Schone handen en een vuil hart
1989-11-10
....Niets dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het wat hem onrein maakt... (Marcus 7:15) - Jaargang 33
- nummer 23
Aanleiding voor deze woorden van de Heiland zijn de verwijten die de Farizeeën en schriftgeleerden Hem maken als zijn discipelen met onreine, ongewassen handen aan tafel gaan. Net als de eerste lezers van Marcus' evangelieverhaal vraagt u zich waarschijnlijk af: nou én? Het is natuurlijk niet echt fris om met ongewassen handen te eten, maar om daar nu zo'n kerkelijk twistpunt van te maken ..! Daarom onderbreekt Marcus zijn beschrijving van de gebeurtenissen even om aan zijn niet-joodse lezers uit te leggen, wat er precies aan de hand is: “de Farizeeën en al de Joden eten niet zonder eerst een handwassing verricht te hebben, daarmee vasthoudende aan de overlevering der ouden" (Mc. 7:3). Dat wassen van de handen is dus een overlevering, een traditie.
Zo hadden de Joden er vele. De voorschriften die de HERE via Mozes aan zijn volk gaf waren in de loop van de tijd in de scholen van Schriftgeleerden gesystematiseerd en uitgewerkt tot een omvangrijk geheel.
van gedetailleerde regels voor de praktijk van het leven: de 'overlevering der ouden'.
Werkkleding en kerkkleding
Eén van die overleveringen is dus het wassen van de handen voor de maaltijd, een traditionele toepassing van de reinigingsvoorschriften uit de wet van Mozes (bijv. Lev. 12-15). Wie zijn handen niet waste, at met 'onreine' handen. We hebben hier dus met meer te doen, dan alleen meteen voorschrift in verband met de hygiëne.
Het woord dat met 'onrein' vertaald wordt, betekent letterlijk: 'gewoon'. Jezus' leerlingen eten dus met 'gewone' handen, waarmee ze, volgens de Farizeeën en schriftgeleerden niet voor het aangezicht van de heilige God kunnen verschijnen, want hun onreinheid, staat de omgang met God in de weg. Als 'gewoon' mens kun je niet met God omgaan. Onder ons leeft dat besef ook nog wel. Er is verschil tussen werk- en kerkkleding; niemand gaat in overall naar de kerk. Hoe waren die handen 'onrein' geworden?
Dat kwam door de aanraking met onreine dingen. Misschien waren de discipelen van de Here Jezus wel net van cie markt gekomen en daar kon je in die tijd makkelijk besmet worden. Je hoefde maar een sinaasappel van een heiden aan te pakken en je had al onreine handen.
Als iemand dan met die onreine handen ging eten, werd die onreinheid via het voedsel in het lichaam gebracht en daardoor het hele bestaan van zo iemand besmet, onrein.
En onreinheid is de HERE een gruwel (vgl. Lev. 11:44, 45). Vandaar dat het de 'ouden' goeddunkte een handwassing voor 'iedere maaltijd voor te schrijven'. Op dat traditionele voorschrift beroepen de Farizeeën en Schriftgeleerden zich, als ze Jezus' leerlingen hun verwijt maken.
Vermomming van Ongehoorzaamheid
Voor de Heiland op het punt van het handen wassen ingaat, stelt hij eerst de wijze, waarop de Farizeeën en schriftgeleerden met hun oude tradities omgaan, aan de orde. Zijn reaktie is fel. Hij noemt hen 'huichelaars" en met een citaat van de profeet Jesaja verwijt Hij hun, dat bij al hun ijver voor de wet, hun hart er niet bij is. De Farizeeën en schriftgeleerden houden zichzélf buiten schot in hun ijver. Alles wat zij aan traditionele regels voorschrijven over de omgang met de HERE gaat buiten hen om en blijft steken in uiterlijkheden: gewassen handen; schone potten en pannen. Daarvan zegt de Here Jezus: "Het gebod van God stelt gij wel fraai bulten werking om uw overleveringen in stand te houden" (Mc. 7:9). De tradities, geboden van mensen, dienen slechts om onder Gods geboden uit te komen in plaats van die na te komen. Zo worden de tradities een vrome vermomming van de ongehoorzaamheid van de Farizeeën en schriftgeleerden.
