Toeëigening des heils (2 - slot)
1989-12-22
De zo bekende vrijgemaakte verbondsprediking kan wel eens iets godsdienstig-oppervlakkigs krijgen en slaat dan zelfs gemakkelijk door naar een vaag religieus humanisme.- Jaargang 33
- nummer 26
Ik ben daar in de praktijk wel schrijnende voorbeelden van tegengekomen.
Hoe kan dat? Mijns: inziens doordat veel verbondsprediking halverwege blijft steken en de bijbelse lijn niet ten einde toe volgt. Wat is die bijbelse lijn? In de Schrift zelf wordt die duidelijk getrokken, en wel in het Oude Testament, in Israëls geschiedenis. Je ziet namelijk in de Schrift, in de voortgang van de heilsgeschiedenis, dat God de ruimte van het Sinaï-verbond gebruikt heeft om daar middenin een, ander, een volgend verbond neer te zetten. Nee, dat is niet een inwendig verbond dat gesloten zou zijn met schimmige uitverkorenen die zich onzichtbaar te midden van de grote verbondshoop zouden ophouden.
Die konstruktie heeft ontzettend veel, schade veroorzaakt doordat ze Gods verbond met Israël op losse schroeven zette en twijfel zaaide aan alles wat God belovend gesproken heeft.
Dáár ligt ook de wortel van de argwanende en ziels verwarrende prediking die als een bijbels alternatief voor de vrijgemaakte verbondsprediking met haar vervlakkingseffekten wordt aangeboden en waar de zogenaamde zware prediking een treurige bedrevenheid in ontwikkeld heeft. Nee: niet een nader verbond met de uitverkorenen teert de bijbel, maar een tweede verbond met dé Uitverkorene, dàt is wat de ruimte van het Sinaï-verbond allengs gaat vullen. Het David-verbond dus, waarvan het in de woorden van de profeet Nathan heet: "Ik zal hem tot een vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn" (11Samuel 7:14) en waarvan in Psalm 89 zo ontroerend gezongen wordt:"Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen. Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen."
Dit tweede verbond is nodig geworden om de failliete boedel van het eerste verbond te redden. Een psalm als de achtenzeventigste laat dat in alle duidelijkheid zien. Bijbelse verbondsprediking is nu dat de verkondiging de mensen eerst haalt binnen de ruimte van het verbond dat God met zijn volk gesloten heeft en hen vervolgens noopt hun houding te bepalen tegenover het David/ Christus-verbond. Overigens, wat dat 'eerst' en 'vervolgens' betreft: wat in de heilsgeschiedenis ver uiteen staat, komt in de prediking in elkaar te liggen. Dat laatste verbond fungeert dus als toetssteen binnen,de ruimte van het eerste. Zo is het in Israëls geschiedenis toegegaan en nog is dit de kanon van de christelijke verkondiging. Van de houding, die men tegenover Christus aan- , neemt hangt het af of men een echte bondeling is of niet; Zo zorgt de bijbelse twee-fasen-struktuur van het verbond voor een onderscheidende prediking. Een prachtig voorbeeld van die twee-fasen-struktuur vinden we in 11Korlnthlërs 6:16b-18. Daarover nu verder, zoals ik vorige maal al aankondigde.
2 Korinthiërs ():16b-18
De bedoelde passage is een kollage van oudtestamentische Schriftplaatsen, kunstig bij elkaar gezet uit alle hoeken en gaten van wet, profeten en psalmen: Levitikus 26:11; Ezechiël 37:27; Jesaja 52:11; 11Sarnuël 7:14; Psalm 89:27,28; Jesaja: 43:6.
Dergelijke klusters van teksten kom je in het Nieuwe Testament vaker tegen en er zijn sporen van dat ze daarvóór al bestonden. Dat ze als resultaat van noeste theologische arbeid door de kerk reeds van de synagoge zijn overgenomen. Zo kom je bijvoorbeeld de kombinatie van Jesaja 28:16 met Jesaja 8:14: de messlas als funderings- én als toetssteen, zowel bij Paulus (Romeinen 9:33) als bij Petrus (1 Petrus 2:6 en 7) tegen en dat zou erop kunnen wijzen dat die twee daarvoor uit een gemeenschappelijk fonds hebben geput.
Wat de struktuur van dit tekstsamenstel betreft, je kunt er een driedeling uit aflezen: een begin (vs.16b), een midden (vs. 17) en een einde (vs. 18). Het gaat de apostel bij zijn aanhaling vooral om het middenstuk (vs. 17), want dat sluit aan bij de strekking van de hele perikoop, die een scherpe antitheseprediking behelst: ..Scheidt u af .. (vs. 17), want ..wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid?" ... enzovoorts (vs. 14). Dit scherpe vermaan van het middenstuk wordt nu omlijst door een dubbele herinnering aan het verbond, in vers 16b en in vers 18. Het woord 'verbond' ontbreekt daar weliswaar, maar wel zijn er de twee verbondsformules, waarvan ge eerste (God - volk) past bij het Sinaï-verbond en de tweede (vader - zoons en dochters) zijn oorsprong heeft in het Davidverbond.
Het geheel van de passage is van een dramatische spanning ,doortrokken: van het eerste, het Sinaï-verbond, gaat het langs de weg van een scherp vermaan náár het volgende, het David-verbond.
Dat laatste heeft hier een verbreding ondergaan ... Ik zal u tot een vader en gij zult Mij tot een zoon zijn" is nu geworden tot: ..Ik zal jullie tot een vader en jullie zullen Mij tot zonen en dochters zijn". Deze zonen en dochters zijn namelijk diegenen in het verbond die zich onder dé Zoon lieten brengen. Dit kan alleen via een persoonlijke geloofsbeslissing.
Vandaar dat het ongenuanceerde 'enkelvoud 'volk' van vers 16b in vers 18 uiteenvalt in het meervoud van 'zonen en dochters' en in de verscheidenheid van mannen en vrouwen.
Heel opmerkelijk is het begin van vers 17 waar, tussen het eerste en het tweede verbond in, staat: .....en , Ik zal u aannemen. ..... Hoezo 'aannemen'?
Ze wáren toch al aangenomen?
Getuige het begin van de passage: “Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn". Mijns inziens ontkomen wij er niet aan hier te spreken van een tweede aanneming, die plaats vindt nadat men de proef van de konfrontatie met Christus en zijn Geest in het verbond heeft doorstaan.
Wil het van 'volk' tot 'zonen en dochters' komen dan dient er een nadere aanneming plaats te vinden.
Uit die woorden 'Ik zal u aannemen' blijkt dus de twee-fasen-struktuur van het verbond zeer duidelijk, alsmede de daaruit voortvloeiende dramatische spanning. De tweede aanneming duidt immers het kritische moment in het verbond aan: wie zal aangenomen ... én wie zal verlaten worden? Dat wordt niet uitgemaakt door een voor ons blinde verkiezing van God (of beter gezegd: , hoe waar dat ook is, dat krijgt geen nadruk), maar door telkens her~ haalde konkrete beslissingen van ons die (dat wel!) alleen 'in God' genomen kunnen worden.
We schampen hier langs de voorbeschikkings-problematiek en ik zou er in dit verband één opmerking aan willen wagen. Een zwaar aksent op de voorbeschikking treffen we in de bijbel nergens aan. Dat hoeft ook.
niet, want de voorbeschikkingsgedachte komt in de Gods-gedachte vanzelf mee. Een bijbel heb je daarvoor niet nodig. Wat de Schrift met die gedachte wél doet is dat zij haar nuanceert. In het kader van voorbeschikking en verkiezing begint ze namelijk steeds duidelijker van Christus, dé voorgekende en uitverkorene Gods, te spreken. Hem stelt zij vóór ons, met zijn nodiging en vermaan die ons telkens tot keuzes vóór of tegen nopen. Dat is de manier waarop de bijbel voorbeschikking en verkiezing weghaalt uit de noodlot-sfeer.
Impliciet en expliciet
Maar mijn uiteenzetting over de twee-fasen-struktuur van het verbond zou een misverstand kunnen oproepen. Is Christus, zo zou men mij kunnen tegenwerpen, niet al bij 'de grondlegging van het verbond aanwezig en kun je dus Israël niet van meet aan aanspreken als zonen en dochters van God? Zeker is dat het geval. Deuteronomium 14:1 zegt in alle duidelijkheid: ..Kinderen zijn jullie van de HERE jullie God ..... En wat Christus betreft, het Immanuëlgeheimenis, waarvan Hij de uiteindelijke belichaming is, ligt van het begin af aan de verbondsluiting ten grondslag, zoals uit het in vers 16 aangehaalde Levitikus 26 manifest is: ..Ik zal onder hen wandelen."
Daar heb je het Immanuëlgeheimenis, de genadige inwoning Gods. Die gaat voorop en uit kracht daarvan kan dan volgen: ....en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn". Nog klaarder wordt dat als je Levitikus zelf erbij opslaat: "En Ik
zal mijn tabernakel in uw midden zetten en Ik zal geen afkeer van u hebben, maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn" (Levitikus 26:12; zie ook Ezechiël 37:27).
Funderend gaat hier de verzoeningsdienst in het heiligdom (afschaduwing van Christus' offer!) aan het verbond vooraf. Pas dan volgt de verbondsformule, als vrucht daarvan.
Nee, echt, alles is er, van meet aan.
Geen sprake van dat je het Sinaïverbond uitwendig zou kunnen noemen en het buiten Christus en de Heilige Geest zou kunnen houden.
Alleen, wat van den beginne impliciet aanwezig is, moet gaande weg maar expliciet gemaakt worden.
Vandaar dat de Here God die zijn Christus aan het verbond ten grondslag heeft gelegd, Hem ons ook in het verbond nog weer doet ontmoeten.
Om het goed tot ons te laten doordringen dat het verbond echt niet zonder Christus kan, ja dat Hij er de eigenlijke inhoud van is.
Om dit nog met een ander voorbeeld te illustreren: het buitengewone van Isaäks plaats in het verbond als kind der belofte was impliciet bij zijn wonderlijke geboorte al helemaal aanwezig. Maar dat impliciete wordt geëxpliciteerd en zo niet weinig.
beklemtoond bij zijn ongedeerde terugkeer uit de offerdood. Daarin wordt het geboortewonder als het ware herhaald en tegelijk verdiept.
Israël had dat nodig. En wij ook.
Zonder die 'herhaling' zou Christus' plaats in het verbond zo gemakkelijk een vanzelfsprekend voorgegeven kunnen worden waarover we weinig meer behoeven te zeggen ... Natuurlijk, Christus!", zou het dan worden.
Terwijl er toch niets natuurlijks aan zijn komst is. Christus' plaats in het verbond is een veel nadrukkelijker genadegegeven. Daarom staat Hij aan het begin én komt Hij aan het einde. Meer impliciet staat Hij aan het begin en meer expliciet komt Hij aan het einde.
En dat brengt mij tenslotte tot nog weer een andere poging om mijn kritiek op de vrijgemaakt- en nederlands-gereformeerde verbondsprediking te formuleren: is Christus daarin niet te impliciet aanwezig?
Moet verbondsprediking niet meer expliciet Christocentrisch zijn? In die zin dat Hij die van de aanvang af met de gemeente oploopt, haar tegelijk van de overzijde tegemoet treedt en met de telkens nieuwe beslissingen die Hij vraagt de verbondsrelatie in de krisis brengt?
En nu maar hopen dat onze Christelijke Gereformeerde broeders en vrienden zoiets bedoelen wanneer ze zich onvoldaan tonen over de gangbare verbondsprediking binnen de beide huizen van de Vrijmaking.
Inderdaad, de beide huizen, - over welker uiteengaan je beurtelings verdrietig én blij kunt worden. 0ok blij? Ja, want "wennihr im Suchen euch trennt, wird erst die Wahrheit erkannt" (Schiller, geloof ik).