India, mij een zorg...

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22
Kedgaon

Om 8 uur 's morgens is het perron in Pune nog niet zo afgeladen vol als ik het op andere momenten van de dag aantref. Het kost daarom dan ook geen moeite om een zitplaatsje te veroveren voor ons drieën. Met twee studenten ben ik op pad gegaan: de één was gids, hij wist de weg; de ander wilde dolgraag de Pandita Ramabai Mukti Mission eens met eigen ogen bekijken. Een uur lang glijdt het landschap van de staat Maharashtra aan ons voorbij: mensen op de maïsvelden of rijstvelden - het is er, na de moesson, weer zeer groen! - dorpjes, tempels, wagens met ossen ervoor. Het is echt India, zoals ik het me had voorgesteld.
Dan Kedgaon, een van de vele haltes aan de lijn. Het is er heel rustig.
Een spoorbrug over en maar vijf minuten lopen langs de vrij smalle asfaltweg. Dan links en rechts van de weg keurig onderhouden gebouwen, omgeven door tuinen met grote schaduw biedende bomen en met een veelkleurige pracht aan bloemen.
Een groot bord in het Engels en het Marati, de taal van deze staat, meldt dat we de plaats van bestemming bereikt hebben. We worden vriendelijk naar een van de talrijke wachtkamers verwezen; men zal zo' bij ons komen. Op bedden kunnen we even uitrusten, als we willen. Al snel wordt thee gebracht. Alles ademt een sfeer van gastvrijheid en competentie, als ook een aandacht , voor detail.

'Een Getuigenis'
Wie de achtergronden van de Ramabai Mukti Mission wil leren kennen kan er niet beter aan doen om het boekje 'A Testimony' (een Getuigenis) van de stichteres te lezen. Het is maar een bladzijde of 60 en vertelt de levensgeschiedenis van die opmerkelijke Pandita Ramabai. Impliciet geeft het ook de achtergronden van dit bijzondere plekje.
Ze kwam ter wereld als dochter in een Brahmaanse familie, mensen dus van hoge kaste binnen het rangenstelsel van het Hindoeïsme. Op zijn eigen manier was haar vader, alleszins een orthodox Hindoe, toch een hervormer. Hij onderwees zijn vrouwen dochter namelijk de gewijde taal van zijn religie, het Sanskriet. Via die taalstudie kregen deze vrouwen, en later ook zijn zoon, ' toegang tot de religieuze literatuur, de zgn. 'Poerana'a'. Als praktiserend Hindoe, die de geboden van zijn godsdienst zeer ernstig nam, koos hij een woonplaats in een dichtbegroeide bergtop, ver bij de wereld' vandaan. De opbrengst van zijn landerijen en plantages kon het gezin ruim van alle benodigde voorzien: voedsel, onderkomen onderwijs.
Maar niet voor altijd. Het huis lag dichtbij een Hindoe-heiligdom, dat vele pelgrims aantrok. Overeenkomstig de geboden van gastvrijheid werd iedere rondreizende heilige man of vrouw gehuisvest en gevoed.
Op een gegeven moment was echter het geld op! De gezinsleden moesten voortaan zelf het land doorreizen, op zoek naar voedsel; in ruil daarvoor reciteerden ze heilige geschriften. De Hindoegoden, wier naam ze zo zeer frekwent aanriepen, boden hun echter geen herkenbare steun. In enkele maanden tijd het was een periode van hongersnood - waren vader, moeder en een zus gestorven, aan voedselgebrek, en verzwakking. Samen met haar enige overlevende broer trok de latere 'Pandita' Ramabai verder, met een vaak lege maag, en met een gat in haar hart. De goden hadden geëist, de goden hadden niet gegeven ... Van de broer wordt verderop , in het boekje geen melding gemaakt.
Zij raakte echter door het Hindoegeloof ontgoocheld. Na enige jaren kwam ze in het gezelschap van Christelijke zendelingen te verkeren.
Ze leerde ook zelf Christus kennen.
En het veranderde haar leven.
Reizen naar het Westen volgden.
Maar ook terugkeer naar haar geboorteland.
Op een gegeven moment trok ze, zelf weduwe geworden (ze had een dochtertje) zich het lot van andere weduwen aan. Het werd haar door de omgeving niet in dank afgenomen! Vervolgens begon ze een huis voor weduwen en, later, van meisjes en jongens, die heel kwetsbaar in het leven stonden.
Weeskinderen, kinderen die ongewenst waren, of eenvoudigweg niet door de ouders ondersteund kónden worden.

