De toekomst van onze kerken (1)
1988-06-17
Toelichting bij de Stellingen voor de causerie over 'De toekomst van onze kerken', te houden op de jaarvergadering van ons blad op 12 maart 1988 te Utrecht.- Jaargang 32
- nummer 24
1. Ook voor de Nederlands Gereformeerde Kerken (verder NGK) staat geschreven dat wie zal verliezen. Niet onze kerkelijke toekomst is het belangrijkste, maar toekomst is het belangrijkste, maar de komst van het Koninkrijk Gods.
Het komt er voor de NGK op aan, daaraan dienstbaar te zijn.
Het volledige woord van de Heiland, waarnaar ik in deze stelling verwijs, is te vinden in de passage waarin onze Here ons voorbereidt op het lijden dat eerst Hem en dan in zijn navolging ook ons te wachten staat. Het luidt als volgt: "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar ieder die zijn leven vçrloren heeft, die zal het vinden" (Mat. 16 : 24, 25).
Wij zijn er aan gewend dat een woord alsdit op het leven van de persóónlijke gelovige wordt toegepast. Het komt minder vaak voor dat uitspraken als deze ook de gemeente worden voorgehouden. Want de kerk is het lichaam van Christus en kan als zodanig niet dwalen, is de gedachte. De kerk brengt het feilloze evangelie van Jezus Christus en kan het zich derhalve niet veroorloven zelf feilen en fouten te hebben. Daarom maak je het ook hoogst zelden mee dat een kerk schuld belijdt of dat een kerkelijke vergadering toegeeft iets verkeerd te hebben gedaan.
Hoe officiëler de kerk spreekt, des te onwaarschijnlijker dit wordt.
Toch is de kerk naast het lichaam van Christus ook een menselijke organisatie waaraan niets menselijks vreemd is. En dat ze de belofte van de Heilige Geest heeft, die haar in alle waarheid leiden zal, betekent niet dat ze er nooit eens falikant naast kan zitten.
Het lijkt alsof ik hiermee open deuren intrap, maar nog eens: hoe officiëler de kerk spreekt, des te moeilijker is het voor haar toe te geven dat ze fouten kan maken en ook werkelijk maakt.
En een heel vaak voorkomende fout is dat de kerk op zelfbehoud bedacht is.
Vooral in de onderlinge verhouding tussen de kerken.kan zich dat hinderlijk manifesteren. In deze zin bijvoorbeeld dat een kerk telkens de fouten van andere kerken nodig heeft om haar eigen bestaansrecht te bewijzen. Ze kan het zich dan niet veroorloven om van andere kerken iets goeds te zeggen, bang als ze is dat dat haar eigen bestaansrecht ondergraaft en dat dat haar leden kost.
Daarom hoor je maar zelden dat de ene kerk de andere prijst en aanmoedigt om op een ingeslagen weg voort te gaan.
Zeker onder de kleine kerken is dit zeldzaam.
Voor het pastoraat heeft dat ook schadelijke gevolgen. Gesteld een gemeentelid begint andere kerkdiensten te bezoeken.
Bepaalde dingen in andere kerken spreken hem meer aan dan wat zijn eigen kerk hem biedt. Waar is dan de pastor die het geloofsleven en het geloofsbelang van het gemeentelid vóór laat gaan op zijn kerklidmaatschap? De pastor kan er zo moeilijk toe komen om echt met de betrokkene mee te denken.
Eerder zet hij alle gebreken van de bezochte kerk op een rijtje om het 'dwalende' gemeentelid van zijn weg terug te brengen, waarbij de legitieme behoefte van waaruit deze handelde vergeten wordt. Ik kijk hierbij echt niet alleen verwijtend naar anderen, maar moet ook mijn eigen zwakheid in dit opzicht toegeven.
Het is ook zo begrijpelijk dat kerken op dit punt zwak zijn. Toch verraadt het een onvrijheid. En daarom oefen ik mij in het ideaal dat ik me samen met mijn gemeentelid kan verheugen over en dat ik samen met hem kan danken voor een fijne preek die hij bij de 'konkurent' gehoord heeft. Sterker nog, dat ik als hij besluiten zou bij ons weg te gaan om zich bij een andere christelijke kerk te voegen (waarvoor iemand goede redenenkan hebben) hem een waardig christelijk uitgeleide kan bieden.
Als Christus daarbij maar groeit. Ik Nederlands Gereformeerd predikant en wij Nederlands Gereformeerde Kerken, mogen daarbij wel minder worden.
Deze kernspreuk van de grote Johannes de Doper (zie Joh. 3 : 30) zou ik met grote letters boven het hoofd van de Nederlands Gereformeerde Kerken willen schrijven. Alle schijn moet vermeden worden dat wij voor onszelf werven.
Ik weet wel, dat er goede pastorale redenen kunnen zijn die een predikant of ouderling er toe brengen het vertrekkende gemeentelid te waarschuwen en hem zijn stap ernstig te ontraden, maar ik pleit voor de geestelijke souplesse waardoor zo'n waarschuwend en ontradend gesprek halverwege een wending kan nemen, als namelijk blijkt dat de betrokkene voor zijn overgang goede redenen heeft. Dat er alsdan niet doorgewalst wordt, maar de weg naar een christelijke afscheidszegen wordt ingeslagen.
Te vaak heb ik bij kleine kerken gezien dat bij zulke gelegenheden het kerkbelang doorzichtig voorop staat en dat de waarheid van het evangelie daaraan dienstbaar moet zijn. In plaats van het omgekeerde dat kerkbelangen de heerlijke waarheid van het evangelie moeten dienen.
Bij het aannemen van deze kerkelijke onzelfzuchtige houding zijn de Nederlands Gereformeerde Kerken in een bepaald opzicht in het voordeel. Zij hebben weinig instituten, weinig status.
Geen eigen Hogeschool (Universiteit, tegenwoordig!), geen eigen kerkelijk centrum, enz. Dat heeft zeker ook nadelen, maar toch moet dit zo blijven, is mijn mening. Wij zijn er te klein voor.
En maken we zulke instituten toch, dan hebben we ieders bijdrage dringend nodig, wat dan als onzalig gevolg heeft dat als iemand meent ons te moeten verlaten, dit als verraad wordt aangevoeld.
Oneigenlijke motieven gaan ons dan drijven zo iemand vast te houden. Dat levert een benauwde sfeer op. Onze schamele kerkvorm maakt het ons mogelijk om ten opzichte van elkaar betrekkelijk vrij te staan. Wij hebben daarvoor praktisch geen ekonomisch belang bij onze eenheid. Dit geeft ons de mogelijkheid en verplicht ons tegelijk tot een opener houding naar elkaar en naar anderen toe.
2. De ware kerk van de belijdenis (de art. 27-32 van de N.G.B.) en de NGK hangen wel samen, maar vallen niet samen.
Ik wil radikaal af van de gedachte dat wij de ware kerk zijn, in onderscheiding van anderen. Het is waar dat wij dat sinds 1967 niet meer zeggen. Maar gedacht wordt het nog wel. Het blijkt uit onze gedragingen, uit onze reakties op het weggaan van leden, die zich bij andere kerken voegen.
Wat de belijdenis met name in art. 29 over de ware en de valse kerk zegt, is niet beschrijvend bedoeld, zodat je je eigen kerk of andere kerken daarnaast kunt leggen om uit te maken of.ze waar of vals zijn. Als het beschrijvend bedoeld was, dan had er zoiets kunnen staan als: dit zijn de kenmerken van de ware kerk en alles wat daaraan niet voldoet, is vals. Maar in werkelijkheid . wordt van de valse kerk naast de ware 'kerk een apart portret getekend en daaraan merk je dat er profetischeschatologisch gesproken wordt: een laatste werkelijkheid achter de voorhanden werkelijkheid wordt bedoeld. Dat komt hierop neer: je moet je op deze twee portretten oriënteren; de ene, de ware, zoeken, en de andere, de valse, vermijden. In dat zoeken van de ware kerk kunnen kerken onderling verschillen, dat is waar. Je kunt daarbij als kerken op elkaar ook zwaar kritiek hebben. Maar het is 'n heel verschil om op gebrekkige wijze ware kerk te zijn ènhet beeld van de valse kerk te vertonen. Ik ken in ons land op 't ogenblik geen kerk die in die zin vals is dat zij vervolgt degenen die heilig willen leven naar het woord van God. Getuige het feit dat ik zulke mensen in alle kerken tegenkom, die ook niet van zins zijn daaruit weg te gaan. Natuurlijk ze hebben het wel eens moeilijk in hun kerk en met hun kerk, maar dat 't hen onmogelijk gemaakt wordt om christen te zijn, nee, dat zie ik nergens.
Dat wil nu evenwel niet zeggen dat alle kerken mij gelijk zijn. Er zijn bijvoorbeeld kerken die m.i. gevaar lopen op te gaan in de zorgvuldigheden des levens en daardoor in 't geheel genomen een werelds aanzien krijgen. Kiezen ze nog wel het goede deel dat niet van hen zal worden weggenomen? Maar dat is dan mijnerzijds een kritiek die ik in alle voorzichtigheid wil laten horen, want die zorgvuldigheden des levens presenteren zich vandaag ook wel zeer indrukwekkend.
En hoe groter een kerk is, des te meer heeft ze daarmee te maken.
Als kleine kerken zijn we opnieuw in het voordeel. Wij hebben door die kleinheid een geringe diversiteit (geen IKV-ICTO-konflikten, enz.!) en kunnen ons onbelemmerd wijden aan het ene nodige en daarin voor de andere kerken een herinnering daaraan zijn.
(wordt vervolgd)