Boekbespreking

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22
G. van Bruggen e.a. Samen werken aan ontwikkeling.
GSEV-reeks no 17. Barneveld: De Vuurbaak, 1989. f 17,90; pp 125.

Deze brochure met acht bijdragen van vrijgemaakte auteurs over ontwikkelingssamenwerking is m.i. verplichte leesstof voor iedereen die over dit onderwerp vanuit christelijke, nader: gereformeerde overtuiging wil meepraten. Aanbevolen ook voor iedereen die in onze kerken met zending te maken heeft; ook diakenen zouden deze brochure eens moeten bespreken op een conferentie.
Het Gereformeerd Sociaal Economisch Verband heeft in samenwerking met de vereniging De Verre Naasten - die ontwikkelingswerk verricht op onder andere de zendingsterreinen van de Vrijgemaakte Kerken, maar ook in Zaïre - een prima initiatief genomen met de uitgave van deze bundel opstellen. Ik behoor niet tot de voorstanders van de gesloten (vrijg.) gereformeerde organisaties die op alle terreinen van het leven opereren, integendeel! Maar niettemin moet gezegd worden dat diverse van die organisaties uitstekend verzorgd en deskundig verantwoord materiaal op de (lees-)markt brengen. Waarvoor onze dank!
In het eerste artikel gaat P.W. Kwant in op het ontstaan van de vereniging De Verre Naasten (DVN), de ontwikkeling van het werk maar ook van de beleidsfilosofie achter het werk. Het is heel nuttig kennis te maken met de problematiek die Kwant aansnijdt: naarmate het werk groeit, groeit de afstand tussen hulpverlener en hulpontvanger - en hoe groter die afstand,. hoe meer er fout kan gaan. Naarmate de organisatie groeit, blijft er steeds meer geld in de organisatie-strukturen zitten etc.
Hoe zit het met de relatie tussen hulpverlener en hulpontvanger? De titel van deze bundel zegt het al: samenwerken van gelijkwaardige partners is de bedoeling. Deze en andere zaken stelt Kwant overzichtelijk aan de orde. Leerzaam!
W. Scherft gaat vervolgens de bijbelse fundering na van de diakonale verantwoordelijkheid van de gemeente naar binnentoe, maar ook in de kerk wereldwijd. Geestelijke eenheid tussen kerken wereldwijd verplicht om elkaar ook diakonaal bij te staan. Maar Scherft trekt de grens terecht nog wijder: de kerk heeft een diakonale taak ook "aan alle mensen" (p 25v). Veelal volgt de diakonale gemeente de zending, maar Scherft weet genoeg bijbels materiaal op te diepen om ook diakonaal 'heidenen' te moeten kunnen bijstaan.
Hij wijst o.a. op de positie van de vreemdeling in het Israël van het OT.
Het artikel van C. Trimp 'Waar was de diaken?' heeft mij bijzonder toegesproken.
Het geeft een stuk achtergrondinformatie van de zendingspraktijk ook in onze kerken. Het zou de moeite waard zijn er nog eens in een apart artikel op terug te komen.
Hij beschrijft de ontwikkeling in de Gereformeerde Kerken sinds 1886 in het denken over de verhouding tussen zending als hoofddienst en medisch werk e.d. als hulpdienst. Hij konstateert dat het diakonaat in verband met de hulpdiensten niet ter sprake komt. AI wordt medisch en schoolwerk niet tot de taak der kerken gerekend, toch bleef het om praktische redenen in kerkelijke handen. Na de Vrijmaking werd al het barmhartigheidswerk aan verenigingen uitbesteed, gebaseerd op het principe van 'het ambt aller gelovigen', en de kerk als ambtelijk instituut had alleen de Woordverkondiging te behartigen. Opnieuw kwam de diaken niet in het stuk voor. We herkennen hier de situatie in onze kerken. Ook gaat Trimp in op de Synode van Kampen 1951 die de bestaande zendingsorde afschafte, geen uitspraken deed in de problematiek van hoofd- en nevendiensten en alles aan de plaatselijke kerk overliet. Zelf ben ik van mening dat de Synode met dit besluit de zending bepaald geen dienst gedaan heeft.
Trimp neemt ook duidelijk afstand van dr. C. van der Waal die in die jaren de zogenaamde. 'comprehensive approach' met zoveel ketterijen verbond dat rustig overleg over de zaak van de hulpdiensten voor vele jaren niet van de grond kon komen uit angst aan een of andere ketterij ten slachtoffer te vallen. Voor het eerst dat ik een goed woord hoor voor de intentie van de 'comprehensive approach' in Vrijgemaakte kringen - in onze kerken heb ik zo'n geluid helaas nog niet vernomen.
Trimp gaat uit van de diakonale gemeente (p 44v), en meent dat het voor de hand ligt "om de diakenen in de gemeente actief te doen zijn met het oog op het dienstbetoon aan de nabije en verre naasten." (p 45).
Deze bijdrage van Prof. Trimp beveel ik dringend ter lezing en overweging aan; de praktijk in onze kerken 'mag rn.l, ook best op de helling.
T.P. Nap gaat in op het 'werelddiakonaat' zoals zich dat ontwikkeld heeft in oecumenische kringen, een doorwrocht artikel met veel informatie.
Mijn bezwaar is dat het te afstandelijk geschreven is: te weinig invoelingsvermogen voor de problematiek waarmee men in Wereldraadkringen toch echt serieus geworsteld heeft.
Ik zeg niet dat ik Naps analyse en taxatie zonder meer afwijs; maar hij schrijft te zeer in een 'van buitenaf' houding. De Vrijgemaakten zullen de vragen en problemen van de Wereldraad nog wel tegen komen, ook al zullen ze andere antwoorden geven.
De bijdrage van mevr. G. van Bruggen vind ik werkelijk alleraardigst!
Vanuit haar eigen praktijkervaring in Azië schrijft ze over de moeite van de interculturele communicatie: hoe ontmoeten we elkaar als westerse ontwikkelingswerker en nietwesterse hulpontvanger? Wat gaat er niet allemaal fout in die ontmoeting?
Talloze treffende voorbeelden worden gegeven ter illustratie.
Prima introduktie op het thema, ook leerzaam in het cultureel plurale Nederland, en zeer bevattelijk geschreven.
De bijdrage van W.C. van der Horst en P.J. Hummelen over 'Van barmhartigheidsorganisatie naar ontwikkelingssamenwerking' beschrijft hoe het de vereniging DVN vergaan is in de praktijk van het werken in de vreemde. Goede informatie, ook over Afrika - DVN werkt in Zaïre.
Was het eerst de hulpverlener die de hulpvraag vaststelde en realiseerde, nu is het de hulpvrager die zelf de vraag formuleert en partner is bij de realisering ervan.
C.M. Manni informeert over het probleem van fondswerving om de aktiviteiten van DVN te bekostigen. Wie daar mee te maken heeft, kan hier wel wat opsteken.
Tenslotte A. Kamsteeg met een realistisch verhaal over het politieke klimaat waarin ontwikkelingswerk in Derde Wereld landen geschieden moet. Op dit punt moet de ontwikkelingswerker terdege worden voorbereid en ingelicht. In dit verband bespreekt hij de vraag of in elk land ontwikkelingswerk gedaan kan worden gezien de politieke toestanden die er soms heersen (p 121v): de zogenaamde landentoetsing. Hier liggen ook voor zendingswerkers belangrijke vragen. Kamsteegs bijdrage is een goede afsluiting van een over het algemeen uitstekende brochure.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief