Nader over: De Opstanding des vleses (3, slot)

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22
Waarom gebruik ik zoveel woorden voor iets dat toch een geheimenis blijft, zo vroeg ik me al schrijvend af.
Waarom niet gewoon gezegd: afwachten, mijne heren!, zoals professor Greijdanus een keer gezegd moet hebben tegen studenten die over deze dingen diskussieerden?
Wel, daar heb ik toch een bijzondere reden voor die tot dusver nog niet ter sprake is gekomen. Ik ben namelijk van mening dat er een samenhang bestaat tussen het al te vleselijk invullen van het opstandingsleven en het al te letterlijk nemen van allerlei profetieën, zoals dat bijvoorbeeld bij de Duizendjarig Rijkgelovigen gebruik is. We lijken hiermee op een geheel ander onderwerp over te stappen, maar dat bedoel ik toch niet. Want weliswaar luidt de opstanding uit de doden het einde van de geschiedenis in, terwijl we met de profetieën ook het veld van de geschiedenis zélf betreden, maar juist op dat veld van de geschiedenis vinden herhaaldelijk gebeurtenissen plaats die een vóórafschaduwing zijn van de eindovergang en daarom ook met het woord 'opstanding uit de doden' benoemd kunnen worden. Zodat de wederopstanding des vleses niet helemaal voorbehouden is aan de jongste dag. Af en toe vangen we daarvan 'hier en nu al een glimp op.

Ezechiëls-profetie
Zó weten wij bijvoorbeeld dat de profeet Ezechiëlisraëls toekomst van na de ballingschap aankondigde als een opstanding uit de doden (zie hfst. 37). Bedoelde hij daarmee nu te zeggen dat het vlees van vóór de ballingschap weliswaar gereinigd maar verder toch onveranderd zou terugkeren? Het staatsbestel van Israël bijvoorbeeld met alles wat daaraan vastzat? Mensen die dat denken vinden in de tijd na de ballingschap niets van vervulling van deze profetie terug en zeggen daarom dat wat Ezechiël voorzag allemaal nog komen moet. En zo brengen zij zijn profetie in verband met de verwachting van het Duizendjarig Rijk waarin een herrezen Israël ook in politieke zin de hoofdrol zal spelen. Zij zien daarbij evenwel over het hoofd dat bijbelse profetieën gel ijk zijn aan zaden die in de grond worden gestopt en daar sterven.
Zij sterven aan de vleselijke vorm waarin deze visioenen zijn gegoten. En daarna geldt van hen hetzelfde als wat Paulus in verband met de opstanding zegt: "Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij gewild heeft, en wel. aan elk zaad zijn eigen lichaam" ( 1 Korinthiërs 15: 38). Wie Ezechiël in de ballingschap aanhoorde kon op grond van zijn profetie geen precieze voorstelling ontwerpen van hoe het naballingschapse leven er uit zou zien.
Wie echter na de ballingschap leefde kon met de ogen van het geloot opmerken dat met de povere nieuwe start van Israël in het beloofde land, onder Haggaï, Zacharia, Ezra en Nehemia, wel terdege een begin van recht werd gedaan aan het profetische visioen, zij het ook dat de profetie van Ezechiël daarmee bij lange niet was uitgeput. Er zat nog veel meer in. Echter, de trend was gezet: vervulling betekende een vergeestelijking van het vlees. Ezechiël 37 : 8 zegt bijna met zoveel woorden dat "het vlees geen nut zou doen" (verg. Johannes 6 : 63). Israël kwam na de ballingschap anders terug. Het volk 'Gods werd in die straftijd van het exil in beginsel al' "gedood naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest" - om het met woorden te zeggen die oorspronkelijk van onze Here geschreven zijn (zie 1 Petrus 3: 18). Deze vergeestelijking moeten we niet verstaan als een vervluchtiging of verdamping van de werkelijkheid, maar zij is een toenemend en ultiem ter zake komen van God met zijn heilsbedoelingen. De leer van het Duizendjarig Rijk gaat daar dwars tegenin en is daarom zo onbijbels als het maar kan.

Onomkeerbaar proces van vergeestelijking
De geschiedenis is vol 'doden' à la de ballingschap en ook vol opstandingen uit die 'doden'. In een niet definitieve en voorafschaduwende zin, tenminste. Ook de grote reformatie is er een voorbeeld van. En steeds stuit je daarbij op dat onomkeerbare proces van vergeestelijking.
Het nieuwe is anders dan het oude. Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Wat over de opstanding ten laatsten dage gezegd wordt heeft een zwakke en flauwe analogie in de geschiedenis. Zoals het trouwens ook een parallel heeft in ons aller menselijk leven. Wandelend door het Hooglied komen we onder de indruk van "de heerlijkheid van het vlees" (term uit Jesaja 40 : 6).
Toch zijn de handen van een oude man mooier dan de borsten van een jonge vrouw. Evenwel, kun je dat 'mooiere' eigenlijk nog wel 'vlees' noemen? Of hebben we in dat karakter van die handen reeds te doen met een vage voorbode van het toekomstige geestelijke lichaam?
Het voorbeeld is daarom wel aardig omdat je van deze vergeestelijking niet kunt zeggen dat ze in tegenstelling staat tot de stof, de materie. De handen van de oude werkman zijn immers daarom zo mooi geworden omdat ze zich intens met de materie hebben beziggehouden. Het is een geestelijkheid die gewonnen is op de stof en niet verworven door ontvluchting ervan. De verdenking die op het woord 'vergeestelijking' rust is hier dus niet ter zake. Welnu, zouden we van de opstanding des vleses mogen zeggen dat weliswaar niet die handen, maar wel het karakter van die handen verheerlijkt terugkomt?
Zouden wij dat als een benadering van het geheim mogen kiezen? Ook trouwens het genieten van dat andere lichamelijke schoon zal de Here niet laten verloren gaan.
Ook daarop komt Hij verheerlijkend terug, zowaar Hij de goede Schepper van de goede schepping is.

Tweeërlei hermeneutiek
Met mijn uitweiding over de geschiedenis en over dit leven heb ik het gesprek over de wederopstanding des vleses in een breder kader gezet.
De wijze waarop wij aan de hand van de Schrift tegen déze wereld en tegen dit leven aankijken heeft er óók mee te maken. De hele hermeneutiek is in geding, dat wil zeggen: de sleutel die we voor het openen van de Schriften hanteren.
Kiezen wij voor een hermeneutiek van het nieuwsgierig overvragen van de teksten, dan zullen we én van de vervulling van de profetie in het algemeen én van het opstandingsleven in het bijzonder te vleselijke voorstellingen hebben. Een meer bescheiden hermeneutiek daarentegen zal ons op tijd doen stil houden voor het geheimenis dat zowel de vervulling van de profetie als het leven der toekomende eeuw omgeeft. Een besef van "wij wandelen in geloof en niet in aanschouwen" (11 Korinthiërs 5 : 7) zal ons doordringen.
Wij zijn begonnen met de werkelijkheid van de opstanding van onze Here te handhaven tegenover de vrijzinnigheid van mensen als bisschop Jenkins uit Engeland en professor Van Gennep bij ons. Wij moe ten die vrijzinnigheid uit de buurt blijven. Maar wij moeten ook uit de buurt blijven van de nieuwsgierigheid die teveel wil weten en die het 'vlees' als informatiebron voor het nieuwe opstandingsleven hanteert.
Dit laatste gevaar is onder ons reëler dan het eerste, is mijn indruk.
Wat Gijsbert Karel van Hogendorp zei in zijn proklamatie aan het Nederlandse volk na de Franse overheersing: 'de oude tijden komen weêrom', was in historisch perspektief al een vergissing, maar voor de toekomende eeuw kunnen we dit woord helemáál niet gebruiken. Nee, het goede van de oude tijden, plus het goede van de nieuwe tijden, kortom: het goede van álle tijden, dát komt weêrom,en dan verheerlijkt, vermenigvuldigd 'tien- en tienmaal duizend sterk'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief