Pastorale Notities
1988-06-03
Dat kan hij toch zelf?- Jaargang 32
- nummer 22
Van een collega en zijn vrouw kreeg ik het verzoek of ik hun dochtertje wilde dopen.
A.s. zondag zal ik dat D. V. doen. Ik kan bijna met zekerheid zeggen wat uw reactie op deze mededeling zal zijn.
U denkt: Tenzij de man ziek is of zo kan hij het toch zelf?
Ik moet u eerlijk zeggen dat ook mijn eerste gedachten in die richting gingen toen het mij werd gevraagd. Maar achteraf moet ik zeggen dat ik de vraag erg goed begrijp.
Er moet geen misverstand zijn: ik heb er geen enkel bezwaar tegen wanneer predikanten hun eigen kinderen dopen en ik kan mij de blijdschap bij zo 'n gebeuren goed indenken.
Mij is dat voorrecht nooit te beurt gevallen omdat mijn kinderen er al waren, gedoopt en wel, toen ik mijn eerste stappen richting preekstoel zette. Wel heb ik enkele van mijn kleinkinderen gedoopt en dat zijn onvergetelijke zondagen geweest.
Maar die reactie van u en mij: dat kan de man toch zelf?
Daar wil ik iets over kwijt.
Ik vraag mij af of onder ons voldoende beseft wordt dat de predikant niet slechts herder is, maar ook schaap.
Er is een verhaaltje van Simon Carmiggelt waarin hij vertelt dat hij een christelijke begrafenis heeft bijgewoond. Er sprak een dominee, die zelf merkbaar onder de indruk was. Hij kon zich niet goed houden.
Carmiggelt vertelde dat hij na afloop van de begrafenis dacht: wie zal hèm nu troosten?
Hoewel het wat badinerend verteld werd is dat een fijnzinnige vraag waar besef achter kan zitten voor het feit dat de predikant herder en schaap in enen is. Hij zal zelf ook getroost moeten worden.
Aan dat dubbele in zijn positie ontkomt een predikant nooit helemaal. Hij mag daar ook niet uit vandaan vluchten. Hij moet b.v. als hij op de kansel staat tegelijk in de kerkbank temidden van zijn eigen gemeente onder zijn eigen gehoor zitten. Als dat van de preek afdruipt is dat niet goed, maar als hij onder eigen gehoor vandaan vlucht is dat nog erger.
Toch moet hij af en toe uit die dubbele positie weg mogen. Hij bidt met u, maar er zijn ogenblikken dat er eens iemand met hem moet bidden. Hij troost u, maar er moet op gelet worden of hij zelf ook niet eens getroost moet worden. Hij luistert, maar hij snakt er soms naar dat er eens met hetzelfde geduld naar hem wordt geluisterd.
Dat besef kan in de gemeente wel wat sterker worden, geloof ik. Al durf ik niet beweren dat het helemaal niet aanwezig is. Dat heb ik anders ervaren. Dat is het wat de collega bewoog tot de vraag, zijn dochtertje te komen dopen in zijn eigen gemeente. Hij zou het aan één kant erg graag zelf doen. Hij heeft dat ook nog nimmer beleefd al is het niet hun eerste kindje. Maar hij wil voor een uurtje dan eens ontkomen aan dat dubbele van herder en schaap zijn. Bij het doopvont wil hij, samen met zijn vrouwen de kinderen eens helemaal schaap mogen zijn, dat bij de kudde hoort, waarover de grote Herder der schapen hem heeft aangesteld tot onderherder.