Theologische ontwikkelingssamenwerking (2)
1987-04-03
3. De 'lessen van de 'gewone' ontwikkelingssamenwerking. Bij wijze van intermezzo wil ik eerst stil staan bij wat er vanuit neutraal niet christelijk standpunt gedaan is en wordt. Want wij christen zijn niet de enigen en vaak niet eens de eersten, die de schrijnende tegenstelling tussen het Noordelijk en Zuidelijk halfrond opmerken. Er wordt al jarenlang , wat (niet te veel vergeleken met andere uitgaven) aan gedaan door de regeringen van Westerse landen. Ik wil u niet vermoeien met cijfers, alleen wijzen op enkele verschuivingen die zich hebben voorgedaan in de loop der tijd.- Jaargang 31
- nummer 13
De sfeer van de liefdadigheid is al snel achter ons gelaten, omdat het duidelijk werd dat met ontwikkeling dáár ook ons belang hier gediend is. Noodhulp gaat meer en meer plaats maken voor structurele hulp. Het wordt daarmee ook duidelijk dat de problemen daar niet los staan van de problemen hier. Zal er bijvoorbeeldiets veranderen in onrechtvaardige handelsstructuren (zoals lage importtarieven hier op grondstoffen, maar hele hoge op (half)fabricaten uit de arme landen), wie betalen dan het gelag hier, als dat zou leiden tot hogere werkloosheid? Dat wil zeggen: de vraag naar de rechtvaardigheid van de eigen samenleving houd je niet buiten de deur.
Dezelfde ontwikkeling maken trouwens ook evangelische christenen door die zich met deze zaken bezighouden. In het belangrijke Grand Rapids Rapport over Evangelisatie en Sociale Verantwoordelijkheid wordt dan ook onderscheiden tussen' 'social service' als uiting van christelijke bewogenheid, en 'social action' waarin het gaat om sociaal-politieke actie: het streven naar rechtvaardigheid, 'beyond persons to structures (: .. ) beyond caring for the poor to improving - and when necessary transforming - the economic system (whatever it may be) and the political system (again whatever it may be) *)
Ook is algemeen gegroeid het besef, hoe moeilijk ontwikkelingshulp is. Het is geen kwestie van maar wat geld geven. Want waar komt dat geld terecht? Hoe is het mogelijk dat een Marcos in de Filipijnen jarenlang zijn zakken heeft kunnen, vullen met een onvoorstelbare rijkdom, van gelden bedoeld en gegeven voor ontwikkeling? Onze eigen overheid ziet dat ook in en heeft door de jaren heen een groeiende plaats gegeven aan hulp, verleend via zogenaamde niet-gouvernementele organisaties (zoals de kerken) die minder bureaucratisch zijn en minder corrupt. Vanzelfsprekend zien Derde Wereld overheden, speciaal in communistische landen dat met lede ogen aan.
Toch kan men stellen dat in het algemeen materiële en financiële hulp zonder meer, ook die aan kerken, corrumpeert. Niet in de laatste plaats door de enorme wanverhouding met het Westen. Het is wel heel moeilijk als je zelf 15 gulden in de maand verdiend (het salaris van onze naaste collega in Oeganda), te zien hoe westerse hulp en hulpverleners schier onbeperkte bronnen kunnen aanboren.
Alles schijnt maar te kunnen: niet zo'n gekke conclusie gezien de levensstijl die sommige employés van de grote instellingen van de VN zich aanmeten:
Corruptie is dan ook een logisch gevolg. Het is dan zaak door het verlenen of juist onthouden van bepaalde diensten bijvoorbeeld als ambtenaar, zelf een graantje mee te pikken van de goedgevulde westerse ruif. Zodra een container met hulpgoederen het land binnenkomt gaan er allerlei mechanismen in werking. Hoe goed de controle ook is: er gaan dingen verdwijnen, verhandeld worden, er ontstaat een zwarte markt, de prijzen van lokale producten worden gedrukt en de economie wordt verwoest.
Het grootste bezwaar van dergelijke hulp is' de toenemende afhankelijkheid van het Westen. Deze houding van je hand ophouden, hulpverslaving, is zeer verbreid en dodelijk voor het eigen initiatief. Ik zie het als een, zo niet het kernprobleem in Afrika. Een houding die voortdurend bevestigd wordt door een bepaalde, overigens O zo goed bedoelde, soort van hulp. Ik hoop er straks nog op terug te komen.
Aandacht voor de eigen identiteit en de eigen voorkeuren van de ontvangende partij is absolute noodzaak. Is die hulp wel zo gewenst en zo weldadig als wij met onze Westerse bril op geneigd zijn te geloven? Het cynisme dat veel ontwikkelingswerkers na enige tijd ploeteren over zich krijgen, is wel begrijpelijk, maar niet terecht.
Veel voor het oog prachtige projecten zijn geheel verzand, omdat na het vertrek van de Westerse hulp het betreffende land met geen mogelijkheid die nieuwe fabriek of die pomp zelf kon onderhouden.
Hulp kan vaak het omgekeerde uitwerken van wat de bedoeling was. Een voorbeeld uit Internationale Samenwerking (jan, 1987), een gratis maandblad van de overheid. Een irrigratieproject van Nederlandse deskundigen in de Sahel leidt tot waardestijging van de grond. Gevolg: de nadruk verschuift van grond als familiebezit naar individueel (manlijk) bezit. Voorheen mocht een vrouw een lapje grond voor zichzelf verbouwen, nu niet meer. Daaruit volgt: inkomsten vallen weg, waarvan tevoren biiv. kleding voor de kinderen of schoolgelden werden betaald. Wie is er nu beter geworden van deze hulp? Tegenwerping is natuurlijk: ja, maar dan is het in zo'n gezin ook niet goed. Juist! Dat is exact het probleem. Het betreffende artikel moet dan ook wel wijzen op de werkelijke problematiek: de herziening van de relatie manvrouw. Maar voor een werkelijke verbetering in de situatie van de vrouw zal de confrontatie met de cultuur echter niet zo eenvoudig te mijden Zijn.
4. Wat is zending?
De vraag brandt u misschien op de lippen: wat heeft dit nog met zending te maken? Ik zou willen antwoorden: alles! In de zending gaat het immers om de Missio Dei, Gods zendende en uitgaande activiteit, die tot zijn doel komt in de vestiging van het Koningkrijk. Ik sluit me in deze omschrijving aan bij Dr J. Verkuyl in zijn Inleiding in de Nieuwere Zendingswetenschap, **) Daarbij mogen de macrostructuren nooit centraal gesteld worden ten koste van het individu. Maar ze horen er wèl bij. En actie mag niet de plaats innemen van verkondiging. Maar het is wel een onvergeeflijke verschraling als niet proclamatie en realisatie van het heil hand in hand gaan. Het gaat om God om Zijn schepping in al haar aspecten, en het Koninkrijk Gods is niets minder dan de Schepping, die tot haar bestemming is .gekomen. Dit accent op het koninkrijk, dat totalitair is en wil zijn en dat alle aspecten
van het leven omvat; behoeft absoluut niet in mindering te komen op de intieme, persoonlijke kennis van Christus zoals trouwens ook niet bij Verkuyl). Het centrum van de verkondiging blijft Jezus, in Wie God Zichzelf radicaal en zonder reserve aan ons heeft meegedeeld. En in Wie ook de nieuwe mens zichtbaar wordt, die in ieder van ons gestalte moet krijgen. Hij verwacht als levende Heer een antwoord van ieder mens: 'Maakt alle volken tot Mijn discipelen'.
Die navolging van Hem betekent een reoriëntatie van het hele leven. Een proces begint dat in principe, omdat het leven zelf verandert, nooit afgelopen is. Een proces van transformatie, waarin de enkeling in al zijn relaties begrepen is.
Dit is een zaak van groot praktisch gewicht. Met het Koninkrijk als constant oriëntatiepunt, het Koninkrijk dat immers nu al begonnen is, zijn we' er niet als we een bepaalde vaststaande set van waarheden hebben overgedragen of een zekere vorm van 'kerkelijk leven hebben geïnstitueerd. We zullen samen met de christenen van het Iand waar we als zending werken steeds bedacht willen zijn op al die machten en structuren die dat Koninkrijk nu nog in de weg staan, en daarmee de strijd moeten aanbinden, Welk kwaad, welk lijden, moeten het doelwit zijn in deze specifieke situatie?
Dat is de' vraag. En het spreekt niet van zelf dat dan altijd de medische zorg bovenaan dat lijstje zal staan, zoals in het verleden wel vaak omdat dat nu een keer het' meest zichtbaar is.
Het centraal stellen van het Koninkrijk in deze zin voert onvermijdelijk tot zending 'in zes continenten’. Want kunnen we in ernst zeggen, dat hier het kwaad, de machten van de duisternis een mindere rol spelen? Ook daarover straks nog iets.
*) Lausanne Committee for World Evangelization, Evangelism and social responsibility, Exeter, 1982, p. 45.
**) J. Verkuyl, Inleiding in de nieuwere zendingswetenschap, Kampen. 1975, speciaal hoofdstuk 7.