Oefent U in de Godsvrucht! (4)
1988-05-13
o Woestijnel Daer verdwijne'- Jaargang 32
- nummer 19
Moet wat in de wereld blinekt.
Daer mijn ooren niets en horen,
Daer mijn oog het al ontsinckt. o Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
Daer het al van Godtheyd blinckt!
Met God gemeenzaam
De hierboven afgedrukte dichtregels geven een goede indruk van de vroomheid die de Nederlandse puriteinen in de 17e eeuw hebben nagestreefd. Men wendt zich af van de wereld om zich te wijden aan een innige omgang met God: met God gemeenzaam! De dichter, Jodocus van Lodensteyn (1620-1676), predikant in o.a. Zoetermeer en Utrecht, was een merkwaardige figuur.
Hij was van aristokratische afkomst en uitgesproken welgesteld. Toch leefde hij allerminst op grote voet - integendeel: hij beschouwde zijn rijkdom als "een ambt om wel te doen" en stond zichzelf maar heel weinig luxe toe, bang als hij was dat daardoor zijn relatie tot God in het gedrang zou komen. Hij toonde zich zeer geïnteresseerd in het kloosterwezen en bracht zelf ook een rigoreuze ascese in praktijk: hij stond elke morgen om vier uur (!) op, om een belangrijk deel van de dag vrij te maken voor meditatie en gebed. Daarnaast hechtte hij grote waarde aan het daadwerkelijk betoon van barmhartigheid en aan sociale gerechtigheid. Hij ergerde zich aan het gemak, waarmee veel gereformeerden hun tekortschieten daarin exkuseerden met een beroep op hun onvolmaaktheid.
Hij was ervan overtuigd, dat de ware kinderen van God heiliger moesten en konden leven dan de andere mensen. Opmerkelijk is zijn pleidooi voor de zending in een eeuw, dat Nederland het kontakt met de heidenvolkeren bijna uitsluitend benutte om zichzelf te verrijken.
Zo laat zich bij Van Lodensteyn iets dergelijks waarnemen als bij de asceten van de oude kerk en de Middeleeuwen.
Aan de ene kant trekt hij zich terug in de binnenkamer en distantieert hij zich van een verburgelijkte kerk; aan de andere kant blijken er vanuit dat 'gemeenzame' leven met God sterke impulsen uit te gaan in de richting van de kerk en de maatschappij.
Strijd tegen verval
Net als eertijds Geert Grote traden de mannen van de Nadere Reformatie niet zelden als boeteprediker op. Een sprekend voorbeeld daarvan is Willem Teellinck (1579-1629), predikant in Middelburg. Teellinck had in Engeland kennis gemaakt met de Puriteinse levensstijl. Hij was daarvan diep onder de indruk: de stad waarin hij verbleef was doortrokken van vroomheid. De hele zondag bracht men door met kerkgang en huiselijke godsdienstoefeningen, zodat men, als men langs de huizen liep, overal psalmgezang hoorde.
Ook op doordeweekse dagen richtte men zich op Schriftlezing en gebed. Als men ter ontspanning wel eens een wandelingetje maakte, werden er onderweg uitsluitend geestelijke gesprekken gevoerd.
Teellinck zag het als zijn ideaal een dergelijk geestelijk leven ook in Nederland door te voeren. In zijn eigen gezin gafhij het goede voorbeeld: 's morgens, 's middags en 's avonds waren er gods-dienstoefeningen; aan tafel werd uiterst' sober gegeten en uitsluitend over geestelijk dingen gepraat. De zondag werd als een ware sabbatdag gevierd: alles wat naar werken zweemde was streng verboden. Daartegen staken de gangbare praktijken van de gelovigen schril af. Na de kerkgang gingen de meeste mensen over tot de orde van de dag: de straat werd geveegd, men maakte pleziertochtjes en bracht een bezoek aan de herberg. Op de doordeweekse dagen kwam men aan het geestelijk leven niet toe; veel liever besteedde men zijn tijd aan gezelligheid en amusement.
Dat alles wordt door Teellinck in ernstige boetepreken bestreden. Hij waarschuwt tegen modieuze kleding en tegen dansen; de jeugd ligt te lang op bed en de huizen zijn te overdadig ingericht; men moet ophouden het even Roomse als lichtzinnige Sint Nicolaasfeest te vieren; de kermis moet worden afgeschaft; dronkenschap en onkuisheid moeten hard worden aangepakt. Hij was er diep van overtuigd dat God om al die losbandigheid met zijn oordelen zou komen en interpreteerde ook menige ramp als een straf op de zonde. Zo kreeg de Nadere Reformatie een nors aanzien. Uit onsteltenis over de inderdaad schrikwekkende oppervlakkigheid kwamen mensen als Teellinck ertoe zulke strenge wetten op te stellen ter bevordering van het geestelijk leven, dat de christelijke vrijheid bedreigd werd. Het is dan ook niet toevallig dat hij ten opzichte van Luther zijn reserves kende: diens hervorming ging hem niet ver genoeg ...
Een handboek voor de vroomheid
Behalve heel praktische kritiek op een wereldse levensstijl geeft de Nadere Reformatie ook konkrete adviezen voor de omgang met God. Zo heeft Gisbertus Voetius (1589-1676) een soort handboek voor de vroomheid geschreven onder de titel Ta Asketika sive Exercitia Pietatis - Ascese, ofwel: Oefeningen in de vroomheid. Hij gaat in dit wetenschappelijk opgezette werk breed en diep in op alles wat met het geestelijk leven te maken heeft. Ik noem een aantal onderwerpen: meditatie; opwekking; vaste gebedstijden; de lichamelijke
houding tijdens het gebed; het schietgebed; hinderpalen voor het gebed; vasten; geloften; eenzaamheid; de kunst om op christelijke wijze te sterven (letterlijk: euthanasie!); het martelaarschap.
Verder wijst hij aan waar het geestelijk leven aan kan lijden: aanvechtingen; strijd en verzoeking van de satan; het gevoel dat God toornig is; geestelijke dorheid; een verrichting van godsdienstige plichten zonder gevoel ervoor.
Hij maakte daarbij gebruik van o.a. Rooms-Katholieke literatuur. Dat kan verwonderlijk lijken voor wie zich Voetius herinnert als de kampioen van de strenge gereformeerde richting in Nederland.
Men dient echter te bedenken, dat juist binnen de RK-e traditie intense aandacht is geschonken aan het innerlijk leven van de mens; beroemd is b.v. geworden het boek Exercitia Spiritualia - Geestelijke Oefeningen - van Ignatius van Loyola. Dit boek is geschreven in 1522, maar wordt nog steeds gewaardeerd vanwege zijn psychologische diepgang. Ook Voetius toont 6ij zijn beschrijving van en adviezen voor het geestelijk leven een groot psychologisch inzicht te hebben.
Na Voetius heeft de Nadere Reformatie zich steeds verder gekoncentreerd op deze analyse van het geloofsleven. Het resultaat daarvan was niet zelden, dat men twijfel en aanvechtingen als de normale weg ging zien waarlangs een christen tot vrede moest komen. Christenen die niet door die woestijn van een dor en doods geestelijk leven waren heengetrokken, werden als onbekeerd beschouwd. Dat is ongetwijfeld een rampzalige ontwikkeling geweest. Hier heeft de zielsgesteldheid van de christenmens een veel te grote betekenis gekregen en is het evangelie van verzoening en-genade op een onverantwoorde manier naar de achtergrond gedrongen.
Toch laat dit kwaad zich niet bestrijden door resultaat te weigeren op de geestelijke gesteldheid van een christen in te gaan. Wie uitsluitend hamert op de betrouwbaarheid van Gods beloften en geen aandacht schenkt aan de innerlijke verwerking daarvan, moet er zich niet over verbazen als de verbondsomgang met God hapert en slecht funktioneert.
Mensen als Voetius kunnen ons leren, de obstakels na te gaan waarop het evangelie in ons hart sluit; krachtiger dan zij deden moeten wij vervolgens echter teruggrijpen op het evangelie om daaruit troost en bemoediging te putten.
Een belangrijke poging daartoe doen de Dordste Leerregels. Zij bevatten namelijk niet alleen zeer leerstellige paragrafen, maar ook zeer pastorale. Vooral het vijfde hoofdstuk is het waard om met het oog daarop te lezen en . . . in praktijk te brengen.
De evangelischen
Hoewel de evangelische vroomheid in menig opzicht sterk afwijkt van de puriteinse, zijn er ook overeenkomsten.
Historisch gezien is er een duidelijk verband: vele puriteinen zijn naar Amerika geëmigreerd, waar zij hun stempel hebben gedrukt op de grote opwekkingsbewegingen van de 18e en 1ge eeuw. Het is treffend om te lezen hoe b.v. Charles Finney (1792-1875), een opwekkingsprediker die naar men zegt een half miljoen mensen tot bekering heeft gebracht, dezelfde tonen aanslaat als de Nederlanders waarover het hierboven ging: de mensen geven veel teveel geld uit aan kleding en genotsartikelen; men moet veel meer tijd besteden aan de ontwikkeling van het geestelijk leven; men moet geen romans lezen, maar opbouwende lektuur; Gods oordelen komen over een kerk die de zonde in het maatschappelijk leven toelaat. En wanneer tegenwoordig evangelische christenen niet roken en drinken, veel geld over hebben voor de zending, per dag veel tijd besteden aan gebed en bijbellezing en hun kracht zoeken in een innige omgang met God, dan is daarin de puriteinse erfenis terug te vinden.
Terug bij het begin
Daarmee zijn wij terug bij het begin van deze reeks artikelen: de evangelische broeder die 's morgens vroeg stille tijd houdt. Naar ik hoop is door deze historische verkenning duidelijk geworden, waardoor gereformeerde mensen met zowel gevoelens van herkenning als irritatie naar hem kunnen kijken: zijn geestelijk leven komt uit een geheel eigen traditie, die de onze maar ten dele overlapt. Aan de ene kant bevinden er zich in onze geestelijke erfenis wel degelijk ascetische motieven - denk aan Calvijn en de Dordtse Leerregels.
Vooral via de Afscheiding hebben de gereformeerde kerken ook een zekere puriteinse inslag meegekregen. Daardoor voelt menige gereformeerde verwantschap met de evangelische vroomheid.
Aan de andere kant is het onmiskenbaar, dat er in de gereformeerde traditie keer op keer ook protest is aangetekend tegen de wereldmijding, de koncentratie op de zielsgesteldheid en de wettische ontaardingen waarmee de ascese vaak gepaard is gegaan. Er zijn heel wat gereformeerde mensen die van dat protest geleerd hebben, om het leven hier en nu gretig te omhelzen en tot ontwikkeling te brengen. Voor hen heen de relatie tot God dáármee te' maken en niet met al dat 'geestelijke gedoe'. Vandaar dat zij niet goed uit de voeten kunnen met de evangelischen, die op hun beurt de gereformeerde 'zakelijkheid' als koel en oppervlakkig ervaren.
Op dat laatste wil ik volgende week in een slotartikel ingaan. Ook naar mijn mening is het gevaar van een koel en oppervlakkig geloofsleven in onze kring verre van denkbeeldig. Hoeveel bedenkingen men ook tegen de ascese kan en zelfs moet hebben, er is toch het een en ander aan te ontlenen waarmee wij onze winst kunnen doen als het gaat om onze oefening in de Godsvrucht.