordt het woord 'rituelen' genoemd.
Dit verwijst in eerste instantie naar uiterlijke aspekten en de daarachter liggende symbolische betekenis, Vanuit onze christelijke levensovertuiging hebben bidden, bijbellezen en kerkgang uiteraard een veel diepere betekenis.
(3) Ter Horst noemt de rituelen 'een groot geloofsgoed, dat zeer ten onrechte is verwaarloosd; ze zijn ervoor om kruispunten over te komen, 'om de verbrokkelde werkelijkheid heel te maken'. (In Prof. Dr. W, ter Horst: Christelijke Geloofsopvoeding; Kok, Kampen, 1989).
(4) Rijnsdorp spreekt van een ontwikkeling van polemisch en restauratief' naar 'expansief' (Dr. C. Rijnsdorp: De benaming 'christelijk' in een veranderend nederlands tijdbeeld. In: Christelijke organisaties in diskussie; Boekencentrum, 1979). (5) Rond dit thema wordt op 24 en 25 november in Zwolle een konferentie gehouden. Organisatie: Studiecentrum Welzijnswerk en Levensbeschouwing Windesheim, Postbus 10090, 8000 GB ZWOLLE.