Pastorale notitie

1989-11-10
  • Jaargang 33
  • nummer 23

Oud en van het leven verzadigd

Nu in dit werelddeel de leeftijd die de mens bereikt zo duidelijk stijgt wordt de kans groter dat wij in aanraking komen met een medemens, van wie dat gezegd kan worden of die dat van zichzelf zegt: oud en van het leven verzadigd.
Ik wit daarover iets kwijt.
Onlangs ontmoette ik voor de dienst ergens een paar vrienden waarvan ik de ouders goed ken. Die zijn al oud. Ik informeerde met name naar vader, want ik had gehoord dat het minder werd met hem. Ze vertelden mij dat de aftakeling echt begon door te zetten. Hij kon niets meer. Hoewel hij eigenlijk niet ziek was.
Hij was gewoon op. Klagen deed hij ook nooit, maar hij gaf nu openlijk te kennen dat hij naar het einde verlangde.
Oud en van het leven verzadigd, net als Job. Het was een veelbewogen leven geweest, waarin vooral de oorlog zijn sporen heeft nagelaten.
In de dienst, tijdens het zingen voor de gebeden, heb ik zijn naam op mijn spiekbriefje gekrabbeld. Ja, voor de gebeden gebruik ik een spiekbriefje. Dat kan oneerbiedig schijnen, maar vergeetachtigheid bij de gebeden is in elk geval oneerbiediger, denk ik. Zodoende.
Ik heb gevraagd of de Here deze oude broeder nu de rust wilde geven, waar hij zelf zo vurig naar verlangde.
Ik denk dat ik dat heel voorzichtig en misschien met vage woorden heb gedaan, bedenkende dat de Here God in die gevallen aan een half woord genoeg heeft.
Achteraf zat ik toch een beetje met de vraag of dat nu wel kan? De mens bemoeit zich in deze tijd al zo brutaal met het levensbegin en het levenseinde.
Moeten we dat in de gebeden nu ook al doen? Bidden is toch, om met Van Ruler te spreken, dat je een vinger in de pap steekt en vertelt hoe jij je een en ander had voorgesteld. Kim dat? Bij mijn weten gebeurt het in elk geval in de publieke gebeden niet vaak.
Een paar weken later stuurden weer andere vrienden mij enkele brieven toe van een inmiddels overleden predikant uit onze kring. Een broeder, die een zeer hoge leeftijd heeft bereikt. Misschien kon ik er iets mee doen voor dit hoekje van Opbouw, schreven ze.
En dat kan ik nu.
Die brieven ontroerden.
Niet alleen door de inhoud maar door het handschrift al. De letters waren stuk voor stuk neergezet door handen wàar Prediker aan dacht toen hij schreef: "de wachters van het huis beven" (Pred. 12:3). Zelf vertelde hij in een van de brieven: "Ik kan nog een brief schrijven, maar voorzichtig aan. Een broeder zet mij eens: "U schrijft niet, u tekent.
" Ik moet dat wel doen want als ik ga schrijven wordt het onleesbaar. "
Bijna drie jaar voor zijn dood schreef hij aan zijn vrienden: "God zorgt goed voor ons. Toch verlang ik er niet naar om langer te leven.
Komt dat door gebrek aan dankbaarheid voor de zegen in zoveel jaren?"
Ik moest denken aan wat deze broeder allemaal meegemaakt had tijdens twee kerkscheuringen, waarin hij niet met rust was gelaten. Wat moe moest hij zijn.
En dan toch deze voorzichtigheid.
Als een gast aan het einde van een kostelijke maaltijd, die bedankt voor meer, maar uit vrees dat het ondankbaar klinkt nog eens verzekert: het was erg lekker.
Onder die voorwaarde mag het, denk ik, dat we de Here God bekend maken wat wij zouden willen met betrekking tot het levenseinde van iemand, die ons lief is en die verzadigd is van het leven. Eerst mogen kinderen dat met betrekking tot ouders doen en tenslotte met een zekere huiver ook in het gebed van de gemeente.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief