De toekomst van onze kerken (2)
1988-06-24
3. In ons naaste kerkelijke verleden van na de Vrijmaking hebben wij ons als kerken vooral op het model van de pro fee t georiënteerd. Wij zouden daarnaast iets kunnen hebben aan het model van de n a z iree ë r in Israël. Dat wil zeggen dat wij het kerklidmaatschap bij de NGK meer op vrijwilligheid gaan baseren en dat we onze schamele kerkvorm getroost op ons nemen om temidden van de andere reformatorische kerken in een sterk veranderende wereld een blij, ondubbelzinnig en onbekrompen aksent op het ene nodige te leggen.- Jaargang 32
- nummer 25
Bij het model van de profeet, waarop wij ons in het verleden sterk georiënteerd hebben, denk ik aan de konfronterende opstelling die ons als vrijgemaakten eigen is geweest. Wij kwamen onszelf voor als de oudtestamentische profeten temidden van het afvallige verbondsvolk.
Aan die afval zou een einde komen als ieder zich tot de Here en dus ook tot de vrijgemaakte kerk zou bekeren.
Dit heeft ontzettend kwaad bloed gezet onderbnze medechristenen en ons een imago van hatelijkheid bezorgd, waar we ook als Nederlands Gereformeerden nog volop mee te maken hebben.
Natuurlijk dient een kerk profetisch te zijn, maar dat is in het verleden tot in het absurde doorgevoerd. Wij zijn met dat profetische onze medechristenen te lijf gegaan en we hebben een betreurenswaardig kerkelijk konflikt met hen behandeld als een zaak van geloofsafval aan hun kant en geloofstrouw aan de onze.
Wat bedoel ik nu met het model van de Nazireeër? Ik heb daarbij gedacht aan het boek Numeri, hoofdstuk 6, waarin het over de nazireeër gaat. Drie kenmerken van de nazireeër springen daarin naar voren: vrijwilligheid, ontzegging en tijdelijkheid.
Vrijwilligheid: zonder de mede-Israëliet te veroordelen wijdde de nazireeër zich op een bijzondere wijze aan de dienst des Heren. Daarin stak een opwekking aan geheel Israël om dit dienen van God volstrekte prioriteit te verlenen.
Hij wierf ermee temidden van zijn volk.
Ontzegging of onthouding: het middel dat hij voor die toewijding hanteerde was dat hij zich van de wijn (en kultuurgenot) onthield en de deelneming aan het wereldse leven beperkte (geen aanraking van doden en het haar laten groeien). Zijn levenswijze legde zo een aksent op het ene nodige.
Tijdelijkheid: het nazireaat relativeerde zichzelf heilzaam door inde regel een tijdelijke vorm aan te nemen. Na beëindiging ervan trad men weer terug in de normale verhoudingen en levensomstandigheden.
Zo zie ik me het Nederlands Gerefomeerde graag als een soort nazireaat.
Een intense vorm van toewijding aan de Here met 't oog op de tijd waarin we leven: een tijd waarin het ene nodige gemakkelijk schuil gaat achter de zorgvuldigheden des levens. Ontzegging van een stuk kerkelijke kultuur gaat daar noodzakelijk mee gepaard, vandaar dat ik van een schamele kerkvorm spreek: het bijeen komen in aula's, armelijke liturgie, bijna geen instituten, nagenoeg geen voorzieningen voor jeugd- of bejaardenwerk.
Allemaal dingen waarover je gemopper kunt horen. Maar als je ziet wat er als mogelijkheid tegenover staat: dat pure van 'de Here alleen', omdat je niet in die uiterlijke dingen kunt blijven hangen (ze zijn er immers niet), de kerk als volstrekt ondergeschikt middel, dan kun je er toch enthousiast voor worden.
Het liefst zie ik het Nederlands Gereformeerde als een soort leken-orde temidden van de hedendaagse christenheid, dat wil zeggen: een geloftengemeenschap van in de wereld levende christenen, die door hun vrijwillige keuze voor kerkelijke soberte een blij, ondubbelzinnig en onbekrompen aksent kunnen leggen op het ene nodige.
Maar onze kinderen dan, zal iemand zeggen, want dit wat u nu zegt is toch meer een zaak voor volwassenen. Dat is waar. Mijn antwoord is: voed uw kinderen goed op, als ouders en als kerk.
En laat ze vervolgens vrij. Als ze volwassen geworden een andere kerk kiezen, laat ze gaan. Reeds zijn er vele ex-
Nederlands Gereformeerden die in andere kerken in het ambt dienen. Ze worden daar .gewaardeerd omdat ze iets zeer waardevols meebrengen. Wees blij dat we ook zo met het vele dat we ontvangen hebben temidden van Gods volk tot zegen kunnen zijn. En de Here zal dan wel zorgen dat er onder de volwassen christenen weer nieuwe vrijwilligers toetreden. Het gaat niet om' ons. Het gaat om Gods Koninkrijk.
Zelfs kunnen we op deze wijze de tijdelijkheid van het Nederlands Gereformeerde rustig onder het oog zien.
Ik wil bij deze derde stelling graag nog twee opmerkingen maken. In de eerste plaats mag het nazireaat nooit verstaan worden als een jacht naar specialiteiten of buitenissigheden. Bijvoorbeeld dat we op grond van het wijn-verbod ons zouden laten heendrijven naar allerlei onthoudingsfanatismen: geen tabak, geen alkohol, geen vlees, enz. enz. Dat zou geheel in strijd zijn met de geest van de nazireeër-belofte. Daar lag een duidelijk aksent op de hoofdzaak van Israëls geloof. Dat een nazireeër niet aan een overledene mocht komen sloot aan bij een algemeen gevoeld besef in het volk, want ook voor de gewone Israëliet gold dat hij zich door aanraking van een dode verontreinigde. Dat hing samen met het sterke aksent op het levenskarakter van Israëls godsdienst. Israël had een God des levens. Dus verwees dat aanrakingsverbod van doden naar iets zeer vitaals. Ook het wijn-verbod voerde de nazireeër bepaald niet op een zijweg van Israëls geloof. Het wijngenot was kenmerkend voor Kanaän (denk maar aan 't verhaal van de twaalf verspieders die met een druiventros terugkwamen na hun verkenningstocht door het land). De wijn stond dus bovenaan de lijst van de verbondszegeningen van Israël. Maar het wijnverbod predikte dat juist die verbondszegen ook een groot gevaar inhield: het bederf van het beste zou het slechtste kunnen zijn. Zo voerde het wijnverbod midden in de kern van Israëls geloofsproblematiek: dat namelijk de verbondszegen niet automatisch tot zegen was. Het ging in de nazireeër-gelofte om het voornaamste van Israëls geloof.
Dan nog iets. Als de nazireeërs-gelofte dan zo een aksent legde niet op de een of andere buitenissigheid, maar op het ene nodige, waarin onderscheidde de nazireeër zich dan nog van de rest in Israël?
Of toegepast: als wij het eigene zoeken in de wijding van het nazireaat, krijgen we dan wel eigenheid? Inhoudelijk niet, en dat moet ook niet. Maar waar is de kerk die dit aksent als kerk nog duidelijk legt? Duidelijk, blij, onbekrompen en ondubbelzinnig? Neem nu het samen-op-weg-proces. Als dat doorgaat en het zal wel doorgaan: het samengaan van de twee grote protestantse kerken, zal dan de voorzichtigheid niet de moeder van de porceleinkast worden?
Een kerk vol kolen en geiten, d.W.Z. elkaar uitsluitende opinies, en een synode die daar behendig tussendoor laveert en niet meer vrij is in haar getuigenis. Ik voorzie dat er behoefte komt aan stemmen die de hoofdzaak van ons geloof onder woorden brengen.
4. Wanneer wij van mening blijven dat allerlei verschilpunten onder ons (over de zuster in het ambt, kinderen aan het avondmaal, zondagmiddagdienst, kindernevendienst) regelrecht en met volkomen zekerheid uit de Schrift zijn op te lossen, zullen wij bij het uitblijven van eenstemmigheid steeds weer onze geestelijke en kerkelijke eenheid om zulke bijkomstigheden op het spel zetten. Ten aanzien van het schriftgezag moeten wij een stapje terug, willen wij niet in steeds kleinere groepjes van gelijkgezinden uiteenvallen.
Echter, juist dat nadruk leggen op de hoofdzaak zie ik nu in gevaar komen in onze kerken. We gaan ons op details richten. Onderwerpen voor katechisatie en jeugdvereniging worden: abortus, euthanasie, aids, homofilie, de vrouw in het ambt. En verder ook de onderwerpen die ik in deze stelling noem. Uitgewerkte standpunten daarover gaan ons geestelijk gezicht bepalen. En het geeft ons eens te meer een veroordelend imago naar buiten en naar andere kerken toe.
Bekijk je dan de uitleg van de bijbelteksten die daarbij in het geding gebracht worden, dan moetje heel vaak zeggen: ja, 't kan. Maar moet het ook zo? Is het werkelijk de bedoeling van de Schrift om ons te binden aan een voorbije kultuur?
Laat toch eens wat meer vrij.
Ik lees in de Schrift: "Leugenaars zijn de Cretenzen altijd, beesten en vadsige buiken" (Titus 1 : 12 e.v.). Paulus citeert hier een eigen profeet van deze eilandbewoners en voegt toe: "dit getuigenis is waar". Zijn wij nu gehouden om de nu levende Cretenzen met dit oordeel lastig te vallen? Natuurlijk niet.
zegt iedereen. Toch zijn er op het standpunt van het fundamentalisme sterke argumenten om dat wèl te doen.
Want er staat in dat citaat dat de Cretenzen altijd leugenaars zijn. Dus ook nu. Immers, Paulus heeft gezegd dat dit getuigenis waar is. Maar iedereen voelt dat dit absurd is.
Zo is er meer uitleg van Schriftteksten absurd. Het is misschien niet allemaal historisch onjuist wat men ter verklaring van bepaalde teksten te berde brengt, maar de vrijmoedigheid waarmee men met deze gevonden uitleg moderne verschijnselen te lijf gaat, is verbazend. Het lijkt wel of alles in de bijbel voor eeuwig geldig gehouden moet worden, tegen de boodschap van de bijbel zelf in. die immers zelf onderweg een heleboel details laat vallen. Die details kunnen ons dan nog wel wijsheid leren, maar we zijn er niet aan gebonden als we onze weg zoeken door het kreupelhout van onze verwarrende tijd.
Men beroept zich voor dat eeuwig geldende en blijvende gezag van die details nog wel eens op een woord van onze Heiland zelf. "Geen tittel of jota van de wet zal verloren gaan, eer alles zal zijn geschied" (Mat. 5: 18). Daar staat 't toch maar dat alles van de bijbel z'n geldigheid behoudt. Maar lees je dan verder in Mattheüs 5, waar de Heiland uitleg geeft van de geboden, dan blijkt dat het alles behalve over tittels en jota's gaat. En dat noodzaakt ons dan om in die uitdrukking 'tittel of jota van de wet' een manier van spreken te zien, die niet letterlijk genomen moet worden. De Here Jezus waakt daar met grote nadruk over het geestelijk karakter van de wet. Hij is er allerminst pietluttig mee.
Verderop in zijn onderwijs maakt Hij dan ook rustig onderscheid tussen het zwaarste van de wet: het oordeel (des onderscheids ), de barmhartigheid en de trouw, èn de minder belangrijke bepalingen (zoals die over het geven van tienden en rein en onrein, een terrein waarop Hij zichzelfvrijheden toestond) (Mat. 23 : 23).
Het is nu juist zo boeiend in de bijbel datje Gods Woord door een verscheidenheid van werelden en kulturen heen ziet gaan, waarop met allerlei woorden en regels gereageerd wordt die met de tijd hun stringente geldigheid verliezen en dat er toch dwars door al die verscheidenheid heen, gelijkblijvendheid is. Van het voornaamste natuurlijk.
Konkreet gezegd: ik geloof er niets (meer) van dat we aan de 'zwijgteksten ' van Paulus voor de vrouw in de gemeente gebonden zijn. Dat is me even vreemd (geworden) als dat ik een Cretenzer van vandaag voor een leugenaar zou moeten houden.
Omgekeerd, wie nu wel de mening is toegedaan dat die zwijgteksten blijvend geldig zijn, die hoop ik te bejegenen zoals Paulus de zwakken bejegend heeft. Natuurlijk door ze te ontzien. Dat wil zeggeril als ik nog eens lid word van een gemeente waarin men ver van de vrouw in de kerkeraad verwijderd is, zal ik geen voorstellen doen om dat in te voeren. De zwakken hebben anderzijds natuurlijk niet de macht om vanuit het ene uiterste van het land ontwikkelingen in het andere uiterste te blokkeren.
Ze zouden dan ook niet zwak meer zijn, maar integendeel oersterk.
We zullen moeten leren rekenen met de beperktheden van de Heilige Schrift. Ik weet, dat klinkt ons in de oren alsof we rekening zouden moeten houden met de beperktheden van de Heilige Geesthetgeen ons godslasterlijk in de oren klinkt. Geloof me, dat kàn ik niet bedoelen.
Ook ik spreek van een eeuwig evangelie, maar ik besef dat daar vorm aan gegeven is door mensen die onder de beperktheden van hun tijd stonden.
Rekenen we daar niet mee, dan voorzie ik dat we steeds meer energie gaan steken in het verdedigen of bestrijden van dingen die er niet zoveel toe doen.
We slaan dan echt ons kamp op in de rand van de Schrift en bezorgen onszelf het imago dat het Schriftgeloof hetzelfde is als vasthouden aan voorbije dingen.
We zullen het zwaard des Woords dan ook in toenemende mate tegen elkaar gaan hanteren, elkaar beschuldigend van Schriftkritiek en ontrouw aan dit of dat. En zo zullen wij dan strijdend wegzakken in de onbenulligheid.
Ik ben er niet gerust op. Het lijkt wel of wij Nederlands Gereformeerden, nadat wij het konfessionalisme hebben afgewezen, een kwaad geweten hebben gekregen en ons nu proberen sterk te maken in het biblicisme. Dat even heilloos is. Intussen, niets verhindert mij om zelf naar het midden van de Schrift toe op te stomen en een blije getuige te worden van Gods liefde die in Christus nog steeds onze arme wereld bestraalt.
Er is dus geen ekskuus voor somberte of teneergeslagenheid.
(wordt vervolgd)