De blinden
Terug naar het heden. We krijgen een voortreffelijke rondleiding. Eerst van de dame die verantwoordelijk is voor het werk onder de blinde meisjes.
Ze spreekt uitstekend Engels; ik heb vooral in het begin van mijn tijd in India nog wel eens moeite om 'Indisch Engels' goed te verstaan,' maar in 'Mukti' spreekt men Engels met een Brits accent.
De blinde meisjes, die goed als zodanig herkenbaar zijn, volgen onderwijs in kleine groepjes. We zien kinderen bij les in aardrijkskunde, rekenen (met een heel ingenieus systeem, dat ik in ons land nooit gezien heb) en de taalles. Vaak hebben ze (bijna) individueel les, van een eveneens blinde lerares. Die laatste is bijna steevast iemand die als meisje zélf in 'Mukti' is terechtgekomen, en daar is gebleven.
Want, zo wordt ons verteld, nagenoeg alle meisjes gaan rond hun twintigste jaar trouwen en verlaten dan het 'Home'. Blinde meisjes echter trouwen zelden of nooit en blijven dus in Mukti. (Binnenkort, aan het eind van dit jaar zou echter een blind meisje met een blinde jongen trouwen; het huwelijk was door wederzijdse vrienden gearrangeerd.
Misschien was dit wel het eerste 'blindenhuwelijk' in de honderdjarige geschiedenis van Mukti Mission; men was er heel enthousiast over!) Wat later komen we op een afdeling waar blinde vrouwen bijeen zijn om handenarbeid te verrichten.
In een soort kleermakerszit werken wel 60 oudere of jongere vrouwen aan manden van pitriet en andere fraaie voorwerpen. Net als bij het 'nagenoeg individuele onderwijs ademt ook deze omgeving sereniteit en intimiteit. Er wordt hard gewerkt én vrolijk gepraat. Als onze rondleidster ons bezoek aankondigt, wordt het stil. Al kan men niet zien, men is duidelijk nieuwsgierig. Via onze tolk beginnen we een praatje.
Ze vragen na verloop van tijd of ie iets voor ons mogen zingen. Daar bestaat uiteraard niet het minste bezwaar tegen. Het christelijke lied dat ze zingen, in het Márati, kennen we ook in het Engels; ik ben de enige die ook een Nederlandse tekst kent, uiteraard.
Het is een indrukwekkende afdeling, op de een of andere manier. Opvallend is de tederheid waarmee men met elkaar omgaat, gepaard Ban een gebrek aan sentimentaliteit of 'zieligheid'.
Inderdaad, deze vrouwen zijn kansarmer dan de rest, maar ze zijn zelfbewust. Ze verkeren in een beschermende, maar niet in een vertroetelende sfeer. Ze zijn niet bezig minimaal te 'overleven', intégendeel, ze kunnen wat, ze voorzien in eigen levensonderhoud. Alleen als het om kleurschakeringen gaat, of om motieven die recht op een mand moeten komen, is men - tijdelijk - afhankelijk val) zienden. Maar verder gebeurt alles door hen zelf.

De babies en de peuters
Een andere dame neemt ons mee naar de 'nursery', de afdeling van de babies. Een grote zaal, waar tientallen wiegjes net boven de grond zweven: ze zijn met koorden aan het plafond bevestigd. In lig-, zit- of kruip-houding bevinden zich 23 babies bij elkaar, die samen verbluffend rustig zijn (of dat komt van het moment van de dag waarop we hen bezoeken of dat ze altijd zo rustig zijn, ik weet het niet; het laatste lijkt me onwaarschijnlijk!) Allemaal van die práchtige kinderen, met hun donkere ogen en hun al-dan-niet krullend gitzwarte haar. En een stel verzorgsters, meisjes van rond de twintig, die herkenbaar gék zijn op dat knuffelvolkje en dolgraag met hen (en ook zonder hen, trouwens) breeduit voor de camera gaan poseren!
"Deze twee hebben we nu vijf dagen in huis", wijst een van hen. "Een van de bewakers vond ze 's nachts op onze landerijen. Te vondeling gelegd.
Dat gebeurt heel geregeld; onze nachtwakers zijn erop bedacht dat het kan gebeuren. Van de moeder ontbreekt bijna altijd ieder spoor. We nemen de kinderen uiteraard altijd op."

De keuken
Na foto's te hebben gemaakt van babies en peuters (die, net als bij ons, gek op brillen blijken; kun je lekker afrukken en op de grond laten vallen) komen we bij de keukenafdeling met uitzonderlijk schone ruimten, grote containers met voedsel (meestal van eigen landerijen) en een héél enthousiaste rondleidster.
Mrs. Banerjee, met haar zilveren haar, is één en al vitaliteit en danst haast op en neer, van pure levenslust en geloofsblijheid. lange verhalen, meeslepend verteld, over de biogas-installatie, de voedselvoorziening, de bewerking van het land, de veeteelt, de giften die Mukti ontvangt en over de (minstens twintig) dames die dagelijks het voedsel bereiden, in de keuken, de bakkerij en de opslagplaatsen. Ook horen we van haar moeder, die lang geleden al, 'Mukti girl' was, trouwde en in Kedgaon bleef wonen. Als kind had zij zelf in Mukti gewoond en was ze er opgegroeid. Ze was jaren lang in een ander deel van India woonachtig, maar ze was op latere leeftijd teruggekomen; en "she loved it".
Met trots spreekt ze over wat er gedaan wordt en bereikt is, maar in haar woorden overheerst de dankbaarheid.
"De Here heeft steeds in alle noden voorzien", zegt ze.

In de hoogte en de diepte
Daarover zou heel wat te vertellen zijn, ook uit het verleden. Over die put op het land, bijvoorbeeld. Water was echt nodig, want de (goedkoop verworven) grond was kurkdroog.
Nadat de hele gemeenschap daar veel voor gebeden had, liep Pandita Ramabai op een gegeven moment naar een bepaald stuk grond en zei: "Hier gaan we graven naar water".
Het water dat men daar inderdaad aantrof (ik meen dat dat écht een wonder was, maar niet een van een buitengewoon zweverige aard) gutst tot op de dag van vandaag via een systeem van leidingen in gootjes voor bevloeiing van het uitgestrekte land. Mijn foto's van de put maak ik in het besef dat hier iets bijzonders gebeurd is: de Here God heeft zich hier een uitredder betoond. Hetzelfde gevoel heb ik, als ik de 'Gebedstoren' beklim, waar vele jaren lang, onafgebroken, dag en nacht, werd gebeden om een opwekking.
Die is ook gekomen: in de jaren 1905-1906 werden vele in India aangeraakt door het vuur van Gods Geest. Ook in Mukti kwamen honderden meisjes in korte tijd tot diepere overgave aan Gods wil.
Ook als ik Pandita Ramabai's woonen werkkamer (én haar sterfkamer) betreed is er een besef dat dit bijzondere grond is. Alles staat nog precies zo opgesteld als het zeventig jaar geleden werd ingericht. Ik blijf een tijdlang,in de ruimte namijmeren, alleen. Toch, het gaat uiteindelijk niet om het verleden, maar om het heden en de toekomst.
Een heden dat de toekomst in zich besloten houdt, voor vijfhonderd babies, peuters, schoolmeisjes, ziend of blind, en oudere vrouwen.
God maakt af wat Hij begonnen is te doen. Nu al honderd jaar, in een klein dorpje in het onafzienbare Indiase land.

Dit weekend is het groot feest in het dorpje Kedgaon" zo'n 5,5 uur met de trein van de stad Bombay verwijderd.
Juist deze dagen is het namelijk honderd jaar geleden dat de "Pandita Ramabai Mukti Mission" zijn (of is het naar?) poorten opende.
Honderden, zo niet duizenden meisjes en vrouwen, van alle leeftijden, gehuwd of alleenstaand, zijn stellig nu bijeen om dit 'gebeuren te vieren.
De 'Mission' is namelijk een groot weeshuis/kinderhuis voor meisjes, waar, nu dus een volle eeuw lang, zo'n 500 tot 2000 kinderen tegelijk zijn gehuisvest geweest. En met veel liefde zijn gevoed, gekleed en onderwezen.
Een indrukwekkend stuk werk. Het is een van de tehuizen die gesteund worden door stichting 'Red een Kind'. Daarover hoop ik volgende keer ook nog het een en ander te berichten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief