Het evangelie van Jezus Christus: Niet voor de Jood, alleen voor de Griek? (2)
1987-04-10
Wij hebben de vorige maal gezien dat in het jongste gereformeerde geschrift over Israël Jezus Christus ten gerieve van de joodse heilsleer uit het centrum van het Koninkrijk Gods wordt weggedrukt. Zijn optreden is niet de maar een realisering van dat Koninkrijk, een realisering die bovendien door het uitblijven van het spoedig verwachte einde zeer problematisch is geworden, Pasen ten spijt. De enige kans die de christelijke kerk gelaten wordt om aan de voor dè Joden bestemde genade en waarheid deel te hebben en zo iets van de aanwezigheid van het Koninkrijk Gods te demonstreren, is dat ze waarlijk messiaans leeft. Het is over dit laatste dat ik het in dit artikel nu verder wil hebben.- Jaargang 31
- nummer 14
Messiaans leven
Op het eind van het vorige artikel zei ik al dat deze bewijslast vandaag de dag wel zeer zwaar op de kerk moet drukken, omdat er na 'Auschwitz' van de daarvoor' nodige welwillendheid onder de mensen niets over is. 'Auschwitz' wordt nu eenmaal slordigweg uitgelegd als een christelijke affaire, bekroning van twintig eeuwen anti-joods gestook. Wie zal na zo'n verpletterende beschuldiging de christelijke kerk nog willen en kunnen herkennen als 'waarlijk messiaans levend'? Daarvoor zou de christenheid zich radicaal van haar verleden (héél haar verleden) moeten bekeren en men kan wel nagaan dat dat een bekering tot het humanisme moet zijn wil zijde beoordelaars overtuigen.
Het met nieuwe kracht betuigen van het evangelie aan het joodse volk kan daartoe in ieder geval niet behoren. Graaft dus de kerk door deze positiekeuze niet haar eigen graf, zo wil ik vragen.
Geloofsbewijzen
Ik wil trouwens ook wel buiten 'Auschchwitz' om de vraag stellen of het niet bloed-link is de christelijke kerk haar eigen bestaansrecht te laten bewijzen. Voor wie eigenlijk en waarmee? Gesteld nu eens dat christenen aankomen met geloofsbewijzen in de trant van Abraham die bereid was zijn zoon te offeren of naar de stijl van Rachab die de zijde van de vijand koos door de spionnen van Jozua te verbergen. Niemand zou toch oog hebben voor het eigenlijke motief? Het zou alleen maar leiden tot beschuldigingen van onmenselijkheid en landverraad. Gekke, extreme gevallen, Zegt u. Toch zijn het uitgerekend deze voorbeelden die Jakobus aanhaalt voor zijn stelling dat het geloof dat ons rechtvaardigt met werken gepaard moet gaan (Jakobus 2:20-26). Maar wie zal zulk gedrag als van Abraham of Rachab als blijk van 'messiaans leven' duiden? Dat is al moeilijk alsje gelooft, laat staan als je niet gelooft. Het is daarom voorde kerk maar beter het te houden op wat Paulus schrijft: "Hij die mij beoordeelt is de Here" (1 Kor. 4:4) en: "Nu raakt het mij zeer weinig, of ik al door u of door enig menselijk gericht beoordeeld word" (vs 3). Natuurlijk is het voor de kerk goed naar wereldse kritiek te luisteren, maar toch mist de wereld het vermogen om de christen in zijn handelen ten diepste te verstaan. Zij zal gelovigen voor de rechter brengen in gevallen waarvan God zegt: Bravo! Welgedaan!
Te zwaar belast
Het is toch wel een geweldige druk waaronder drs D. Pruiksma de christelijke kerk en haar voortbestaan stelt. Hij laat het zelfs van het messiaanse leven van de kerk afhangen of het nieuwe van het Nieuwe Testament zich überhaupt zal voortzetten ja of nee (pag. 17). Hier is het evangelie wel helemaal tot wet geworden en de belofte tot gebod.' Het nieuwe van het Nieuwe Testament zet zich toch heel zeker voort? Ongeacht of wij er ons in laten betrekken of niet? De kandelaar van het Woord kan toch verplaatst worden? Zodat God OP een andere plaats gewoon verder gaat? Hij is toch niet van ons afhankelijk?
Voorwaardelijk en onvoorwaardelijk heil
Ik vind het ook zo vreemd dat die strenge voorwaardelijkheid alleen op 'het bestaan van de kerk drukt. Naar het jodendom toe blijkt daar niets van. De Joden genieten een onvoorwaardelijk heil. "Aan Israël behoren de verbonden en beloften, het zoonschap en het onderricht (Rom. 9:4-5) . Dat alles blijft. Want God is getrouw" (pag. 15). "En bij alle verschil van inzicht blijft bestaan dat het heil uit de Joden is" (pag. 16). Ook dr Schoon spreekt zo. Hij noemt het zelfs de 'hoofdmelodie der Schriften' van Oude en Nieuwe Testament: "God is een eeuwig verbond aangegaan met Israël, dat niet is opgeheven of vervallen (Rom. 11:1-2, 29)" (pag. 21). De zuinigheid naar de christenen toe steekt hier schril bij af.
De Verlosser uit Sion
Maar als dit nu toch gewoon eens waar is? De genoemde auteurs halen er toch de bijbel bij aan? Het zal in het begin wel moeilijk zijn, maar zullen wij desondanks de gedachte niet aan ons moeten toelaten, dat het heil voor de Joden onvoorwaardelijk is en voor de christenen voorwaardelijk? Israël is toch hoog bevoorrecht? Laten we eens zien. Dr. Schoon schrijft in vervolg op zijn eerder aangehaalde uit spraak: "In de voleinding zal blijken dat Gods verbond niet Israël van kracht gebleven is, wanneer de Verlosser uit Sion zal komen en het zal gelden: "Dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem" (Rom. 11:27)" (pag. 21). Ook hier de voorstelling van de onverbreekbaarheid van het verbond. En het is waar, inde aangehaalde tekst zegt Paulus inderdaad iets essentiëels over het verbond van God met Israël. Maar dan als volgt: God maakt dat verbond in deze zin waar dat Hij tot Israël de Verlosser uit Sion zendt. De Verlosser uit Sion, dat wil zeggen: Hij draagt de trekken van David (Verlosser) en van de Tempel (Sion). Van David, de koning die' door de ijver voor Gods huis verteerd werd, en van de tempel, de plaats van de verzoening. In psalm 132 komen zij beiden voor: koning David en de tempel. Uit die psalm blijkt dat de tempel niet zonder de inspanning van David kon en dat omgekeerd David op de tempel was aangewezen. Op de twee benen van 'Sion' en 'David' liep het heil in het Oude Testament. Welnu, uit die onderlinge afhankelijkheid is de term 'Verlosser uitSion' geboren. De naam duidt aan' dat de verlossing van Gods volk een zaak is van kracht (koning) en van verzoening (tempel), van kracht door verzoening.
Zo ben Ik met ze getrouwd
Wij herkennen in deze Verlosser uit Sion gemakkelijk de Here Christus, die Zichzelf heeft aangewezen als de vervulling van David (Matth. 12:42) en van de tempel (Matth. 12:6). Het is nu in het zenden van deze Verlosser de Here Christus, dat God Zijn verbond met Israël nakomt. "Dit is mijn verbond met hen", zegt God, zo ben Ik met ze getrouwd'. Het verbond van God met Israël moet dus in de Here Jezus vast worden gemaakt. In Hem wordt het van voorwaardelijk tot onvoorwaardelijk. Dat moeten wij aan Joden en christenen gelijkelijk voorhouden. 'Voorwaardelijk' en 'onvoorwaardelijk' zijn daarom niet zo te verdelen dat de christenen het heil voorwaardelijk hebben, terwijl de Joden een onvoorwaardelijkheid genieten. Nee, het voorwaardelijke van het heil geldt zowel voor Christenen als voor Joden: Geloof in de Here Jezus Christus en gij zult behouden worden. En bij Hem, de. Heiland der wereld (Joh. 4:42; hetzelfde hoofdstuk als waarin gezegd wordt dat het heil uit de Joden is, vs 22!), vinden Joden en Christenen dan een onvoorwaardelijk en eeuwig durend heil.
Nog eensde uitverkiezing
Maar Israël is toch het uitverkoren volk? Zijn de Joden naar de verkiezing geen geliefden om der vaderen wil? Dit woord van Paulus uit Rom.11:28 wordt ook door Dr. Schoon aangehaald, zij het onvolledig (pag. 21). Ik wil een poging doen deze bekende en vaak gebruikte tekst vanuit het Oude Testament toe te lichten. Vanuit het boek 2 Koningen. De zin van mijn dubbele aanhaling berust hierop dat ik in het uiteengaan van de Twee Stammen en de Tien Stammen in de dagen van Rehabeam een parallel zie van de scheiding tussen Kerk en Synagoge.
Het Noorden scheidde zich toen vooral af van David en het heil waarvan zijn dynastie de draagster was (1 Kon. 12:18). Betekende dit nu het einde van de: verkiezing van Efraim?
In zekere zin,ja (Psalm 78:67). Toch, als het Tienstammenrijk in moeite verkeert, blijkt God Efraim niet vergeten te zijn: "Maar de HERE was hun genadig, erbarmde.
Zich over hen en keerde Zich weer tot hen terwille van zijn verbond met, Abraham, Izaäk en Jakob; Hij wilde hen niet verdelgen en had hen nog niet van voor zijn aangezicht verworpen" (2 Kon. 13:23). Nog niet. Duidelijk blijkt hier dat Israël-Efraïm geliefd was bij God 'om der vaderen wil', zoals Paulus dat van de Joden zegt.
Maar wat zegt de Schrift in een vergelijkbare noodsituatie ten aanzien van het Tweestammenrijk Juda? "Maar de HERE wilde Juda niet verderven terwille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te. allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven" (2 Kon. 8:19).
God denkt in het Noorden aan de vaders en dan is er een aflopende verkiezing ('nog niet'). Hij denkt in het Zuiden aan David en dan is er een blijvende verkiezing ('te allen tijde').
Maar ook uit het Noorden mocht men zijn aflopende verkiezing verankeren in die van David, hetgeen velen gelukkig ook hebben gedaan. Ik denk dat dit verhelderend is voor de verhouding tussen Kerk en Synagoge. Wij moeten allebei naar David, dat wil zeggen: naar Christus 'toe, wil onze verkiezing stand houden. Verkiezing om der vaderen wil is mooi, opgroeien in de lichtkring van het Woord is prachtig, maar als 't erop aankomt zijn dat toch' slechts de kaders, die in de ontmoeting met de Christus hun vulling en vervulling moeten vinden.