Is het nieuwe Jeruzalem een echte stad?
1988-05-06
Bij de profeten in het Oude Testament vinden we tal van profetieën aangaande Jeruzalem.- Jaargang 32
- nummer 18
We kunnen ze als volgt samenvatten.
Jeruzalem zal het centrum van de aarde worden, vanwaaruit God de aarde zal regeren. Alle volken zullen naar Jeruzalem komen om zich daar door de HERE te laten onderwijzen aangaande zijn wegen (Jes. 2: 2, 3; 60: 3; Mich. 4: 2; Zach. 8: 20-23; 14 : 16). De stad zal gevuld worden met het vermogen der volken (Jes. 60 : 5,6,9, 11, 16; Ps. 68: 30; Zach. 14: 14). De HERE zal daar koning zijn (Jes. 24: 23; Zach. 14: 9) en rechtspreken over de natiën (Jes. 2 : 4; Mich. 4 : 3). Er zal weer een tempel voor de HERE in Jeruzalem staan (Jes. 2: 2, 3; 60: 7, 13; Ezech. 40 v.v.; Zach. 14: 20, 21), waar de HERE weer zal wonen en waar weer offers gebracht zullen worden (Ezech. 43; 45: 18 vv.; Zach. 14: 20, 21).
Moeten we deze profetieën letterlijk nemen? Moeten we aan een reële stad van steen en beton denken en aan een echt bouwwerk als tempel?
Er zijn tal van christenen die dat doen.
En als je alleen op de oudtestamentische profetieën afgaat, moet je dat ook wel aannemen. Maar het Nieuwe Testament laat zien dat dat een simplistische manier van lezen is.
Paulus die heus wel weet had van een toekomst voor Israël, betrekt de stad Jeruzalem daar helemaal niet in. Integendeel.
Hij is van mening dat we van het aardse Jeruzalem helemaal niets meer te verwachten hebben (Gal. 4: 25). We moeten volgens hem onze aandacht dan ook richten op het hemelse Jeruzalem (vs. 26). Daarvan zijn we kinderen. Met die "wij" bedoelt Paulus de Galaten (christenen uit de heidenen) en zichzelf (joods christen). In dat verband citeert hij dan in vs. 27 een gedeelte uit Jes. 54 (vs. 1). Als we dat hoofdstuk bij Jesaja verder lezen, zien we dat het daar uitsluitend over het volk Israël gaat en over de toekomst van Jeruzalem (zie b.v. vss. 11, 12). Maar Paulus past wat daar gezegd wordt zomaar toe op de christelijke gemeente.
Over dat hemelse Jeruzalem wordt ook gesproken in Openb. 21 : 2,10. Johannes ziet daar de heilige stad, Jeruzalem, neerdalend uit de hemel, van God. Het lijkt me niet aan twijfel onderhevig dat Paulus en Johannes het over hetzelfde hemelse Jeruzalem hebben. Het is ook duidelijk dat dit hemelse Jeruzalem niet geïdentificeerd kan worden met het tegenwoordige, aardse Jeruzalem. De beschrijving van dit hemelse Jeruzalem vertoont eveneens trekken van de oudtestamentische profetie (vgl. Openb. 21 : 11 v.v. met Ezech. 48: 31 v.v.; Jes. 54 : 11, 12; Zach. 14: 8; Ezech. 47: 1,7, 12). De manier waarop Openbaring deze oudtestamentische gegevens gebruikt, maakt duidelijk dat we daarin te maken hebben met de voortzetting van de oudtestamentische profetieën aangaande Jeruzalem. Precies zoals de profetie van Jes. 65 aangaande de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn toespitsing vindt in Openb. 21: 1 v.v., worden de profetieën aangaande Jeruzalem samengevat en toegespitst in Openb. 21 : 9 v.v. M.a.w.: we moeten die oudtestamentische profetieën aangaande Jeruzalem verstaan in het licht van Openbaring, waar ze hun culminatie vinden.
Daarmee hebben we een sleutel in handen gekregen die van wezenlijk belang is voor de manier waarop we de profetieën aangaande Jeruzalem moeten lezen.
En het gebruik van die sleutel leidt tot een verrassende ontdekking: we moeten bij die profetieën niet denken aan een werkelijke stad! Nauwkeurige lezing van Openb. 21 maakt nl. duidelijk dat het daar niet over een echte stad rnet echte huizen en poorten en straten gaat. Alles wat in Openb. 21 over het hemelse Jeruzalem gezegd wordt, is symbolische beeldspraak. Uit vss. 9 en 10 blijkt dat het hemelse Jeruzalem een symbolische aanduiding is van de bruid, de vrouw van het Lam. En in Openb. 19 : 7, 8 wordt die vrouw van het Lam nader aangeduid als: heiligen.
En daarmee wordt de gemeente van Christus bedoeld (vgl. Openb. 14: 12).
Bijna niemand is zich ervan bewust dat met het hemelse Jeruzalem geen stad maar de gemeente van Christus wordt aangeduid. Maar wie dat eenmaal heeft gezien, beseft dat de oudtestamentische profetieën aangaande Jeruzalem een dimensie en een spits bezitten waaraan men op het eerste gezicht gemakkelijk kan voorbijzien.
Op dezelfde manier moeten we ook de profetieën over een tempel in het licht van het Nieuwe Testament verstaan.
Op grond van de bovengenoemde profetieën (met name Ezech. 40 v.v.) verwachten velen dat de tempel in Jeruzalem weer herbouwd zal worden en weer een belangrijke functie zal gaan vervullen in de gemeenschapsoefening met God. Dat laatste kan men alleen maar volhouden door het Nieuwe Testament buiten spel te zetten. Jezus zelf heeft in zijn gesprek met de samaritaanse vrouw duidelijk gemaakt, dat de functie van de tempel op haar laatste benen liep (Joh. 4: 21-23). Heel de brief aan de Hebreeën laat zien dat de aardse tempeldienst voorgoed heeft afgedaan.
En wat de deur dicht doet: in Openb. 21 : 22 wordt uitdrukkelijk vermeld, dat er voor een tempel geen plaats meer is.
Dat is des te opmerkelijker, omdat Openb. 21 : 22-27 bij de tekening van het nieuwe Jeruzalem diverse motieven uit Jes. 60 gebruikt (Openb. 21 : 23/ Jes. 60: 19, 20; 21 : 24/60: 3, 5, 9; 21 :25/60: 11; 21 :26/60: 11, 21 27/60: 21). Jes. 60 gaat zonder meer uit van de aanwezigheid van een tempel (vss. 7, 13). Dit motief wordt in Openb.
21 niet slechts buiten beschouwing gelaten, maar nadrukkelijk en gemotiveerd geëlimineerd. Dat is bijzonder veelzeggend.
Heel het Nieuwe Testament verzet zich tegen de gedachte dat er ooit nog weer een tempel nodig zou zijn voor de gemeenschapsoefening met God. En precies zoals het nieuwe Jeruzalem een aanduiding is van de gemeente van Christus, zo wordt die gemeente in het Nieuwe Testament ook getypeerd als Gods huis, Gods tempel (l Cor. 3: 16, 17; Hebr. 3: 6; I Tim. 3: 15). Al deze en dergelijke nieuwtestamentische gegevens moeten in rekening gebracht worden bij het lezen van de oudtestamentische profetieën. Wie die profetieën loshaakt van de manier waarop ze -in het Nieuwe Testament worden geduid, kan hun betekenis niet meer goed in het vizier krijgen.
We kunnen concluderen: hoewel het Nieuwe Testament weet heeft van een toekomst voor het volk Israël (vgl. Rom. 11 : 25-32; Hand. 2 : 39; 3 : 26; 5: 31), maken de nieuwtestamentische gegevens tegelijkertijd duidelijk, dat de oudtestamentische profetieën aangaande Jeruzalem en de tempel niet in letter-
·lijke zin moeten worden opgevat. Ze krijgen in het Nieuwe Testament een nieuwe vulling en een toespitsing die in het Oude Testament niet zonder meer duidelijk is. Het letterlijk nemen van deze profetieën miskent het licht dat het Nieuwe Testament erover laat schijnen.