Nader over: De opstanding des vleses (2)

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22
De belangrijkste konklusie waartoe we in ons vorig artikel gekomen waren, was dat 'lichaam' niet hetzelfde is als 'vlees'. Het is voor onze lichamelijkheid niet nodig dat ze van vleselijke substantie is; een substantie van 'glans' of 'heerlijkheid' is ook een mogelijkheid, hoe moeilijk wij ons dat ook voor kunnen stellen. Het natuurlijke lichaam staat ons vanzelfsprekend het meest na. Toch schrijft de apostel: "Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam", en even eerder had hij al gezegd: "Er zijn hemelse, en aardse lichamen ..." (1 Korinthiërs 15: 44 en 40). Is het ook niet Christus zelf die gezegd heeft dat we op de dag van de opstanding zullen zijn als de engelen Gods (Lukas 20 : 36)? Maar, zal iemand zeggen, waarin verschilt onze toekomstverwachting dan nog van die der oude Grieken die immers alleen van de ziel beweerden dat ze door de dood heen zou blijven voortbestaan? Wij belijden toch de opstanding des vleses? Het is nu met name over deze bekende term uit onze belijdenis dat ik iets wil zeggen. Ik begin met dit belijden te konfronteren met het reeds eerder genoemde woord uit 1 Korinthiërs 15 dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet zullen beërven.

Opstanding des vleses
Ik bespeur wel eens de neiging om het woord 'vlees' in deze bekende paulinische tekst - opmerkelijk' genoeg!
- te vergeestelijken zodat het zoiets als zondigheid betekent: wij in onze zondigheid kunnen het koninkrijk Gods niet beërven. Dank zij deze vergeestelijking van het vlees denkt men dan voor het opstandingsbestaan aan een soort gereinigde vleselijkheid te kunnen vasthouden.
Nu ligt inderdaad bij de uitdrukking 'vlees en bloed' deze zondigheid van ons zeer dichtbij, .. zoals je bijvoorbeeld kunt opmaken uit Christus' woord dat vlees en bloed aan Petrus niet hebben geopenbaard wie de Zoon des mensen eigenlijk is. Toch, als je dan ergens anders leest dat Jezus bij zijn menswording deel gekregen heeft aan het bloed en vlees van de kinderen van Abraham (Hebreeën 2 : 14), dan weet je weer dat het bij 'vlees en bloed' gaat om het konkrete menselijke leven zoals wij dat hier kennen, onze aardse behuizing, Die staat in het teken van de vergankelijkheid, van het verderf, en kan daarom het koninkrijk Gods niet beërven. Wij zullen veranderd worden, zegt de apostel dan ook van de mensen die zullen leven op de dag van Christus' wederkomst. '"De eerste Adam was een levende ziel (wat in de taal van de bijbel sterk verwijst naar vlees en bloed, zie Levitikus 17 : 11), de laatste Adam is een' levendmakende geest" (1 Korinthiërs 15 : 45), Christus' opstandingsleven, waarin Hij zelf deelt en ons zal doen delen, heeft zo weinig met 'vlees' te maken dat de tijd van zijn verblijf onder ons getypeerd kan worden als 'zijn dagen in het vlees' (Hebreeën 5 : 7; zie ook 1 Petrus 3 : 18), Wat heeft zo'n typering voor zin als er een eeuwigheid in het vlees achteraan komt?

Verheerlijkend terugkomen op het 'vlees'
Maar nog eens, die opstanding des vleses dan, die wij zondag aan zondag belijden? De uitdrukking heeft inderdaad wel aanleiding gegeven tot misverstand alsof met het wóord 'vlees' ons opstandingslichaam gekarakteriseerd zou (kunnen) worden, Een al te naief opstandingsgeloof is daarvan wel het gevolg geweest.
Men wist van hoe het straks zal 'zijn meer te vertellen dan de Schrift zelf, Zeker, enige funkties van tiet vlees, eten en trouwen, vielen uit, maar voor de rest bleef alles bij het oude, zij het ook in vernieuwde vorm. Ik denk evenwel dat de uitdrukking 'opstanding des vleses' niets anders wil zeggen dan dat de Here God op de dag van de opstanding uit de doden verheerlijkend terugkomt op dit aardse bestaan dat hier 'vlees' moet heten. Met andere woorden: 'in de uitdrukking 'opstanding des vleses' verwijst het woord 'opstanding' naar het bestaan van daar en straks en het woord .'vlees' naar het leven van hier en nu. De Here God komt op de dag van de opstanding niet maar op een deel van ons, het 'geestelijke' deel bijvoorbeeld, terug (zo'n geloof zou ons inderdaad in de buurt van de oude Grieken brengen), nee, zijn liefde omvat ons totale bestaan tot in zijn uiterste konkreetheid. En dat vlees, dat konkrete bestaan, heeft, nee: gééft Hij toekomst, zo is beloofd. Maar we zullen het aan Hem moeten overlaten, hoe Hij zijn belofte nakomt.
'Vlees' en 'glans' Heel leerzaam in dit verband is de 'passage 1 Korinthiërs 15 : 39 - 41, Om te verduidelijken dat wij van het opstandingslichaam niet al te aards mogen denken zegt de apostel daar: "Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat van beesten, en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen. Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. De glans der zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de andere in glans".
Het woord dat in deze zinnen het vaakst voorkomt is 'anders' (of 'andere').
Het opstandingslichaam zal anders zijn dan het lichaam zoals wij het hier kennen. Nu blijft de apostel met dat begrip 'anders' eerst nog in de sfeer van het 'vlees'; vlees van mensen, beesten, vogels en vissen.
Het toekomstige zal anders zijn dan het tegenwoordige, zoals het vlees van vissen anders is dan het vlees van vogels. Dat is aanpassing.
'Vlees' doortrekt nu eenmaal al onze voorstellingen en zelfs ook ons voorstellingsvermogen.
Paulus knoopt daar dus bij aan, maar vervolgens leidt hij ons bij het 'vlees' vandaan door in de loop van die zinnen haast ongemerkt van dat woord 'vlees' af te stappen en op het heel andere woord, namelijk 'glans' of 'heerlijkheid', over te gaan. Onnodig te zeggen dat daarmee een verheffing van de gedachten gepaard gaat: van de aarde naar de hemel, zoals midderiin de passage dan ook staat: er zijn hemelse en aardse lichamen. Verachting van het aardse mag daar echter in geen enkel opzicht uit worden afgeleid, Het is juist in tegendeel de grootste eer voor het aardse dat God er hemels op terugkomt.
Mijn briefschrijver van de vorige maal had het over ds. Visee die zich in de arm kneep bij de woorden 'opstanding des vleses'. Het is waar, ik heb hem dat zelf wel zien doen, En terecht! Je kunt wanneer het over de opstanding gaat niet konkreet genoeg over het vlees spreken. Echter, het feit dat ds. Visee hier in zijn arm kneep wil nog niet zeggen dat hij straks zijn vlees tussen vinger en duim kan nemen. Wel zal hij wijzend op zijn nieuwe lichaam kunnen zeggen: dit wàs mijn eigenste aardse bestaan.

Konkreetheid
God komt verheerlijkend op het vlees terug. Tegen een moeder die helemaal opgaat in de drukte van het gezin en voor haar gevoel aan niet veel méér toekomt dan het afvegen van kinderneuzen en -billen, zeg ik dan ook graag dat haar arbeid niet ijdel is in de Here - zoals we weten de zin waarmee Paulus dat machtige hoofdstuk over de opstanding afsluit.
En een kind dat verdriet heeft over de dood van zijn poes troost ik graag met de opstanding des vleses. Niet in die zin dat poes later terug zal komen, maar dit is zeker: onze God beleeft genoegen aan het goede dat er tussen mens en dier kan zijn.
Verheerlijkend zal Hij daar een keer op terug komen. Dat lees ik af uit het visioen (denk erom: een visioen !) in de bijbel waarin voor wat de grote toekomst betreft ook de dieren een rol spelen (zie Jesaja 11 : 6 e.v.).
Juist het zeer konkreet nemen van het 'vlees' maakt het mogelijk om bij de opstanding aan, veel meer te denken dan gebruikelijk. Zelfs de pop heeft zo nog toekomst. Ik ga dan ook zeker niet mee met hen die bij de voorlezing van het christelijk Credo de uitdrukking 'opstanding des vleses’ vervangen door de opstanding van het lichaam. Dit lijkt mij een beperking. Ik zie dat mijn ruimte verbruikt is. Volgende keer de rest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief