India, mij een zorg (4)

1989-12-08
  • Jaargang 33
  • nummer 25
Het verschil…
Mijn verblijf op de campus in Pune is nog geen drie dagen oud en ik heb nog geen colleges gegeven. Bij een bijeenkomst, waar ik met wat studenten zit te praten - we zijn nauwelijks nog met elkaar bekend - vraagt één van de studenten of het klopt dat ik uit Nederland kom. Als ik daarop bevestigend antwoord, is zijn eerste vraag: "Ken je mevrouw Rookmaaker ook?" Als ik ook daar 'ja' op zeg, stráált hij meteen! Hij komt uit een van de 'Homes' vertelt hij. Als kind is hij er al terecht gekomen; in Guntur, in de staat Andhra Pradesh, heeft hij er twaalf jaar opzitten. Hij is daar nu bijna drie jaar weg, de tijd van zijn huidige theologieopleiding.
AI die jaren is hij financieel ondersteund door de dames van een Christelijke-Gereformeerde vrouwenvereniging in de Randstad. Een dag later komt hij bij me langs en praten we opnieuw. Hij heeft een paar foto's van zijn 'sponsors' bij zich. Ik vertel hem dat ik tot mijn spijt geen van de gefotografeerden ken. Dat blijkt niet onoverkomelijk.
Of ik ze wel wil vertellen dat hij ze erg dankbaar is. Hij doet nu zijn 'kandidaats' (het gradensysteem in India en ons land loopt niet gelijk op, maar dat is in onze termen ongeveer zijn niveau). Daarna wil hij, als het kan, graag nog verder met zijn theologische studies, aan een andere opleiding, verder naar het Zuiden.
Daar kan hij dan ook Hebreeuws doen; Grieks heeft hij nu al gedaan.
Daar geniet hij van, vertelt hij; talen boeien hem.

Hij neemt weer een dag later één van de studenten uit zijn 'class' mee.
Ook een van de jongens uit de 'Homes', legt hij uit. Ze spreken er samen over en de naam van 'Redt een Kind' valt, en die van mevrouw Rookmaaker. Het valt me op dat ze er zo over praten als ik anderen later hoor praten over Moeder Teresa.
(Die opmerking zal ze niet zo nodig vinden, als ze het leest, vermoed ik, maar het is de zuivere waarheid; het was zo evident dat ze haar en het werk van 'Redt een Kind' zéér hoog hadden!) Met Massilamani (zo heet nummer twee) praat ik bijna een hele avond.
Hij is een wat ernstige en zeer gevoelige jongen. Een paar keer staan er tranen in zijn ogen, achter de sterke brilleglazen, als hij het heeft over het verschil dat het leven in het Tehuis heeft betekend. Negentien jaar geleden kwam hij in 'Bethet', een van de grótere kindertehuizen.
Dat is dus al lang geleden. Een dame uit Overijssel heeft al die jaren zijn opvoeding bekostigd.
Van hem hoor ik wat uitvoeriger welke achtergrond kinderen zoals hij kunnen hebben. "Mijn vader dronk", vertelt hij, "en dat doet hij nog. We zijn met vier kinderen, en die werden feitelijk geheel verwaarloosd.
Een oudere broer is ook in 'Bethel' geweest, maar die is maar een paar jaar gebleven; toen vertrok hij - het was hem te streng. Hij heeft nu wel een goede baan en verdient behoorlijk.
Toch vind ik niet dat het echt goed met hem gaat, geestelijk gezien.
In zijn levensstijl blijkt hij geen gelovige. En dat geldt ook voor een jongere zus en broer; die hebben altijd thuis gewoond. Beiden werken in de bouw, als koelie. Ze hebben het niet breed; hun werk betaalt namelijk. niet goed. Maar zo onderhouden ze wel onze ouders. Binnenkort gaat mijn zus trouwen; het huwelijk is, zoals vaak hier, gearrangeerd.
Of ze er financieel ooit bovenop komt weet ik niet.
En dan ik. Ik ben dus lang in 'Bethel' geweest. Als het vakantie is, ga ik er altijd naar terug. Bethel is echt thuis voor me. Daar ben ik ook tot geloof gekomen. Dat heeft me veranderd.
En als ik kijk wat ook maatschappelijk gebeurd is, dan kan ik alleen maar zeggen: wat een verschil heeft het voor me gemaakt." Zichtbaar aangedaan kijkt hij me aan. Hij is zeer dankbaar, dat blijkt uit alles.

Toch moeilijk
Als ik vraag of er ook dingen moeilijk zijn, of moeilijk zijn gebléven, geeft hij een indringend antwoord.
"We hebben véél reden om de mensen die ons steunen dankbaar te zijn, maar ze kunnen natuurlijk niet álle pijn wegnemen. Wat voor de meesten van ons heel moeilijk is is het besef dat onze ouders ons vaak niet konden ondersteunen, of dat ook niet wénsten. Wij hebben bijna allemaal een stevige emotionele crisis gehad, toen we een jaar of 17 waren.
We hadden zó'n intens gevoel van afgewezen worden, door onze ouders.
Dat was verschrikkelijk! De meisjes hebben het meestal ietsje eerder in hun puberteit. Bijna allemaal hadden we het er een tijdlang vreselijk te kwaad mee. Maar ja, dat moeten we uiteindelijk zelf uitknokken.
Verder maakt het me verdrietig, straks zelfstandig te moeten leven want 'Bethel' is thuis. Ik heb het gevoel dat ik dan alleen kom te staan. Ik weet nog niet zo goed hoe het dan zal gaan. Maar ik bid ervoor.

Later kom ik erachter dat er op z'n minst nog één probleem zit. Zijn zus, die straks gaat trouwen, heeft geen geld voor een bruidsschat en óók niet voor een uitzet. Die heeft al bij herhaling gevraagd of ze van hem geld kan krijgen. 't Hoeft niet zoveel te zijn, met tweeduizend roepies komt ze al een heel eind. En toen hij zei dat hij óók geen geld had, was de reactie dat hij natuurlijk wél een veel betere toekomstige positie zou krijgen dan alle andere familieleden bij elkaar! Bovendien, hij had toch contacten in het Westen ... Maar - hij zei het haast wanhopig, een aantal weken later,loen we vertrouwelijker waren geworden- hij hád het gewoon niet! Wat kon hij döen? Behalve zich schuldig voelen over de kans die hij had gekregen en zij niet ...

Steun waard
Waarom ik dit alles vertel zal duidelijk zijn. Stellig is een aantal van u donor van 'Redt een Kind', of hebt u in het verleden een of meer kinderen financieel ondersteund. Natuurlijk hebt u via publicaties kunnen lezen dat uw geld goed besteed wordt. En vast hebt u in zo'n geval ook brieven van de kinderen in kwestie gehad (in een soms ietwat stereotiepe vorm, wellicht). Maar de meesten van u zullen niét in de kostbare omstandigheden zijn geweest om 'uw kind' op te zoeken en te spreken. En, als u dat al was, vele kinderen zijn nog jong. Je kunt van hen geen afgewogen oordeel verwachten 'over hun situatie. En Stichting 'Redt een Kind' is, naar' ik meen, zeker niet zo nadrukkelijk in het vermelden dat u met dit alles iets heel góeds doet.
Laat ik van mijn kant, als een (al-of-niet) objectieve 'buitenstaander', u vertellen dat uw steun buitengewoon veel voor die kinderen betekent!
Inderdaad, niet allen zullen het u zelf zeggen; misschien dat ze het zelfs niet allemaal vinden. Ook toegegeven, ik heb maar twee huizen bezocht en dan vooral oudere 'gesponsorde kinderen' gesproken. Toch meen ik, op grond van die gegevens, te kunnen zeggen: wéét dat u er veel góeds mee doet! En gaat u er alstublieft mee dóór!

Arm aan geld, krap in de tijd
India is voor mij gaan bestaan uit gezichten van individuele mensen, en hun eigen, unieke verhaal. Een andere student kwam ik in de kerk tegen; ik had er juist gepreekt. (Dat gaat daar zo, ik was er de week tevoren te gast geweest, ik had iets met geestelijk werk te doen en men vroeg dus of ik de volgende week wilde preken. Dat had ik dus zojuist gedaan. Net voor ik begon dook een gemeentelid achter een gordijntje, naar ik dacht om een glaasje water te halen. Maar in plaats daarvan kwam hij met een grote, zwaargeurende bloemenkrans, waarmee je ook mensen Hindoe-godenbeelden ziet omhangen. Ik voelde me een eenmansbloemencorso, en heb hem in dankzegging aanvaard, maar niet gedurende de hele preek omgehouden) Onder mijn paraplu liepen we door de zware slagregen de heuvel weer op, naar de campus.
En toen kwam zijn verhaal.
Hij kwam uit het Noord-Oosten, uit een gebied dat tegen de grens met Birma ligt. Hij zag er feitelijk ook nogal Birmees uit, net als andere studenten uit die regio. In de staat Manipur was hij jeugdleider geweest, in zijn kerk. Er waren heel wat jonge mensen tot geloof gekomen, mede door zijn werk. Maar hij had te weinig opleiding genoten en dat betekende dat sommige jongeren niet veel respect voor hem hadden.
Zo was hij een theologische opleiding begonnen en het ging goed. Hij was nu dertig, had drie jaar gestudeerd en dacht erover om ook nog twee jaar extra te doen. De studie was hem niet cadeau gedaan; de taal was voor hem een probleem.
En inderdaad, studenten uit India's Noord-oostelijke staten hebben over het algemeen veel moeite met het Engels. Nee, veel geld had hij niet en zou hij ook niet gaan verdienen.
Zijn (baptisten) kerk in Manipur was arm, maar ze ondersteunde hem, naar de grens van hun vermogen.
Bovendien - en dat zei hij met enige trots - al hadden ze maar weinig geld,ze ondersteunden nog vier andere studenten en een aantal evangelisten, ook buiten India. Want je moest het Woord uitdragen, nietwaar?
Het betekende wel dat er voor hem dus niet zoveel fondsen beschikbaar waren. Ik vroeg hem - enigszins terloops - of hij veel boeken had.
Nee, alleen de tien boeken die in de afgelopen jaren verplicht waren geweest. Verder las hij alles wat hij nodig had in de bibliotheek. En wat hij echt belangrijk vond schreef hij uit boeken over. Deed hij dat vaak?, was mijn vraag. Ja, dat deed hij elke zondag wel een aantal uren. Hij had intussen vele honderden bladzijden overgeschreven, als investering in een grotendeels boek-loze toekomstige werkkring, in een uithoek van zijn immense land. Daarvan was ik diep onder de indruk. Ik ben het nog, en vraag me af of situaties als deze wellicht voor. mensen in dit land aanleiding kunnen zijn om in een behoefte te voorzien.

Je in de schulden steken
Vergelijkbare verhalen hoorde ik ook in de reusachtige stad Calcutta.
Daar was ik heengegaan anderhalve dag en twee nachten in de trein, om ons eigen 'kind' (geadopteerd via 'Redt een Kind') op te zoeken.
Het was wel niet naast de deur, maar nu ik tóch in India was ... Feitelijk had ik er nogal tegen opgezien om naar Calcutta te gaan; als je al die verhalen hoorde over de intense armoede en zo.
Het eerste dat opviel bij het uitstappen op het perron was de intens vochtig-hete temperatuur, ongeveer 35 graden, maar dan wél in een sauna! In geen plek heb ik ooit maar half zo getranspireerd!
En verder, ik zeg het maar eerlijk, was ik binnen een halve dag verslingerd aan die stad: de eindeloze stroom auto's kon me niet echt bekoren, maar de ménsen die je er ziet.
Vooral om een uur of kwart voor vijf in de ochtend liep ik door een lange straat met bijna uitstuitend opticienwinkels.
In een redelijk opgewekte sfeer waren honderden trottoirslapers bezig te ontwaken, zich te wassen bij een pomp op straat of in een plas water ... De boeiende mensentypen die je daar zag! Vooral bij het lopen naar de grote brug over de rivier (een uitloper van de Ganges) zag je de meest interessante mensen die je je kunt voorstellen. Niet dat je je daarop in een misplaatst romantisch gevoel moet blindstaren natuurlijk. En toch ...
Welnu, in dat Calcutta met zijn veertien miljoen inwoners, in die krioelende mierenhoop verbleef ik in een ander opleidingsinstituut, waar vooral veel mensen uit die Noordoostelijke staten studeerden. Mensen met sterk mongoolse trekken, of birmees. "

En ook daar hetzelfde verhaal, met één verschil. Ook bij deze studenten was er weinig geld aanwezig, Zo weinig dat ze vaak geen enkel schoolgeld konden betalen. De 'principa!' nam geregeld ze toch maar aan, en vertrouwde dat ze het geld wel een keer zouden betalen, na afloop. Maar, zo vertrouwde hij me toe, ze wilden allemaal wel, maar· het zat er vaak gewoon niet in - als ze soms al tijden afgestudeerd waren, was er nog geen mogelijkheid aan terugbetalen te denken. "Wat doen jullie in zo'n geval?", wilde ik .
weten. "In feite is het dan zo dat wij ons in de schulden steken om toch vooral maar mensen op te leiden; het is zo nódig - er is zoveel werk te doen in dit land. Ja, we steken ons bewust, willens en wetens, in de schulden. En dan is het een zaak van gebed, dat we toch weer budgettair uitkomen."
Ik vroeg hoeveel het eigenlijk kostte voor een student(e) om daar een heel' cursusjaar les te volgen, stage te lopen, te wonen en te leven. Het antwoord - in onze munteenheid omgerekend - was: achthonderd gulden per jaar ... Daarvoor kon die Bijbelschool mensen dus een héél jaar onderhouden. En zulke bedragen waren er niet. Maar wel studenten; men kon ze met ingang van heden hebben en plaatsen. Over deze en andere zaken heb ik heel wat zitten nadenken. Je wilt niet graag een nationale kerk, die op eigen benen moet staan en die dat ook kán, aan allerlei structuren onderwerpen die weer afhankelijkheid suggereren. Ook wil je niet als westerling de hele tijd met onze geldbuidel zwaaien. Toch vraag ik me af of we in dit soort omstandigheden iets voor mensen in India kunnen doennaast het werk dat al gebeurt dus.

En dus vraag ik me af of er onder u ais lezerskring mensen zijn die financieel willen steunen: In dal geval svp een bijdrage op girorekening 2311112 tnv T.F.C. Kool, p.a. B.W.laan 88, Amersfoort (uw gift is belastingaftrekbaar: dit is nl. een onderdeel BMZG).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief