Pastorale notitie

1989-12-08
  • Jaargang 33
  • nummer 25
Mág het wel waar zijn?

Binnen de gereformeerde gezindte kennen wij een geheel eigen manier van reageren op de inhoud van een preek. Dominees dienen bij het betrekken van de pastorie daarvan op de hoogte te zijn anders raken zij ontmoedigd. Wij zijn niet gewoon predikers met lof te overladen. Vermoedelijk steekt hier een diepe bezorgdheid voor hun zieleheil achter.
Heeft een preek ons getroffen dan verpakken wij onze gevoelens in de mededeling "Ik heb het wel eens slechter gehoord". De prediker moet dan weten dat hem zoëven de hoogste lof is toegezwaaid die in onze kringen denkbaar is. Een nog hoger judicium geven wij niet.
Ik spreek hier van 'wij' omdat ik tot diep in de jaren des onderscheids aan de voet van preekstoelen heb gezeten in plaats van er op te staan.
Zodoende ken ik deze gang van zaken van binnenuit.
Hier staat tegenover dat wij ook met onze kritiek doorgaans zuinig zijn.
Wij zijn zelfs heel lang bereid om die terstond na de dienst tegelijk met de koffie weg te spoelen. Het is al jaren geleden dat mij werd verteld dat deze eigenaardigheid typerend is voor de noordelijke provincies, maar de ervaring leerde mij dat deze' gedragslijn ook elders wordt gevolgd.
Nu kennen wij met betrekking tot de preek niet slechts bijval en afkeuring, meer er is een derde kategorie preken. Daarop reageren wij met de woorden: "Hierover moet ik nog eens nadenken". Toen ik dat voor de eerste keer hoorde was ik er erg mee ingenomen. Ik meende dat deze mededeling lofprijzing inhield voor de diepgang van de preek, maar dat bleek een 'vergissing. .
Overgezet zijnde bleek deze reactie te betekenen: "Hiervan geloof ik geen fluit. Ik ben ook niet bereid het gehoorde ernstig te overweqen, Deze woestijn is mij te mul. Dit mag gewoon niet waar zijn".
Ook dit ken ik, achteraf, toch wel uit eigen ervaring.
Toen ik voor het eerst hoorde van de gedachten van A. Janse van Biggekerke over de mens als levende ziel, was ik niet bereid die zomaar 'aan te nemen. Ik wilde er zelfs niet over nadenken. Ja, ik zou me daar zonder ziel de eeuwigheid tegemoet leven.
Wat Janse deed moest hij weten.
Wat mij betrof: dit mocht gewoon niet waar zijn.
Hoe ik hier nu op kom?
Door de artikelen over de wederopstanding des vleses, die drs. de Jong in ons blad publiceerde.
Ik ga niet op de inhoud in. Zelfs niet verpakt naar gereformeerde trant.
Daar ben ik de goede scribent niet voor en daar is dit rubriekje niet voor. Ik doe niet aan het spel mee maar zit aan de zijlaan en geef wat commentaar. Maar wat zou ik graag over de zaken, die de Jong aansneed eens met, deze en gene willen praten en zie: dat blijkt erg moeilijk.
Ik krijg reacties als hierboven aangehaald: hier moet ik nog eens over denken.
Wat zit hier nu achter?
Ik hoor geen bijval of afkeuring. Ik krijg meer het gevoel dat men over deze dingen niet graag nadenkt en dat het niet waar mág zijn.
Wij zijn met deze dingen bij het hart van ons christelijk geloof, met name als het gaat over de opstanding van onze Heer. Ik mag toch wel zeggen dat het hier om zaken gaat die veel gewichtiger zijn dan de positie van de vrouw in de kerk, waarover iedereen zo vlot zijn zegje doet.
In de kerkelijke pers is de opstanding in deze maanden de meest besproken zaak. Wij zijn niet immuun voor de bijbelvreemde gedachten die nu rond gaan. Daarom kunnen we elkaar geen groter dienst bewijzen dan over deze zaken met elkaar door te praten. Het moet wel waar mogen zijn wat in ons blad werd gezegd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief