Rationalisme in de godsdienst
1989-10-27
1.Geloven en denken- Jaargang 33
- nummer 22
In onze Nederl. Geref. Kerken geloven en belijden we dat de Bijbel Gods Woord is. Dat hebben we gemeen met vele andere orthodoxe kerken en groeperingen in ons land (en daarbuiten). Dat hebben we ook gemeenschappelijk met vele orthodox-gelovigen in kerken en groeperingen die dit geloof niet officieel-confessioneel hebben vastgelegd, of die zulk een confessie niet tevens kerkrechtelijk handhaven.
Zoals bekend doet zich het , verschijnsel voor dat binnen de rechtzinnigheid lang niet altijd hetzelfde gedàcht wordt óver de Bijbel.
Er zijn bijvoorbeeld over de inspiratie van de Schrift uiteenlopende theorieën binnen de orthodoxie, en ook diverse zgn. "hermeneutische benaderingen". Zulks ondanks de bovengenoemde gemeenschappelijkheid van geloof. Daardoor alleen al hebben we allen een meer of minder helder besef van het feit dat geloven niet hetzelfde is als denken, ook al is dat denken theologisch denken. Dit gegeven is belangrijk genoeg om ook in onze tijd en in onze kring nog eens over na te denken.
Al twee en een half duizend jaar geleden is men in onze Westerse cultuur, met name in de filosofie, begonnen met het nadenken over de verhouding van die beide: geloven en (wetenschappelijk) 'denken. Want ook het Griekse heidendom - de eerste bakermat van 'de Westerse cultuur -kende deze problematiek al. Ook toen al, d.w.z. ongeveer 500 jaar vóór Christus, kende men in het heidense Griekenland het probleem van de godsdienstige secularisatie zoals trouwens ook het volk Israël dat kende in die tijd en 'zelfs al eeuwen eerder. En ook toen al was er in Griekenland een of ander verband tussen de opkomst van de wetenschap en de (heidense) godsdienstige secularisatie.
Wat ons als gelovigen m.i. op een ,actuele wijze thans opnieuw aangaat is dat de christelijke theologen van de eerste eeuwen in hun geloofsbeschouwingen en formuleringen in belangrijke mate hebben aangeknoopt bij de filosofische tradities van de Grieken, deels kritisch, deels naïef-onkritisch. Vanuit de christelijke, 'reformatorische wijsbegeerte' wil ik over deze problematiek een en ander naar voren brengen. Hoofdzakelijk ten behoeve van een kritischreformatorische visie op de Bijbel, zowel in praktische en werkelijke zin ('schriftbeschouwing') alsook in een (wetenschappelijk) theologische zin, dus betrekking hebbend op de bijbeltheorie, of theologische schriftbeschouwing ('locus de sacra scriptura').
2. Meningsverschillen in en over de Bijbel
Het is niets nieuws als ik er aan herinner dat we in de Christelijke kerk van het begin af te maken hebben gehad met verschillen in het verstaan en toepassen van bepaalde bijbelgedeelten. We lezen al in Hand. 15 over grote meningsverschillen en heftige beroering in de eerste gemeente van Jeruzalem. We herinneren ons ook de twist tussen Paulus en Petrus (Gal. 2:11-14) waarin Paulus niet van toegeven wilde weten. Anders, dan toen hij aan de Filippenzen schreef: " ...Iaten wij aldus gezind zijn. En indien gij op enig puntanders gezind zijt, God zal u dat ook openbaren" (Filip. 3:15). Bekend is ook zijn tolerantie ten aanzien van vlees eten of vegetariër zijn, van vastendagen in acht nemen of niet. Scherp is Paulus dan tegen het beoordelen of minachten van de ander, in dat soort dingen (Rom. 14:1-12). Dit in tegenstelling tot zijn houding tegenover grove, ketters en zondaars: "Doet, wie niet deugt, uit uw midden weg" (1 Cor. 5:13).
Zo blijkt dus dat reeds tussen de apostelen zelf, en tussen Paulus en leden van de door hemzelf gestichte gemeenten, verschillen bestonden die deels minder belangrijk en deels zeer belangrijk waren, deels, aanvaardbaar en deels onaanvaardbaar, deels betrekking hebbend op de leer en deels op de levenspraktijk - maar steeds betrekking hebbend op de waarheid Gods.
3. Kerkelijk toezicht op leer en leven
Dit krasse verschil tussen verdraagzaamheid op bepaalde punten, en christelijke ónverdraagzaamheid (vgl. ook Openb. 2:2,6) op andere punten, wijst er al op dat niet alle meningsverschillen in de kerk op hetzelfde niveau staan, van dezelfde 'soort' zijn. Een praktische onderscheiding is deze, dat we hoofdzaken van bijzaken onderscheiden, centrale onderwerpen en punten die wat meer aan de rand liggen. In de praktijk blijkt echter dat we daarmee tegelijk een nieuwe, bron van mogelijk meningsverschil hebben. Want wie maakt uit wat wel of wat niet hoofdzaak is, of bijzaak? Hoe zwaar tillen we aan bepaalde kwesties, zoals bijv. kinderen aan het H. Avondmaal, de vrouw in het ambt, de 'Dordtse Kerkorde' dan wel een of ander 'Akkoord van samenleven', het al of niet verstaan van Genesis 1 in letterlijke of in historische zin, de ouderdom van het boek Deuteronomium, het al of. niet afslanken van de bevoegdheden der 'meerdere vergaderingen' (regio of Landelijke Vergadering), enz. Ik noemde maar een paar voorbeelden waarover alleen al , in onze Nederl. Geref. Kerken openlijk verschillend wordt gedacht. Of moet ik zeggen: geloofd? , In de geschiedenis van de kerkelijke tuchtoefening over de levenswandel heeft men daarom wel gegrepen naar de uitdrukking 'openbaar en ergerlijk', om daarmee het kriterium aan te geven voor wat niet meer 'in de kerkgemeenschap getolereerd kon Worden. Maar het is m.i. nog nooit gelukt, en het zal principieel ook nooit kunnen lukken, om theologisch haarscherp te omlijnen wat, wel, of wat nog net niet, 'openbaar en ergerlijk' genoemd moet worden, 'of waar precies de grens ligt voor het 'gedogen' van onchristelijk leven van gemeenteleden. De wijsheid, of onwijsheid, van de kerkelijke praktijk had hier altijd het laatste woord, in samenhang met kerkrechtelijke adviezen, maar ook met de eisen en zeden van de eigen tijd: historisch, cultureel, sociaal, enz. Soms ook in samenhang met de politiek (b.v. in de jaren plm. 1650), of in samenhang met wetenschappen als psychologie of psychiatrie, zoals in onze tijd. , Wat de (geloofs)leer betreft, was het niet anders. Wij belijden: de H. Schrift alleen is de norm voor ons geloof. Maar men heeft al spoedig de tekst van de aanvaarde geloofsbelijdenissen als het praktisch kerkelijk kriterium gezien voor wat wel of niet een onduldbare geloofsafwijking genoemd moest worden.
Daar waren en zijn dan ook goede redenen voor, indien althans deze confessies op echt gemeentelijke en op een typisch kerk-rechtelijke wijze, en niet op een strikt formele en burgerrechtelijke Wijze worden gehanteerd.
Maar ook deze gewoonte brengt in de praktijk vaak evenveel problemen als oplossingen. Want niet alleen kan men ook in de confessies hoofdzaken en niet-hoofdzaken onderscheiden, maar vooral: op vele punten kunnen ook confessies verschillend geïnterpreteerd worden, of ook wel wat anders en beter geformuleerd worden. De tekst ervan staat gedrukt, maar zij moet gelezen worden, en de een leest nu eenmaal wel eens iets anders dan de ander uit dezelfde tekst. Moet dan de historisch-theologische interpretatie uitmaken wat er eigenlijk staat en bedoeld is?
En is die historischtheologische bedoeling dan normatief voor ons geloofsleven?'
4. Theologie in de kerk
Bij meningsverschillen over de leer, over de kerk-organisatie en over liturgische gebruiken wordt in de kerken al spoedig de hulp ingeroepen van gespecialiseerde deskundigen, meestal dus theologen. Als het over de leer gaat beginnen de verschillen zelfs meestal bij hen. Omdat de predikanten in de kerk gewoonlijk een theologische studie achter de rug hebben, is het duidelijk en ook terecht m.i. dat hun inzichten op kerkelijke vergaderingen in de regel zwaar wegen en praktisch een doorslaggevende invloed hebben op de beslissingen.
Het zou dan ook m.i. niet juist zijn, deze indirecte, maar wel grote rol van de theologie in de kerk te ontkennen.
Het zou m.i. ook onverstandig zijn daarover alleen maar negatief te oordelen. We moeten niet toegeven aan een anti-theologische stemming, uit reactie tegen een m.i.
terecht opgemerkte overschatting van de theologie in het kerkelijk leven. Evenmin als het verstandig zou zijn zich te laten verleiden tot een 'anti-clericalisme', uit reactie tegen allerlei vormen van overschatting der ambtelijke bevoegdheden, 'dominocratie' en zelfs 'ambtsmagie'. Als onze kerken zgn.' 'domineeskerken' of een 'theologenkerk' zouden worden, dan hebben we als gemeenten dat in de eerste plaats aan onszelf te wijten, en dan is anti-clericalisme bepaald niet de remedie. 'Het is schriftuurlijk om het ambt in ere te houden en zo nodig te beschermen ... maar dat ook tegen een overwoekering van het theologisch element dat in de ambtsbediening van predikanten altijd wel wat mee komt en ook gemakkelijk een te grote rol gaat spelen.
Omdat ook in de kerken der Reformatie heel vaak geloof en theologie niet duidelijk onderscheiden worden"
is er een taaie traditie ontstaan, al vanuit de vroege middeleeuwen, om de rol van de theologische wetenschap in de gemeente schromelijk te overschatten. Laat ik daarvan een voorbeeld noemen uit de theologie van ongeveer veertig jaar geleden.
Toen kon Prof. Polman in zijn vierdelige kommentaar op de Nederlandse Geloofsbelijdenis (z.j. dl 11blz. 5) over ons aller belijdenis dat Christus God én mens was, gewoon schrijven zonder dat het in de kerkelijke pers opzien baarde of zelfs maar gesignaleerd werd: "Wil men de zin ervan (nl. van de bewoordingen van dit geloof, A.T.) verstaan, dan moet men tot de grote strijd tussen Athanasius en Arius teruggaan". En als het gaat over ons belijden van Gods Voorzienigheid dan heet het: "Daarom verstaat men dit artikel niet, zo het rechte licht over Augustinus' belijden ontbreekt" (11,70). Mijn vraag: zouden gelovige 'leken' die nog nooit een letter van Augustinus gelezen hebben, daarom hun eigen belijden van Gods Voorzieningheid 'niet verstaan'? En moeten we de strijd van Athanasius en van Arius uit het begin van de vierde eeuw kennen, om echt en bewust te kunnen belijden dat de Christus Gods Zoon is?
5. Rationalisme en anti-intellectualisme in het geIoofsleven
Het zojuist geciteerde dat maar één voorbeeld is van zeer vele andere voorbeelden die ik zou kunnen noemen, zal subjectief stellig niet zo hoogmoedig bedoeld zijn als het er letterlijk staat. Nee, het is slechts een symptoom van een typisch Westerse traditie dat theologische wetenschap, mits ze maar orthodox is, een te grote rol speelt in de kerken.
Dat is trouwens op allerlei andere levensterreinen net zo. Veel cultuurfilosofen in onze tijd klagen steen en been over de 'verwetenschappelijking' van het leven, vooral in verband met de technologie. M.L niet geheel ten onrechte, zij het dat in die zorg ook nogal wat romantischreactionair conservatisme meekomt.
Echter, juist vanwege het inderdaad grote belang van de verschillende wetenschappen voor de levenspraktijk is al van ouds, maar vooral na de opkomst van de moderne natuurwetenschappen, de neiging ontstaan op allerlei levensgebieden in vele 'problemen' het hoogste en laatste woord te geven aan de desbetreffende wetenschap. Met heel de geschiedenis door ook telkens weer, naast de erkenning van de hoge waarde van ervaring en praktische levenswijsheid, reactie-bewegingen van anti-intellectualistische signatuur.
Op godsdienstig gebied en in de theologie krijgt men dan het verschijnsel van de rationalisering van het geloof. Geloof wordt dan in theorie misschien nog wel, maar in feite niet meer, of niet:effectief, onderscheiden van wetenschappelijke theologie. Geloofskennis en theologische wetenschap worden dan met elkaar, wat hun aard en inhoud betreft, vereenzelvigd. Ze worden niet meer in hun verschil en eigen aard onderscheiden. Het zou immers in beide gewoon gaan om 'de waarheid'.
Wannéér in kennis, wetenschap en waarheid nog nader onderscheiden zou moeten worden, dan gaat dat onwillekeurig in het gangbare denkpatroon van meer of minder precies, rneer of minder goed.
Uiteraard komt dan de wetenschappelijke waarheid boven aan te staan in de waardering. Catechismusprediking en catechisatie (ver)worden dan tot een gepopulariseerde inleiding in de (welke?) dogmatiek. 'Vrije stof preken' bevatten dan nogal eens forse exegetische uiteenzettingen, soms ook nog voorzien van geleerde argumentatie. Zolang onze orthodoxe traditie in ere is, en ook vorm en voordracht iets origineels hebben, kan dat lang goed gaan. Maar vroeg of laat groeit echter het besef dat er iets belangrijks gaat ontbreken.
Meestal komt er dan geen reformatie, maar compensatie. Als aanvulling komt er dan een overmatige interesse voor eigen (en anderer) godsdienstige gemoedsbelevingen; 'bevinding', geloofs-'ervaringen', voor 'gezonde' mystiek, voor 'spiritualiteit' (gebedsleven bijv.), liturgisme, 'warmte', emotionalisme, en dergelijke meestal (maar niet altijd) anti-intellectualistische tendenzen.
Vanzelfsprekend bloeit dan ook op het streven naar een 'evenwichtige' combinatie van die "eenzijdigheden' .
Dat resulteert dan echter in een geloofsleven (annex theologie) dat hinkt op twee manke voeten: enerzijds de manke voet van een verrationallseerd geloofsleven en geloofsdenken, en anderzijds de manke voet van veel aandacht voor subjectieve ervarings-ondervindingen. Een en ander consolideert zich dan in een bepaalde 'ligging' en tot kerkelijke 'typen'.
Vanaf de vroegste kerkgeschiedenis komen we deze twee tendenzen tegen. Dat is ook niet te verwonderen.
Ze zijn diep verworteld in de Europese geestesgeschiedenis.
Want, ze waren al aanwezig in het voor-christelijke heidendom en ook in het voor-christelijk jodendom.
Beide tradities, de heidense en de joodse, kenden deze zelfde geestelijke tendenzen en denkhoudingen met hun onderlinge problematiek.
Beide tradities hebben krachtig doorgewerkt in het christendom. Van meet af.
(wordt vervolgd)