Schriftgeloof, schriftbeschouwing en bijbeltheorie

1989-11-10
  • Jaargang 33
  • nummer 23
1. Vóór-christelijke spanningen in het jodendom

Nu is het in onze cultuur lang niet altijd zo gegaan als toonaangevende filosofen als Parmenides, Plato en in belangrijke mate ook Aristoteles wel gewild hadden, nl. dat de levenspraktijk op 'alle gebieden zich zou laten leiden door het oordeel der geleerden, voorop de filosofen. Maar toch is de hoofdmode In onze Westerse denkgeschiedenis sinds het ontstaan van de wijsbegeerte deze gebleven, dat het wetenschappelijk denken werd aangezien als het meest nauwkeurige, het belangrijkste en soms zelfs als het eigenlijke denken. Slechts de kennis die dit denken opleverde was de ware, de echte, de hoogste kennis. Het nietwetenschappelijk denken en kennen dat in de levenspraktijk zit ingeweven, werd al eeuwen vóór het begin van onze jaartelling door diverse belangrijke filosofen gediskwalificeerd als 'onzekere mening'. Het werd niet onderkend als van een meer fundamentele aard en van een eigen structuur. Het werd vervolgens als het denken van de massa der onkundige mensen naar een lager plan en een dienovereenkomstige waardering geschoven. Deze tendens was ook al duidelijk aanwezig in het voor-nieuwtestamentische jodendom en was daar gegroeid vanuit de schriftgeleerdheid na Ezra - vaak in spanning en strijd met de priesters die de praktische geestelijke leidslieden waren. Met name in de tijd der Makkabeeën zette deze tendens zich door bij de joden. Hand in hand met de verrationalisering van de geloofskennis ging de rationele verjuridisering van de wetsbeleving.
In deze samengang werd het joodse geloofsleven geformaliseerd en veruitwendigd. Zozeer dat men in grote meerderheid de Christus (der Schriften!) niet heeft herkend. Ook niet door hen die 'op de stoel van Mozes' zaten en het volk onderwezen.
Als reactie tegen die verrationalisering en verjuridisering van het geloof ontstonden allerlei secten, zoals de joodse gnostiek en andere mystieke en ascetische groeperingen. Zij beweerden ook een hogere, maar dan de ware 'hogere kennis' te hebben, tegenover de 'hogere kennis' van de voor-christelijke schriftgeleerdheid en van de uitbouw daarvan later, door het rabbinisme.

2. Vóór-christelijke spanningen in het heidendom

Een vergelijkbaar proces vond in dezelfde periode plaats in het heidense culturele leven van de twee eeuwen voor en ha de geboorte van Christus. Voor de ontwikkelden was al enige eeuwen lang de wijsbegeerte gepropageerd als het redelijke alternatief voor het veelszins versteende, uitgeholde en geseculariseerde geloofsleven der heidenen.
Hun oude mythen en de vele goden die daarin een rol speelden, werden doorgaans niet door de meer ontwikkelden grofweg genegeerd of bespot, maar zij waren voor hen toch wel min of meer tot folklore geworden, tot een eerbiedwaardige maar dode traditie, Daarop komen dan de begrijpelijke reacties. Mede in verband met het wereldrijk van de grote Alexander en de, inlijving van de restanten daarvan in het rijk der Romeinse keizers, groeide en bloeide een oplevende religiositeit.
En wel een van syncretistisch karakter, d.w.z. een vermenging en gedeeltelijke samensmelting van tal van traditionele volksgodsdiensten.
Men relativeerde de verschillen, want alle godsdiensten bedoelden toch 'het goddelijke' te erkennen. De vele goden kon men toen gemakkelijk zien als verschillende verschijningen van de ene grote oppergod Zeus. Van sommige filosofen uit die tijd is zelfs moeilijk uit te maken of ze monotheïst dan wel polytheïst waren.
Er bleek dus een emotionele, godsdienstige behoefte te zijn aan een tegenwicht tegenover enerzijds de niet meer bezielende, min of meer dode gewoontegodsdienst van de massa en haar traditie. Anderzijds tegenover een rationalistische culturele elite die met, en in naam van het wijsgerig denken de samenleving wilde leiden, op alle gebied. Die schromelijke overschatting van de wijsbegeerte (inclusief de wijsgerige theologie) had Cicero (106-43 v.c.) op krasse wijze geformuleerd in zijn beroemde ode aan de filosofie, die hij de "leidster van het leven" noemde, (0 phltosophla dux vitae ... Tusc. V, 5). De wijsbegeerte werd in die eeuwen vrij algemeen beschouwd als hèt geneesmiddel dat de wereld zou kunnen verlossen van alle schuld, zonde, misstanden en ondeugden (Cicero, t.a.p.)

3. Geboortetijd der christelijke theologie

In de twee à drie eeuwen dat zó het geestelijk klimaat en zó de meest gangbare levensbeschouwing was, een geseculariseerd heidendom dat zich fundamenteel niet meer op de mythen oriënteerde maar op het toen nog nieuwe cultuurverschijnsel 'wetenschap' of 'filosofie', werd de christelijke theologie geboren.
Weliswaar in de verdediging van het geloof tegenover heidense spot en laster (de 'apologeten') en in de strijd tegen halffilosofische ketterijen in de vroege christenheid (de eerste theologen), maar dan toch met de tendens en de pretentie de enig 'ware filosofie' - want zó noemden zij wel hun theologie - te verdedigen tegenover de gangbare heidense.

Die aanduiding van de christelijke theologie als 'ware filosofie' was een terminologische aanpassing aan eigentijdse denkgewoonten en aan het eigentijdse spraakgebruik. Een aanpassing die, historisch gezien, enerzijds wél eens onmisbaar was, maar die anderzijds zeer schadelijk is gebleken voor de christelijke theoIogie en voor de kerk. Een schadelijke tendens waarvan wij nog steeds de wrange vruchten plukken in de (orthodoxe) kerken en theologieën.
Zozeer, dat ik meen de stelling te kunnen verdedigen dat bv. de moderne schriftkritiek een ongewenst, buitenechtelijk, maar wel 'natuurlijk' kind is van de orthodoxe theologie.
Geboren uit de verbintenis van laatstgenoemde met de grote filosofische (heidense, semi-christelijke en humanistische) tradities. Dat hoop ik in één der volgende artikelen aan te tonen, zij het als terloops, want mijn hoofdonderwerp is dat niet.

4. Twee belangrijke boeken

De directe aanleiding om over het in de titel genoemde onderwerp enige artikelen te schrijven, lag in het verschijnen van twee boeken. Boeken van schriftgelovige orthodoxe geestverwanten, die overigens niet tot onze kerken behoren. De een is Or. W.J. Ouweneel de ander een Amerikaanse hoogleraar in de theologie aan het bekende Calvin College: Prof. Henry Vander Goot geboren in ons eigen Friesland.
Or. Ouweneel is een internationaal bekend voorganger in de zgn. 'Vergaderingen van gelovigen' (ook wel Darbisten genoemd). Voorts is hij één der oprichters van de Evangelische Hogeschool en ook veelvuldig spreker voor de Evangelische Omroep.
Hij publiceerde een enorme reeks van 'grotere en kleinere boeken.
Eén daarvan willen we in deze artikelen wat nader bezien. Het verscheen in 1987 bij de in onze kring bekende uitgeverij Buijten & Schipperheijn en heeft als titel 'Woord en Wetenschap'. Ondertitel: 'Wetenschapsbeoefening aan de Evangelische Hogeschool'.
In hetzelfde jaar verscheen bij dezelfde uitgever een boek van Dr. Vander Goot: 'Onbevangen verstaan', met als ondertitel 'Over de werkelijkheid van de theologie'.
Naar ik meen zijn nog geen van beide boeken in Opbouw besproken, hetgeen ik wat jammer vind. Daarom wil ik aan deze beide boeken, zonder formeel daarvan een bespreking te geven, toch de nodige aandacht besteden, omdat ze mijn onderwerp direct raken. Ook besteden ze veel aandacht aan 'het verschijnsel theologie', dat in ons land de laatste jaren, ik zou willen zeggen: eindelijk! opnieuw de nodige aandacht krijgt. Een nieuwe aandacht, zelfs.
Kuitert schreef er in 1988 een apart boek over en ook een groep Leidse hoogleraren deed dit (1987). Dit onderwerp is van direct belang voor mijn beschouwingen over theologische theorieën over de Bijbel. Zowel Ouweneel als Vander Goot doen dat in hun resp. boeken ook, al is het niet hun hoofdonderwerp.
Het verschillend lezen en verstaan van de H. Schrift, zoals dat ook binnen de orthodoxe kerken en groeperingen, onze eigen kerken niet uitgezonderd, gelukkig steeds meer openlijk tot uitdrukking gebracht wordt, brengt ook de hedendaagse theologische discussies over de zgn. 'hermeneutiek' wat dichter bij ons.
Simpel gezegd betekent dat woord: de theorie over de methode van bijbeluitleg.
Het fijne van de twee genoemde boeken is nu dat zij deze hoogst actuele problematiek benaderen vanuit een uitgesproken Schriftgelovig standpunt, waarbij zij duidelijk
blijven staan binnen de geestelijke tradities van de kerkelijke en theologische orthodoxie. Maar het typisch reformatorische van beide boeken is, dat ze, elk op eigen, maar onderling verwante wijze, proberen los te komen van een grondleggende trek van onchristelijke filosofie die onbewust in de genoemde tradities is blijven voort werken.

5. Wat is 'schriftbeschouwing'?

Naar mijn mening kunnen wij niet meer zoals in het verleden, ongenuanceerd over 'schriftbeschouwing' blijven spreken. Wanneer in onze gesprekken en discussies de schriftbeschouwing ter sprake moet komen, zullen we m.i. in elk geval twee, en strikt genomen zelfs drie betekenissen van dat woord bewust dienen te onderscheiden. Betekenissen die ongetwijfeld met elkaar samenhangen, maar die toch in die samenhang wezenlijk verschillend blijven. Daarbij gaat het dus nog niet over de Inhoud van een bepaalde schriftbeschouwing, maar over de aard, de structuur, het karakter ervan.
Een 'schriftbeschouwing', wat Is dat, wat kan dat zijn?
Samenvattend zou men in grote lijnen, in het algemeen tussen twee hoofdsoorten van 'beschouwingen' kunnen spreken, nl. theoretische en praktische. In de beide genoemde boeken gaan de auteurs dan ook terecht uitvoerig in op dit verschil, en dan toegepast op het lezen en beschouwen van de Bijbel. Wetenschapsfilosofische detailkritiek op hun beider uiteenzettingen kan ik nu laten rusten. Maar wel constateer ik dat beide auteurs, inhakend op de hedendaagse wijsgerige discussies over het genoemde verschil, en voortbordurend op de reformatorische wijsbegeerte, elk op hun eigen wijze het grote praktische belang voor kerk en theologie beklemtonen van het genoemde verschil tussen het praktische en het theoretische (of wetenschappelijke) denken.
Graag sluit ik mij daarbij aan.
Over de twee (of drie) manieren waarop in ons kerkelijk spraakgebruik over 'schriftbeschouwing' wordt gesproken, nu nog iets anders.

6. Schriftbelijdenis en schriftbeschouwing
In de eerste plaats kan men het woord schriftbeschouwing wat losjes gebruiken wanneer men eigenlijk bedoelt de christelijke geloofsbelijdenis dat de Bijbel het Woord van God is, en een licht op ons levenspad.
Dat is eigenlijk meer een getuigenis dan een beschouwing. In een oprecht getuigenis of belijden komt men zelf helemaal mee, komt ook het diepe en verborgen hart mee in de openbaarheid. Het is een gelovige beaming met woord en daad van wat de Schrift zelf zegt in en over het getuigenis van de profeten en apostelen. Het is ook een 'toeeigening' daarvan. Kortom, zulk een belijdenis wordt een integraal deel van ons leven kan dat alles ook aanwezig zijn, maar daarin komt; zoals het woord zelf al suggereert, tevens iets mee van verschil.
en afstand tussen beschouwer en het beschouwde. Men kijkt (schouwt) naar iets dat men niet zelf is. Er komt enige 'reflexie' in mee, d.w.z. men buigt zich terug over (een deel van) het eigen leven dat men a.h.w.
afzonderlijk beziet in relatie met de Schrift, nl. het eigen geloven in de Schrift. En ook: men reflecteert over de Bijbel als een 'gegeven' dat men ontvangt als het Woord van God en men is zich dan expliciet bewust van die geloofsrelatie die men met de Schrift heeft. Deze beschouwing van, de Schrift is dan een meer algemene geloofsbeschouwing, d.w.z. een beschouwing die door geloof gestempeld is, maar zij is toch secundair ten opzichte van de primaire belijdenis "spreek Heer, Uw knecht hoort" of: "Uw Woord is de waarheid".
Ik geef toe: het is een subtiel verschil.
Men moet er wat aan wennen.
Laat ik het daarom nog eens iets anders formuleren. In een geloofsgetuigenis of geloofsbelijdenis wordt uitdrukking gegeven aan een geloofsverhouding met de levende God en zijn spreken. Het is de actuele verhouding van een apriorisch vertrouwen, een bij voorbaat beamend luisteren, omdat men de Spreker, de goddelijke Schrijver, lief, heeft en 'op zijn woord gelooft'. Actueel en existentieel. Grotendeels zelfs ongereflecteerd. Zoals ook wij, zonder ons expliciet bewust te worden van onze liefdesrelatie met onze huwelijkspartner, in de gewone dagelijkse omgang de ander gewoon geloven en vertrouwen wanneer die ons wat meedeelt of belooft.
Wanneer nu dit belijden en getuigen dat de Schrift Gods Woord is zich niet slechts 'concreet voltrekt in de, actuele geloofsontmoeting en geloofsomgang met God, maar wanneer men zich bovendien afzonderlijk bewust is van deze geloofshouding bij het leven of beluisteren van Gods Woord, dàn pas kan men met recht gaan spreken van een beschouwing.
Men 'beschouwt' de Bijbel als Gods Woord, als De Waarheid, en men beperkt zich daarbij niet tot een net gelezen of in de prediking ontvangen gedeelte. Men betrekt deze beschouwing generaliserend op de Bijbel als geheel. Vander Goot heeft daarop terecht veel nadruk gelegd, zij het dat hij het beschouwende en het belijdende element in deze geloofsactiviteit niet nader onderscheidt. Hierover de volgende keer nog meer.

(wordt vervolgd)

P.s. In het vorige artikel stond in de eerste kolom, regel 5 v.o. 'werkelijke' i.p.v. 'kerkelijke: (A.T.).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief