Internationale Conferentie van Gereformeerde Kerken (3)
1989-10-27
- Jaargang 33
- nummer 22
De lezing en bestudering van de Westminster Confessie, met de grote en de kleine catechismus, wil ik van harte aanbevelen. Het geeft geen moeite het gereformeerd belijden hierin te herkennen. Hier en daar klinkt een· bevindelijke toon door in deze uitvoerige onderwijzing in de inhoud van ons christelijk geloof. Het artikel over de krachtdadige roeping (10) zou zich uitnemend lenen voor het gesprek met onze Christ. Geref. broeders en zusters. In art. 15 wordt gehandeld over "Het berouw ten leven" en in 18 over "de zekerheid van genade en zaligheid".
Hier wordt een practische onderwijzing gegeven voor een leven in geloof.
Genoeg, om aan te tonen dat we onze winst kunnen doen met deze belijdenis, in onze taal uitgegeven door de Vuurbaak. Zeker, er zijn aanmerkingen en opmerkingen te maken, maar alle belijden is mensenwerk.
In de jaren waarin de strijd rond kerk en belijdenis in de vrijgemaakte kerken hevig woedde, is meermalen herinnerd aan de ruimhartige instelling van Calvijn, die bereid was de (Lutherse) Augsburgse Confessie te ondertekenen, niet omdat hij met alles instemde, maar om aan te tonen dat hij de volgelingen van Luther in Christus aanvaardde.
Dit appèl op Calvijn heeft in die dagen niet mogen baten. Het is daarom niet verwonderlijk dat de vrijgemaakte kerken met hun geschiedenis en hun strakke binding aan de drie formulieren van enigheid, op hun internationale conferentie moeiten blijken te hebben met het aanvaarden van de Westminster Confessie.
Wat is namelijk het geval.
In het vorig artikel heb ik gewezen op het feit dat in de Vrijmaking de kern van het conflict dat tot scheuring leidde lag bij artikel 31 van de Dordtse K.O.: het recht van de kerken om een besluit van een meerdere vergadering niet voor vast en bondig te houden.
Aanleiding hiertoe waren de leeruitspraken o.a. over doop en verbond die door de synode van de Geref.
Kerken bindend waren opgelegd.
Omstreden in die uitspraken was de bekende zinsnede: dat daarom - overeenkomstig hetgeen de Synode van Utrecht 1905 (Acta art. 158) uitgesproken heeft- "het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt ..."
De bezwaarden eisten geen maatregelen tegen de voorstanders van deze leer, maar waren bereid dit te verdragen, mits zij niet aan de uitspraken gebonden werden.
Het was daarom primair een kerkrechtelijk geschil, maar de bezwaren tegen het houden voor wedergeboren bleven en werden breed uitgemeten.
Grote nadruk werd er op gelegd dat in de doop de belofte van het verbond wordt betekend en vergezeld en dat wie de belofte gelovig aanvaardt de zegen van het heil ontvangt, maar dat er ook een verbonds-vloek is. Het was onderwerp van vele gesprekken in die dagen. Wat zegt nu de Westminster Confessie over deze zaak die actueel was bij scheuring in de Geref. Kerken in ons land. In de 35 artikelen van de belijdenis is niet één hoofdstuk speciaal aan het verbond gewijd.
Dit is niet zo vreemd, want ook in andere belijdenissen uit de 16e en 17e eeuw lezen we weinig over het verbond, omdat het in de tijd van de Reformatie niet in discussie was en de leer van het verbond zich later heeft ontwikkeld.
Van toepassing is wel wat we lezen in Art. 10 sub 3: uitverkoren kinderen die in hun vroege jeugd sterven, worden wedergeboren en door Christus zalig gemaakt door middel van de Heilige Geest, die werkt wanneer, waar en hoe het Hem behaagt".
In gesprekken in de tijd van de vrijmaking werd ons van 'synodale' zijde voorgehouden dat we toch geloven dat jong ,gestorven gedoopte kinderen zalig zijn en dus wedergeboren en we daarom de kinderen voor wedergeboren houden.
De Dordtse Leerregels spreken voorzichtiger over deze zaak wanneer ze zeggen: zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun kinderen welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt. In de aan de Westminster belijdenis toegevoegde catechismus lezen we iets meer over het verbond.
"Met wie werd het genadeverbond gemaakt" luidt vraag 31. Het antwoord is: Het genadeverbond werd gemaakt met Christus als de tweede Adam, en in Hem met al de uitverkorenen van zijn zaad.
In de tijd van de Vrijmaking is van onze zijde steeds gesteld dat het verbond is opgericht met Abraham en zijn zaad en alle gedoopten tot het verbond behoren.
Een benadering van het verbond uit de verkiezing werd afgewezen. Ik herhaal: het is vanwege de erfenis uit de jaren van de Vrijmaking, dikwijls aangeduid als "Het werk des Heren in de Vrijmaking", niet verwonderlijk dat er zich moeiten voordoen bij het aanvaarden van de Westminster Confessie door vrijgemaakte kerken.
Het wordt nog moeilijker wanneer we letten op de gebeurtenissen die hebben geleid tot de scheuring in de jaren 1967/70. Indertijd heb ik er op gewezen dat in de ontwikkeling binnen de vrijgemaakte kerken niet de leer van verbond alle aandacht kreeg, maar het belijden aangaande de kerk.
Meermalen is beweerd dat de vrucht van de Vrijmaking is geweest dat men de kerk weer heeft ontdekt. Er zijn nog veel herinneringen over heftige discussies over de ware en valse kerk en de samenwerking met andere christenen. Ongemeen scherp waren de reacties op de Open Brief in 1966, waarin een 'vrijmakings-geloof' werd gesignaleerd en afgewezen. Wat leert nu de Westminster Confessie over de kerk? Art. 25 begint aldus: De katholieke of universele kerk, die onzichtbaar is, bestaat uit het volle aantal uitverkorenen, die tot één vergaderd werden, worden of zullen worden onder Christus haar Hoofd. Over de zichtbare kerk wordt gezegd dat die bestaat uit "allen die over de hele wereld de ware godsdienst belijden, samen met hun kinderen ", Van de afzonderlijke kerken die leden zijn van de katholieke of universele kerk geldt dat zij meer of minder zuiver zijn, ja, de zuiverste kerken staan nog bloot aan verwarring en dwaling.
Sommige kerken zijn zo verbasterd dat zij geen kerken meer zijn maar synagogen van Satan.
De Paus komt er niet best af: hij wordt de anti-christ genoemd. Het valt direct op dat de onderscheiding: zichtbare, onzichtbare kerk wordt gehanteerd; vervolgens wordt er gesproken van meer of minder zuiver, terwijl de uitdrukking ware/ valse kerk in deze belijdenis niet voorkomt. Het was Prof. Dr. K. Schilder die al voor de Vrijmaking critiek had op de termen zichtbaar/ onzichtbaar, meer of minder zuiver en er op wees dat onze Nederl. Gel. Belijdenis spreekt van ware en valse kerk. Hij opponeerde tegen een leer van de pluriformiteit van de kerk, waarin de schuldige verdeeldheid in feite goed gepraat werd en ijverde voor de eenheid van Christus' kerk.
(Johannes 17) Bij Schilder treffen we niet de extreme opvatting aan als zou de vrijgemaakte kerk de enige, ware kerk in ons land zijn, waar ieder die zich in het kerkvergaderend werk wilde voegen zich bij aan moet sluiten.
Later hebben zich in de kerken ontwikkelingen voorgedaan over kerk, vrijmaking en samenwerking die hebben geleid tot het conflict dat zo'n droevige scheur trok in de kerken.
Hier is zoveel over geschreven dat ik volsta met te zeggen dat de vrijgemaakte kerken zich van andere kerken hebben geïsoleerd door een exclusivisme waarvoor men nergens steun vindt in de wereld. Gereformeerde Kerken in Amerika en Zuid-Afrika hebben een veel ruimhartiger, standpunt t.a.v. andere christelijke kerken. Op hun synoden spreken afgevaardigden van Hervormde kerken.
Ook de Presbyteriaanse Kerken met hun Westminster Confessie hebben een ruimer standpunt ten aanzien van de broederschap. Uit de verslagen in het Ned. Dagblad is gebleken dat vooral de vrijgemaakte kerken in Australië en Z-Afrika moeite hebben met de Westminster Confessie en dat is heel goed te begrijpen, gezien de pretentie die zij voeren.
De vrijgemaakte kerken in Nederland hebben een ruimer standpunt en daarover verwonder ik mij in de hoop dat die verwondering nog eens tot blijdschap wordt.
Hierover een volgend keer tot slot.