Toeëigening des heils( 1)
1989-12-08
Nu het langzamerhand geheel duidelijk is geworden dat de kerkelijke eenheid met de Christelijke Gereformeerden geen verdere doorgang zal vinden, is de tijd aangebroken voor een terugblik: Wat zijn we nu met onze kontakten en samensprekingen opgeschoten? Wat kan er als winst uit worden meegenomen, zodat we in de toekomst als goede vrienden naast elkaar kunnen leven? Met een neergehaalde muur, maar zonder algehele eenwording - om in hedendaagse politieke termen te spreken.- Jaargang 33
- nummer 25
Eén van de dingen waar onze Christelijke Gereformeerde vrienden in de gehouden samensprekingen steeds weer mee aangekomen zijn, betreft de toeëigening des heils. Als ik goed luister hoor ik onder onze mensen irritatie bij het uitspreken van deze wat ouderwetse woordverbinding: toe-eigening -des-heils. Wat is dat helemaal? Die irritatie is wel begrijpelijk als het bij de klank van deze term blijft, zonder dat er nadere uitleg van gegeven wordt. Wat hebben de Christelijke Gereformeerden bedoeld ons Nederlands Gereformeerden voor te houden? Waar zijn ze bezorgd voor als ze over ons nadenken? Ontdaan van alle oubolligheid die voor het gevoel van sommigen in de uitdrukking meekomt, is - daarvan ben ik overtuigd - met die toeëigening des heils iets behartigenswaardigs aan ons hart gelegd.
Maar het kan geloof ik wel bijbelser gezegd worden dan tot nu toe gedaan is. Ik wil daarom een ogenblik theologisch doordenken op wat met die term te berde is gebracht.
De kritiek
Met het apart aan de orde stellen van die toeëigening des heils bedoelen de Christelijke Gereformeerden te zeggen dat de prediking in de Nederlands Gereformeerde kerken te weinig ernst maakt met de noodzaak van de wedergeboorte. Het hele heil is in Christus gereed, ja, en ligt in de doopsbelofte opgetast; zeker, maar hoe landt het bij de mens? Bij de mens wiens hart daar van nature niet naar staat. Daar wordt bij ons te weinig een punt van gemaakt, vinden zij. En of wij nu al zeggen dat wij dat uit eerbied en schroom aan de Heilige Geest willen overlaten, omdat anders de prediking te mensmiddelpuntig wordt; zij zijn er niet gerust op. Zij vrezen een vervlakking in de prediking.
Eigenlijk zijn ze bang dat die min of meer verzwegen wedergeboorte bij ons op hetzelfde neerkomt als de veronderstelde wedergeboorte die wij in de veertiger jaren zo terecht hebben afgewezen. Zijn jullie daar echt wel los van gekomen?, schijnen ze ons te vragen. Wel iets om over na te denken, vind ik.
Mijn zelfkritiek
Hebben zij gelijk? Mijn zelfkritiek als Nederlands Gereformeerde valt wat anders uit, maar toch kan ik voor wat onze vrienden zeggen wel begrip opbrengen. Ik kan er ook wel iets mee beginnen. Als ik in mijn herinnering terug ga naar de tijd dat ik als jongen opgroeide in de Vrijgemaakte kerken, dan moet ik zeggen dat ik in de veelvuldige gesprekken over het verbond die ons milieu kenmerkten, de Here Christus te weinig ben tegengekomen. En ik vrees dat dat, zeker onder de Nederlands Gereformeerden, nog niet helemaal weg is. Het was net of het verbond een zaak was waar Hij buiten stond. Natuurlijk bedoelde men dat niet te zeggen of te suggereren.
Christus lag met zijn Heilandswerk aan het verbond ten grondslag. Hij was er de vooronderstelling van, zoals Hij ook van de verbondsbelofte de inhoud vormde, zeker, maar dat was een vanzelfsprekend voorgegeven waarover niet veel behoefde te worden gezegd. Dat het daarnaast in het verbond ook telkens weer uitloopt op een kritische en beslissende ontmoeting met de Here Jezus, waarbij Hij ons vraagt: heb je Mij lief? en: wil je Mij volgen?, nee, dat kwam er eigenlijk zo niet uit.
Terwijl dat toch evenzeer tot de verbondsprediking zou moeten behoren.
Volksverbond en David-verbond
De Here Christus komt namelijk tweemaal in het verbond voor. Hij ligt er inderdaad 'met zijn offer aan ten grondslag, maar Hij vormt er met de bediening van zijn Geest ook het middelpunt van. Dat valt al uit de geschiedenis van het Oude Verbond af te lezen. Daarin stuiten we op de werkelijkheid van twee verbonden: het volks verbond en het Davidverbond.
Het volksverbond dat op de Sinaï met Israël werd gesloten en op het verbondsbloed gefundeerd was, en het David-verbond dat door de profeet Nathan werd bekend gemaakt en de aangekondigde Davidszoon tot partij tegenover God had, Beide verbonden stonden in een spanningsvolle relatie tot elkaar. Het volksverbond was de ruimte waarbinnen God het David-verbond als een kritisch midden had neergezet.
Israël möest zijn houding daartegenover bepalen. Dat heeft tot spanningen geleid, tot scheiding zelfs. Het uiteengaan van het noordelijk en het zuidelijk rijk is daar het duidelijkste voorbeeld van. De grote vraag op het verbondserf werd steeds meer: wat dunkt u van 'David'? (deze naam als inbegrip van het eigenlijke verbondsheil), - zoals dan ook binnen de christelijke gemeente de vraag aktueel blijft: wat dunkt u van de Christus? En daarom behoort echte verbondsprediking een twee-fasenstruktuur te vertonen. Niet elke zondag, maar in het algemeen. Enerzijds, moet de gemeente op Christus als haar fundament worden geplaatst, maar anderzijds moet zij met Christus als haar kritische midden worden gekonfronteerd. En beide bewegingen in de prediking vloeien voort uit de struktuur van het verbond.
Een bijbels alternatief
Onze mensen zijn nogal kopschuw geworden voor de kritiek die van Christelijke Gereformeerde zijde is geuit. Zij hoorden spreken over tweeërlei kinderen van het verbond, gehoorzame en ongehoorzame, en zij associeerden dat met voorstellingen die daar inderdaad' vaak in meekomen, te weten die van tweeërlei verbond: uitwendig en inwendig, tweeërlei belofte: voorwaardelijk en onvoorwaardelijk, enzovoort, enzovoort. Zij vonden dat zulke onderscheidingen het bijbelse spreken onzeker maken. Ik ben het daarmee eens. Het is mystificerend om zo met die termen te werk te gaan. De mensen weten niet meer waar ze zich aan te houden hebben, Ze worden wantrouwig gemaakt zowel ten aanzien van de eenvoud van de bijbelse, spreekwijzen als ten aanzien van de ' geloofsuitingen die in de gemeente naar voren komen. Maar nu blijkt het mogelijk om op bijbelse wijze te spreken van tweeërlei verbond: dat van het volk en dat van David, dat van de gemeente en dat van Christus.
En het is het ambt van de Heilige Geest om de gemeente van het ene naar het andere verbond over te leiden, omdat het ene zonder het andere geen bestand heeft. Wij moeten onder de van God gegeven verbondspartner gebracht worden. Zo ontstaat onderscheidende prediking.
Deze onderscheidende prediking kan en zal scheiding brengen, want Christus is gesteld tot een val en een opstanding van velen en niet allen die van Israël afstammen zijn ook Israël. Maar wij zijn niet op een argwanende prediking aangewezen om dit verschil boven water te krijgen.
Duidelijke Christusprediking, zowel funderend als konfronterend, volstaat.
Daarom denk ik dat met mijn onderscheiding recht gedaan kan worden aan het 'Anliegen' van de Christelijke Gereformeerde kritiek op onze prediking, zonder te vervallen in het zielsgepeuter dat onze mensen zo terecht vrezen en verwerpen. De volgende keer hoop ik een en ander nog te illustreren met een verhandeling over 2 Korinthiërs 6:16b-18.