De Heiland geeft daar een voorbeeld van, waardoor die houding wordt ontmaskerd. De wet van God zegt: "Eer uw vader en uw moeder". De traditie had ook dit gebod omgeven door talloze bepalingen, die aangaven waaruit dat eren precies moest bestaan. Maar die regeltjes gingen fungeren als middel om onder verplichtingen jegens de ouders uit te komen. Zo kon iemand, die geen zin had om zijn ouders financieel te ondersteunen. met een beroep op de 'overlevering der ouden' tegen hen zeggen: het spijt me lieve vader, moeder, maar het geld dat ik aan u zou kunnen besteden is 'korban'. Ik heb het voor God gereserveerd en te zijner tijd zal ik het in de kollektezak stoppen. Zo iemand overtrad volgens de wetskenners van Israël de goddelijke geboden niet! En dat noemt de Heiland het 'krachteloos maken door uw overleveringen van de geboden van G6d' (Mc. 7:13). In plaats van een heilzaam hulpmiddel, werd de overlevering der ouden' een handig hulpmiddel om onder Gods geboden uit te komen. Als een mens zich maar aan' de wet van Mozes hield met behulp van de tradities, dan kon de HERE hem niets maken. Zo iemand was veilig voor God. En dat noemt onze Heiland huichelarij. De buitenkant van het . leven van de Farizeeën en schriftgeleerden zag er prachtig uit ('dit volk eert Mij met de lippen'), maar dat leven ging niet van harte ('hun hart is verre van mij') (Mc. 7:6).
Buik en hart
Het incident rond het eten met onreine handen van de discipelen is een pijnlijk duidelijke illustratie van dat 'buitenkant'-geloof van de Farizeeën en schriftgeleerden. Zij meenden door het handenwassen voor .
het eten te kunnen voorkomen, dat de binnenkant van hun leven onrein zou worden. Daartegen spreekt de Heiland de woorden, die boven dit stukje staan afgedrukt: "Niets dat van buiten de mens in hem komt, kan hem onrein maken, maar hetgeen uit de mens naar buiten komt, dat is het wat hem onrein maakt".
Onrein voedsel verontreinigt immers niet het hart, de denkwereld van een mens, waar de beslissingen genomen worden. Dat voedsel komt in de buik, waar het 'te zijner plaatse uitgaat' (Mc. 7:19). Geen mens kan de zonde buiten de deur houden, want de opstand tegen God en zijn wil wordt niet veroorzaakt door wat zich buiten de mens voordoet. Dan zou je dé zonde van het lijf kunnen houden, door een goede christelijke krant te lezen, kinderen naar een goede christelijke school te sturen, alleen verantwoorde boeken in huis te halen en de tv op tijd uit te zetten. Hoe zinvol zo'n houding op zichzelf ook.
is, men kan niet verwachten door het scheppen van een zondeloze buitenwereld vrij van kwaad te kunnen blijven en rechtvaardig voor God.
Want de Here Jezus zegt: "van binnenuit, uit het hart der mensen, komen de kwade overleggingen, hoererij, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid, enz. AI die slechte dingen komen van binnenuit naar buiten en maken de mens onrein" (Mc. 7:21, 22). Het kwaad wortelt niet buiten, maar in de mens, in zijn hart. Daar wordt ten kwade overwogen en besloten, daar begint het.
Zoals de apostel Jacobus in zijn brief schrijft: "Zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart ze de zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort." (Jac. 1:14,15).
Bevrijd van God of bevrijd van schuld
De levenshouding, waarmee de Farizeeën en schriftgeleerden de zonde wilden voorkomen, was eigenlijk een poging om zich te bevrijden van God. De 'overlevering der ouden' gaf hun een handig hulpmiddel' daarvoor in handen. Daarmee konden ze hun buitenkant schoonhouden, zodat de HERE hen wel zou moéten rechtvaardigen. En bovendien bood die overlevering tal van slimme trucs om onder de klem van Gods geboden uit te komen. Zo dachten de Farizeeën en schriftgeleerden oprecht zich voor God te kunnen rechtvaardigen. Wat ze niet inzagen, was dat hun levenshouding ten diepste niet gericht was op bevrijding van de zondeschuld, maar op een vrijzijn van God. Tegen Hem wilden zij zich beveiligen met hulp van de 'overlevering der ouden'. Wie echter met de Heiland belijdt, dat zonde. in het hart van de mens begint, kan, ziende op de hoge eis van Gods wet, niet om de schuldbelijdenis heen: "ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Het mensenhàrt moet schoongemaakt, gereinigd worden door het bloed van Christus en overgezet worden van de dood in het leven. Alleen zo wordt een mens bevrijd van schuld en mag hij zich veilig weten bij God door Jezus Christus onze Heer! Op het vaste en veilige fundament van zijn kruis en opstanding is er echt ruimte voor een vruchtbaar leven naar de wil van God.