Het laatste woord (2)
1989-10-27
"De HERE zegent u, Hij behoedt u" op deze woorden mag Israël steeds blijven wachten. Het zal hun als- Jaargang 33
- nummer 22
hemelse muzlek in de oren klinken, dit klinkend getuigenis van Gods diepste verbondenheid met ziJn volk.
Geen super-volk, niet het puikje der naties zonder enig zichtbaar of verborgen gebrek. Nee een volk van alledaagse mensen zoals wij. En wat nog meer zegt: een volk van zondige mensen over wie God de HERE zich genadig neerbuigt. Paulus zàg het: God "die de goddeloze rechtvaardigt" (Rom. 4:5).
Lichtend aangezicht
Over dát volk hoor ik Gods zegen decreteren uit naam van God zelf.
En ik hoor wat die zegen inhoudt: de HERE zegent u en behoedt u! Op weg naar het beloofde land. Zoals verwoord bijv. in Psalm 91 - wolken vuurkolom, bescherming bij dag en nacht (vs1). Bewaring als in Egypte: al vielen er duizend aan uw rechterhand - tot u genaakte het niet (vs 7). Heerlegers van engelen om jong en oud, zwak en sterk te behoeden op heel de tocht (vs 11, 12). Er zijn onderweg gevaren, risico's: leeuwen, adders, vijandige legers maar in het nauw gebracht? Ik zal bij hen zijn (vs 13-15). God zal hun zijn heil (redding) doen zien - hoe gehavend ze ook zijn, ze komen in het beloofde land (vs 14-16) en om die aankomst gaat het!
Een andere tocht naar het beloofde land, van Babel naar Jeruzalem, als beschreven in Ps. 121: de HERE is uw bewaarder. Dat roept de gedachte op aan de goede Herder, aan diens voortdurende betrokkenheid, zijn onwrikbare trouwen welwillendheid.
De HERE doet zijn aangezicht over u lichten en is u genadig. In Mt. 9:36 wordt dat prachtig geïllustreerd: ..toen Hij (Jezus) de scharen zag (Ook de zieken enz., 9:35!), werd Hij met ontferming béwogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren als schapen die geen herder hebben .....
Aan zulke beelden moeten we maar denken ook bij de zegen. Jezus keerde zijn gelaat, zijn ogen niet af uit gêne, uit afkeer, uit minachting voor wat zijn ogen zagen of ook uit onverschilligheid: Hij werd met ontferming bewogen. Hij deed zijn aangezicht over hen lichten: Hij keek hen niet donker, somber, dreigend aan en na. Hij was hun metterdaad genadig en dat straalde van zijn gelaat af. De genade van Israëls God lichtte op in zijn blik en zijn ogen. Gods zegen daalde op Israël neer (9).
Het aangezicht verheffen
Datzelfde lees je ook af uit de derde strofe die klinkt als een climax: De HERE verheft zijn aangezicht over u en geeft u vrede. Zijn aangezicht verheffen - het tegendeel lijkt mij beschreven in Jes. 53 inzake de lijdende knecht des HEREN: hij had gestalte noch luister ... hij was veracht en van mensen verlaten ... ja als iemand voor wien men het gelaat verbergt ... (vs 2-4): Maar dan hoor ik Jezus de gelijkenis van de verloren zoon vertellen. De vader zag goed hoe zijn jongen eruit zag, haveloos, in deplorabele staat - zijn gelaat verbergend. Maar die vader werd al toen hij hem van verre zag met ontferming over hem bewogen: hij rechtte zijn rug, hij hief zijn aangezicht op, hij liep hem (haastig) tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem - zo vies en bezweet als de jongen was (Luc. 15:20 v.v). Hij boog zich neer over. zijn zoon: hij (de meerdere) was hem (veruit de mindere) genadig. Hij verborg zijn aangezicht niet, sloeg zijn ogen niet van schaamte neer over zijn ontaarde zoon en zag hem niet donker en , dreigend aan: hij was een en al mededogen, ontferming en blijdschap.
Hij verhief zijn aangezicht en gaf hem vrede. Zijn zoon herstelde hij in ere: geen knecht bij de knechten, nieuwe kleren, een gouden ring, het gemeste kalf, een ereplaats aan
tafel. Hij gaf hem vrede. Zoals ze het tegenwoordig zeggen had die jongen het kunnen zeggen: gaaf, te gaaf, kei-gaaf - dát is 'vrede'. Dát is pas thuiskomen!
Zo zie ik de Israëlieten gaan (door de woestijn) èn thuiskomen. Zo zie ik een gemeente gaan èn arriveren.
De HERE zegent u en behoedt u; de HERE doet zijn aangezicht over u lichten en is u genadig; de HERE verheft Zijn aangezicht over u en geeft u vrede!
Alles wordt gaaf, kei-gaaf (naar Gez. 114).
Zegen: verklaring van eigendom
Die zegen is geen stereotyp aanhangsel aan een eredienst - een geschikt moment om je jas aan te trekken. Het is de steeds herhaalde en volstrekt gemeende verzekering' van uw God en Vader, die je je steeds weer in geloof mag toeëigenen om er gelovig 'amen' op te zeggen (Gez. 456).
Het uitspreken van de zegen (ook in een nieuw-testamentische vorm) is in wezen niet anders dan de (bevolen) verkondiging van Gods woord! Immers, zo heet het, "Zo zullen zij mijn naam op de Israëlieten leggen, en Ik zal hen zegenen"! (Num. 6:27). Vaak vergeten woorden.
De naam leggen op Israël: wat is dat anders dan een opnieuw (9) tot eigendom verklaren, een claim leggen op, een merken en verzegelen steeds opnieuw: gij zijt mijn volk. Een publieke verklaring van Gods keuze en eigendomsrecht mag niet versluierd worden tot een vrome wens - het is voluit Woord-verkondiging, niet meer en niet minder! Zo spreekt de HERE bij monde van Aäron en anderen: Ik zal hen zegenen! Een zekerheid, een vaststelling van een, onmiskenbaar, onbetwijfeld feit! Want gij zijt een volk dat de HERE, uw God, heilig is; u heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn (10).
Noten
7 J.L. Koole, a.w. pag. 18.
8 een bezegeling en bekrachtiging van Ex. 19:5b,Deut. 7:6; 14:2;26:18;Ps. 135:4 (vgl. Mal. 3:17);Op. 19:6.
9 Een goede exegese van 'het lichtend aangezicht' ls te vinden in Spr. 16:15 n.l. 'zijn welgevallen' in de parallelle vershelft. Ook valt te denken aan Ps. 80 (4, 8, 20) die van de uitleiding uit Egypte spreekt. Daar de tegenstelling met het 'lichtend aangezicht' in vers 17: 'dreigende aanblik' (waarvan een illustralie in Ex. 14:24!). Het contrast blijkt trouwens ook duidelijk in Pred. 8:1. Wat het eerstgenoemde Spr. 16:15 betreft is illustratief de geschiedenis van Esther: licht het aangezicht van de koning op, dan blijft ze in leven. De bede om het lichtend aangezicht als blijk van 'herstel' in Ps. 80 heeft een parallel in Dan. 9:17.
Dank overigens aan dé emer. hoogleraren dr. D. Holwerda en drs. J.P. Lettinga voor hun aanvullingen resp. correcties.
10 Deut. 7:6.